Loonsverhoging minder waard dan aanvullend pensioen

©shutterstock

Door de economische crisis zijn royale loonsverhogingen meer uitzondering dan regel geworden. Maar wie de keuze heeft, kiest beter voor hogere pensioenbijdragen dan voor een loonsverhoging.

Ongeveer 2,2 miljoen Belgen doen aan pensioensparen via hun werkgever. Stortingen van de werkgever in een groepsverzekering of in een pensioenfonds leveren een gegarandeerde rente op van 3,25 procent per jaar. Op de stortingen die de werknemer doet, is er zelfs een gegarandeerde rente van 3,75 procent. De werkgever moet die rendementen garanderen en die factuur wordt zwaarder nu verzekeraars hun gegarandeerde rentes op groepsverzekeringen vanaf 2013 moeten verlagen naar 2 procent, volgens een voorstel van de Nationale Bank (zie De Tijd 24 oktober).

Helaas wordt de tweede pensioenpijler door te weinig werknemers als een volwaardig onderdeel van het loonpakket beschouwd. Uit een rondvraag van Netto bij 1.000 Belgen blijkt dat 68 procent van hen loonsverhoging verkiest boven aanvullend pensioen. Studies wijzen nochtans uit dat de pensioenspaarpot die via de werkgever wordt opgebouwd cruciaal zal zijn om de terugval tussen het laatste loon en het wettelijke pensioen te beperken.

Bovendien rijst de vraag of een directe loonsverhoging effectief een rendabeler keuze is dan een hoger aanvullend pensioen. Om op die vraag te antwoorden, gaan we uit van een werknemer die de keuze heeft tussen 100 euro bruto loonsverhoging en 100 euro extra bijdragen van de werkgever in de groepsverzekering.

Klik op het beeld om te vergroten.

Een brutoloonsverhoging van 100 euro kost de werkgever in werkelijkheid 135 euro omdat de werkgever op het bedrag nog bijdragen voor de sociale zekerheid moet betalen. Ook aan de kant van de werknemer gaat van het brutobedrag een bijdrage sociale zekerheid af. Als we uitgaan van een aanslagvoet van 50 procent en een gemeentebelasting van 6 procent, dan houdt de werknemer van de brutoloonsverhoging van 100 euro maar 41 euro netto over.

Stel nu dat de werkgever beslist geen directe loonsverhoging te geven, maar 100 euro extra in de tweede pensioenpijler te storten. Voor de werkgever komt daar nog een premietaks (4,4%) en een bijzondere sociale bijdrage (8,86%) bovenop, zodat de totale kosten voor de werkgever oplopen tot 113 euro. Rekening houdend met 5 procent kosten, komt van de 100 euro liefst 95 euro in het pensioenplan terecht, ten gunste van de werknemer. Bij pensioenuitkering (62 jaar) geldt daarop een totale inhouding van 22 procent. Voor de duidelijkheid maken we wel abstractie van rendement en inflatie. Van de totale kosten die gedragen worden door de werkgever, gaat op die manier 65 procent (74 euro van 113 euro) naar de werknemer. Ter vergelijking: bij een loonstijging gaat slechts 30 procent (41 euro op 135 euro) naar de werknemer.

Een derde mogelijkheid is dat de werkgever de loonsverhoging van 100 euro toekent, maar vervolgens in de vorm van een werknemersbijdrage in het pensioenplan stort. Dan zou hem dat in werkelijkheid 138 euro kosten. De werknemer zelf zou uiteindelijk 60 euro in het plan storten. Bij latere pensioenuitkering zijn er sociale en fiscale inhoudingen. Van de kosten gedragen door de werkgever gaat op die manier slechts 37 procent naar de werknemer. ‘Werknemersbijdragen zijn vanuit fiscaal oogpunt inderdaad veel minder interessant dan werkgeversbijdragen’, zegt Pieter Gillemon, pensioenspecialist van PwC.

Het voorgaande illustreert ook dat een extra storting van de werkgever in de tweede pensioenpijler gunstiger is dan een directe loonsverhoging. Netto houdt de werknemers van de 100 euro het meeste over. Voor de werkgever is dat de beste keuze omdat de kosten voor hem het laagst liggen. Wie ondanks deze cijfers toch liever het heft in handen neemt, en de loonsverhoging zelf wil beleggen voor zijn pensioen, moet er wel in slagen beter te doen dan de gegarandeerde rente van 3,25 procent die hij via de tweede pijler krijgt.

Vanzelfsprekend is het verhaal niet zwart-wit. Zo hebben werknemers ook directe loonsverhogingen nodig voor hun dagelijkse levensbehoeften. Voorts wordt het wettelijk pensioen berekend op basis van het brutoloon. Hoe hoger dus dat loon, hoe hoger het pensioen. Al geldt er wel een loonplafond. Wie jaarlijks meer dan 49.773 euro bruto opstrijkt, zal geen hoger wettelijk pensioen krijgen als zijn loon stijgt. Alle factoren in acht genomen, illustreert het voorgaande wel dat werknemers best niet zomaar blind voor een directe loonsverhoging kiezen als de werkgever hen de keuze geeft.

Lees verder

Advertentie
Advertentie