Naar een rechtvaardiger financieringsmodel van het hoger onderwijs

Onderwijs is de heilige graal van onze samenleving. De meeste beleidsmakers zijn er blijkbaar rotsvast van overtuigd dat meer investeren in onderwijs een absolute noodzaak is om de toekomst van ons land veilig te stellen. Studeren zullen we, zodat we kunnen concurreren met de BRIC-landen – wij Belgen hebben immers geen diamantmijnen of olievelden, enkel onze hersens. Er is alvast uitstekend nieuws voor de onderwijskruisvaarders: meer jongeren dan ooit bezwijken aan de lokroep van een hoger diploma.

De voordelen van zo’n blaadje papier zijn dan ook legio: een hoger loon, meer werkzekerheid, een betere gezondheid en niet het minst een gelukkiger leven. Een universiteitsstudent kost de overheid echter jaarlijks 10.000 euro, de gederfde socialezekerheidsbijdragen en belastingen niet eens inbegrepen. Betekent een hoger diploma überhaupt een meerwaarde voor de maatschappij?

De missing link

Op macroniveau hebben landen met een hoger bruto nationaal product (bnp) een hoger opgeleide bevolking. Dat is een vaststaand feit. Maar correlatie is geen causatie: de vraag of onderwijs leidt tot economische groei, is onbeantwoord.

In de conventionele kijk op onderwijs en groei brengt het onderwijs individuen vaardigheden en kennis bij, wat hen later productiever maakt op de werkvloer. Die verhoogde productiviteit leidt op haar beurt tot meer economische groei, die geïnvesteerd kan worden in meer onderwijs. Het resultaat is een positieve feedbacklus, oftewel: eindeloze groei.

In de data is er echter geen neerslag te vinden van dat proces. Een recente analyse van de zes uitgebreidste transnationale onderwijsdatabanken, uitgevoerd door Delgado et al. (2011), toont geen doorslaggevende link tussen het onderwijsniveau en de groei. De onderzoekers voegden tevens een tabel toe met de conclusies van 14 andere empirische onderzoeken, met als enige significantie dat ze alle uiteenliepen. Bils en Klenow (2000) suggereren zelfs dat de pijl moet worden omgedraaid, dat groei mogelijk verantwoordelijk is voor het stijgende onderwijsniveau!

Dat impliceert dat onderwijs mensen gemiddeld niet productiever maakt. Maar wat is dan het nut van een diploma?

Moeder, waarom leren wij?

Hoewel een individu duidelijk gebaat is bij het aanleren van basisvaardigheden als lezen, schrijven en rekenen, is het onduidelijk hoe al de rest bijdraagt tot een grotere productiviteit op de werkvloer.

Er is al veel inkt gevloeid over de foute afstemming van het hoger onderwijs op de arbeidsmarkt, maar de geestigste bijdrage is ongetwijfeld die van professor economie Bryan Caplan: ‘(1) Ik praat tegen mijn studenten over academische onderwerpen als bevolkingsexternaliteiten of het effect van onderwijs op beleidsvoorkeuren. (2) De studenten leren het materiaal. (3) Magie. (4) Mijn studenten worden iets betere bankiers, verkopers, manager, enzovoort.’

De bestaansreden van onderwijs is gefundeerd op de veronderstelling dat studenten (a) kennis en vaardigheden die ze op de campus verwerven, behouden en (b) die kunnen toepassen buiten de campus. In de educatiepsychologie bestaat echter weinig consensus over het waarheidsgehalte van (b). Het is makkelijker om een journalist journalistiek te laten studeren dan om een student journalistiek te veranderen in een journalist.

Signaalmodel

Als studenten minder bijleren dan wordt aangenomen en die kennis vaak niet wordt toegepast buiten de campus, en als bovendien het effect van het onderwijs op de economische groei niet zichtbaar is in de data, dan kunnen we stellen dat er een probleem is met ons model van de werkelijkheid.

Een frisse maar controversiële kijk op de zaken is het signaalmodel van Spence. Werkgevers zijn bereid een hoger loon te betalen aan betere werknemers, maar hebben veel moeite om de capaciteiten van een sollicitant in te schatten. ‘Hij lijkt intelligent, maar is hij bereid om hard te werken?’ of ‘Ze is briljant, maar zal ze zich schikken naar mijn gezag?’ zijn vragen die een werkgever graag beantwoord wil zien. Een diploma is een ‘signaal’ naar de werkgevers dat de sollicitant over een zekere bekwaamheid beschikt, een teken van intelligentie, maar ook van doorzettingsvermogen en conformisme. Een voorbeeldige student zal bijvoorbeeld door de band genomen een goede werknemer zijn.

Volgens het signaalmodel zijn enkel de credentials van belang voor werkgevers. Harvard en het Massachusetts Institute of Technology zetten bijvoorbeeld hun cursussen gratis beschikbaar op het web – ze weten maar al te goed dat hun corebusiness, het uitreiken van diploma’s, daardoor niet geschaad zal worden. Wat je precies hebt gestudeerd, maakt weinig uit.

Belangrijker is volgens Spence hoe je uit de vergelijking komt met de concurrerende sollicitanten. Hoe geschoolder een samenleving wordt, hoe hoger de lat wordt gelegd door werkgevers. De theorie strookt alvast met de werkelijkheid: we kampen inderdaad met een diplomawedloop.

Ethische kwestie

Steeds meer mensen behalen een diploma, wat inhoudt dat een diploma steeds minder waard is. Wie op kantoor werkt, heeft best een bachelor office management op zak. Niet de bachelor, maar de master is het nieuwe regentaat. Goede studenten die zich willen onderscheiden van de rest mikken daarom op een tweede of zelfs derde diploma. We zitten op een tredmolen, en echt, er zijn alleen verliezers.

De diplomainflatie is in feite een ethische kwestie die stilaan enorme proporties aanneemt. Is het ethisch verantwoord dat studenten de voordelen van hun diploma(’s) opstrijken, terwijl de belastingbetaler opdraait voor de kosten? Neen, dat is het niet.    

De opdeling student-belastingbetaler is natuurlijk geen echte tweedeling, maar komt wel ongemakkelijk dicht in de buurt ervan. De ongelijkheid in het Belgisch hoger onderwijs is immers nooit weggewerkt: een student waarbij een van de ouders in het bezit is van een hoger diploma, heeft dubbel zoveel kansen om hogere studies te volgen dan een student bij wie dat niet het geval is. (Aangezien die verhouding in andere Europese landen gevoelig lager ligt, is het fout om erfelijkheid als enige verklarende factor naar voren te schuiven.) Het illustreert een wel erg perverse invulling van het begrip ‘herverdeling van de rijkdom’.

De studiemislukking in het hoger onderwijs, waar ook ondergetekende zich aan heeft bezondigd, verergert de problematiek: zo’n 80 procent van de studenten zou al minstens één keer gezakt zijn tijdens zijn hogere studies. Volgens econoom Jean Hindriks bedragen de totale kosten – privé en publiek – van die collectieve mislukking meer dan 11 miljard euro.

Minder is meer

Dit staat ons te doen als we de diplomainflatie en de onrechtvaardige, almaar stijgende kosten ervan voor de maatschappij willen neutraliseren. Primo, de kosten van tertiair onderwijs moeten verschoven worden van de belastingbetaler naar de student. Dat is de enige ethische oplossing. Secundo, de tijd die de student spendeert op de campus, de effectieve studieduur, moet zo kort mogelijk gehouden worden. 

De publieke toelage voor de universiteiten ligt vast. Universiteiten en hogescholen proberen via een race to the bottom elkaars studenten af te pakken, want zo worden ze gefinancierd: hoe meer diploma’s, hoe meer subsidies. Door de stijging van het aantal studenten heeft elke universiteit op het einde van de rit echter hetzelfde budget voor steeds meer studenten, wat onmiskenbaar weegt op de kwaliteit van het onderwijs. Als de overheid de toelage terugschroeft, zullen de onderwijsinstellingen noodgedwongen het inschrijvingsgeld moeten verhogen. Studenten zullen nog steeds genieten van de voordelen van hun diploma, maar zullen vooral ook een groter deel van de kosten voor eigen rekening moeten nemen.

Wie hierin een pleidooi ziet voor het bankroet van ‘vrij toegankelijk’ onderwijs, heeft het bij het verkeerde eind. Zolang de minst gegoeden kunnen rekenen op een beurs, kan een verhoging van het inschrijvingsgeld alleen maar een stap richting meer toegankelijkheid betekenen. Minder studenten zullen uiteindelijk hun diploma halen, maar wie slaagt, zal er tenminste geen minderwaardig diploma aan overhouden.

Het aantal studenten kan nog meer verlaagd worden door de verkorting van de effectieve studieduur. Volgens het huidige leerkredietsysteem krijgt elke student een ‘rugzakje’ van 140 studiepunten bij de start van zijn hoger onderwijs. Per academiejaar gaan 60 studiepunten van zijn leerkrediet af. De studiepunten waarvoor hij slaagt, krijgt hij terug – de eerste 60 worden zelfs dubbel geteld. Een voorbeeldige student heeft na één jaar studeren dus 200 studiepunten op zak, een rampstudent daarentegen heeft er nog maar 80. Als die laatste zich echter nog herpakt, kan hij in zijn tweede jaar zijn leerkrediet opkrikken naar het oude niveau van 140 studiepunten.

De student die ondermaats presteert en geen leerkrediet meer overheeft, kan geweigerd worden door een universiteit of hogeschool. Maar zoals het voorgaande rekensommetje al aantoonde, duurt het minstens twee jaar vooraleer er echte problemen kunnen opduiken. Daarom pleit ik voor een gevoelige vermindering van het leerkrediet, bijvoorbeeld naar 90 studiepunten. In het geval van ondermaatse resultaten is snel heroriënteren of stoppen de boodschap.

De oplossingen die ik voorstel, zijn kwantitatief van aard en behoeven dus geen structurele veranderingen van het bestaande financieringsmodel van het hoger onderwijs. Ik heb aan den lijve ondervonden hoe pervers dat in elkaar steekt, en geloof daarom sterk dat minder onderwijs beter is voor onze samenleving. 

Gesponsorde inhoud

Partner content