Hoe de overheid de fiscale druk voor zelfstandigen verlicht

©Photonews

De fiscus is niet altijd de boeman. De regering-Michel nam enkele maatregelen die de fiscale druk voor zelfstandigen en kmo’s verlichten.

De federale regering kwam deze legislatuur met een aantal initiatieven over de brug om (startende) ondernemers extra zuurstof te geven en het ondernemerschap ook fiscaal te stimuleren. Wat zijn de meest in het oog springende maatregelen?

1. De belasting op uw winst gaat naar omlaag

De verlaging van de vennootschapsbelasting is dé blikvanger van het Zomerakkoord dat de federale regering in juli 2017 beklonk. Vennootschappen betalen daardoor minder belastingen op de gerealiseerde winst.

29,58%
Belastingen op de winsten
Op de winsten die uw bedrijf dit en volgend jaar boekt, zult u 29,58 procent belastingen moeten betalen. Vroeger was dat 33,99 procent. Vanaf 2020 daalt het tarief zelfs tot 25 procent.

Op de winsten die uw bedrijf dit en volgend jaar boekt, bedraagt het basistarief 29 procent in plaats van het vroegere 33 procent. Als u ook rekening houdt met de crisisbijdrage zakt het tarief van 33,99 procent (33 procent + 3 procent crisisbijdrage) naar 29,58 procent (29 procent + een crisisbijdrage van 2 procent). Vanaf 2020 daalt het tarief verder tot 25 procent en vervalt de crisisbijdrage.

Als uw boekjaar samenvalt met een kalenderjaar kunt u al meteen van de lagere tarieven profiteren. Begint uw boekjaar echter op 1 juli 2018, dan zijn de winsten die u boekt tot 30 juni nog onderhevig aan het oude tarief van 33,99 procent. Pas op de winsten vanaf 1 juli 2018 is het lagere tarief van 29,58 procent van toepassing.

2. Extra goed nieuws voor kmo’s

Kmo’s - bedrijven met een jaaromzet van hoogstens 9 miljoen euro, een balanstotaal van minder dan 4,5 miljoen euro en minder dan 50 werknemers - betalen op de eerste 100.000 euro winst voortaan slechts 20,4 procent vennootschapsbelasting (basistarief van 20 procent + crisisbijdrage van 2 procent).

Het maakt niet uit welk resultaat uw kmo boekt. Dat kan 250.000 zijn, 350.000 euro of meer. Op de eerste 100.000 euro betaalt het bedrijf dan 20,4 procent, op de rest het gewone tarief van 29,58 procent.

Om dat verlaagd tarief te genieten, moet de kmo aan de bedrijfsleider (of aan minstens een van de bedrijfsleiders) dit jaar een bezoldiging van minstens 45.000 euro toekennen. Tot eind vorig jaar bedroeg de minimumbezoldiging 36.000 euro bruto. De federale regering laste die voorwaarde in om te verhinderen dat eenmanszaken de activiteiten massaal zouden onderbrengen in een vennootschap.

De 45.000 euro moet worden toegekend in de vorm van loon, en kan niet worden uitgekeerd als dividend.

Bovendien moet de bedrijfsleider een natuurlijke persoon zijn. Als de kmo-vennootschap alleen wordt bestuurd door (management)vennootschappen, ziet ze het verlaagd tarief aan haar neus voorbijgaan.

Als het bedrijf een belastbare winst boekt van meer dan 45.000 euro en toch minder loon aan de bedrijfsleider uitkeert, volgt er een sanctie. Die bedraagt voor de aanslagjaren 2019 en 2020 5,1 procent op het verschil tussen wat als loon is toegekend en wat de kmo had moeten uitbetalen.

Voorbeeld

Veronderstel dat uw kmo 45.000 euro als loon had moeten betalen, maar slechts 35.000 euro toekende. Dan bedraagt de sanctie 5,1 procent van 10.000 euro, of 510 euro. Uiteraard zal alle belastbare winst van de kmo, ook de eerste schijf van 100.000 euro, ook tegen 29,58 procent worden belast.

Voor verbonden vennootschappen waarbij de helft van de bestuurders identiek is, volstaat een uitkering van 75.000 euro aan een bedrijfsleider om de aanvullende heffing te vermijden. Er moet dus niet telkens uit elke vennootschap 45.000 euro worden uitgekeerd in dat geval.

Mag het ook minder zijn?

Wat als de kmo het jaar afsluit met een resultaat van bijvoorbeeld 40.000 euro? Dan volstaat het dat de onderneming 40.000 euro als bezoldiging aan de bedrijfsleider toekent. Dat betekent niet dat het bedrijf het volledige belastbare resultaat moet uitkeren. Want in het belastbare resultaat zit de uitgekeerde bezoldiging al verrekend.

Om te achterhalen of er voldoende loon aan de bedrijfsleider is uitgekeerd, moet u de al uitgekeerde bezoldigingen optellen bij het belastbaar inkomen van uw kmo en dat resultaat delen door twee.

Voorbeeld

Veronderstel dat u dit jaar al 10.000 euro als loon aan de bedrijfsleider uitkeerde en dat het belastbaar inkomen van de kmo uiteindelijk 40.000 euro bedraagt. In dat geval moet u (40.000 + 10.000 = 50.000 gedeeld door twee = ) 25.000 euro als bezoldiging uitkeren. U moet dan nog 15.000 euro extra als loon toekennen, boven op de al betaalde 10.000 euro.

Voor startende bedrijven maakte de regering een uitzondering. Zij zijn tijdens de eerste vier boekjaren vanaf de oprichting niet verplicht om 45.000 euro loon aan de bedrijfsleider uit te keren. Wie eerst gedurende minstens vier jaar een eenmanszaak had en de activiteiten pas nadien in een kmo-vennootschap onderbrengt, moet in het eerste boekjaar na de oprichting wel 45.000 euro toekennen.

Minder dan 45.000 euro toekennen als loon aan de bedrijfsleider mag!

  • Als de toegekende bezoldiging minstens gelijk is aan het uiteindelijke resultaat.
  • Als het gaat om een startende onderneming.

3. Investeringsaftrek tijdelijk van 8 naar 20 procent

Voor de investeringen die eenmanszaken en kmo’s dit en volgend jaar doen, geldt een investeringsaftrek van 20 in plaats van 8 procent. ‘Het moet dan wel gaan om investeringen in tastbare vaste activa die voor een lange tijd nuttig kunnen zijn voor het bedrijf. Denk aan machines, een koeltoog, een kassa of een oven’, zegt Loïc Van Staey, fiscaal adviseur bij de ondernemersorganisatie Unizo.

Zelfstandigengids 2018

Alle maatregelen die het ondernemen makkelijker maken.

De Zelfstandigengids is op 16/6 verschenen. Bent u abonnee van De Tijd? Klik hier om de gids (PDF versie) te lezen.

Entrepreneurs die dit of volgend jaar energiebesparende investeringen doen, kunnen ook 20 procent van de kostprijs in aftrek brengen. Dat is voordeliger dan de al bestaande verhoogde aftrekmogelijkheid van 13,5 procent voor energiebesparende investeringen.

Voor de aankoop van personenwagens geldt echter geen investeringsaftrek van 20 procent. Zij vallen onder een ander regime.

4. Nieuwe formule voor aftrek autokosten

In welke mate autokosten aftrekbaar zijn, hangt af van de CO2-uitstoot. Dat geldt zowel voor zelfstandigen als voor bedrijven.

  • Voor alle auto’s die zijn aangekocht voor 31 december 2017 geldt dat ze voor minstens 75 procent aftrekbaar zijn als de CO2-uitstoot meer is dan 115 gram voor dieselwagens en meer bedraagt dan 125 gram voor benzinewagens. Is er geen CO2-uitstoot, zoals bij elektrische wagens, dan zijn de autokosten voor 120 procent aftrekbaar. Dat stelsel blijft van toepassing na 2020.
  • Dit verandert voor alle auto’s die vanaf 1 januari 2018 zijn aangekocht of besteld. Voor die wagens moeten zelfstandigen en bedrijven vanaf 2020 een andere formule toepassen, namelijk: 120% - (0,5% x brandstofcoëfficiënt x CO2/km).

De brandstofcoëfficiënt is 1 voor dieselwagens (inclusief hybrides), 0,95 voor benzinewagens (inclusief hybrides) en 0,9 voor CNG-wagens met een fiscaal vermogen van 11 pk of minder.

Door die nieuwe formule worden vervuilende wagens fiscaal afgestraft. ‘De formule die zelfstandigen en bedrijven vanaf 2020 moeten toepassen op auto’s die ze vanaf dit jaar kopen, past in de verdere vergroening van het wagenpark’, zegt Van Staey.

Voor auto’s die meer dan 200 gram CO2/km uitstoten, vermindert de aftrekbaarheid vanaf 2020 tot 40 procent. ‘Ondernemers die nu zo’n auto kopen, kunnen die nog twee jaar voor 75 procent in aftrek brengen. Vanaf 2020 wordt de aftrekbaarheid drastisch ingeperkt.’

Op de website van Autogids (www.autogids.be) vindt u heel wat illustraties van de formule die u vanaf 2020 moet toepassen op wagens die u dit of volgend jaar bestelt of aankoopt. Voor een dieselmotor die 110 g CO2/km uitstoot, is de aftrekbaarheid 120 - (0,5 x 110) = 65 procent. Voor een benzinemotor die 112 g CO2/km uitstoot, is de aftrekbaarheid 66,8 procent, alvast minder dan nu.

5. Minder belastingen bij stopzetting of verkoop van uw zaak

10%
Belastingen op de meerwaarde
Als een zelfstandige zijn zaak stopzet, betaalt hij voortaan maar 10 procent belastingen op de meerwaarde die hij realiseert op bepaalde activa zoals het opgebouwde cliënteel (goodwill), octrooien, de merknaam, voorraden of handelsvorderingen. Tot vorig jaar was dat nog 16,5 procent.

Als een zelfstandige zijn zaak stopzet, betaalt hij voortaan maar 10 procent belastingen op de meerwaarde die hij realiseert op bepaalde activa, zoals het opgebouwde cliënteel (goodwill), octrooien, de merknaam, voorraden of handelsvorderingen. Dit was tot vorig jaar 16,5 procent.

Let op! De beperking van de belasting geldt alleen als u uw zaak stopzet in bepaalde welomschreven omstandigheden:

  • vanaf de leeftijd van 60 jaar,
  • door een overlijden,
  • bij een gedwongen definitieve stopzetting, bijvoorbeeld als u het handelspand moet verlaten dat u altijd al huurde.

Buiten die bijzondere omstandigheden blijft het tarief op de gerealiseerde meerwaarde bij de verkoop van activa van uw eenmanszaak 16,5 procent.

Merk wel op dat er in principe geen meerwaardebelasting verschuldigd is als u de aandelen in uw bedrijf met een meerwaarde verkoopt.

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content