Wilfried Beirnaert

'Zoals Jacques Delors ooit zei: de mensen die als kleine geitjes vragen om meer sociaal Europa ergeren mij, want ze zeggen nooit wat ze verstaan onder een sociaal Europa. Als het Verbond van Belgische Ondernemingen zegt akkoord te gaan met meer sociale bevoegdheden, verdenk ik het VBO ervan te hopen dat Europa meer druk zet op het dossier brugpensioenen. En als de vakbonden meer sociaal Europa eisen, verdenk ik hen ervan dat ze meer bevoegdheden willen bij herstructureringen. Men verlangt dat Europa zaken oplost die nationaal geblokkeerd zijn. Maar Europa is geen beroepsinstantie voor nationaal onvoldane eisen.' Dat zegt Wilfried Beirnaert, de gewezen toponderhandelaar in de Belgische en Europese sociale dialoog.

(Foto: Sofie Van Hoof)

Altijd wordt gezegd dat Europa niet sociaal is. Dat Europa gemaakt is voor de bedrijven, niet voor de gewone mensen. Wat antwoordt u daarop?

Wilfried Beirnaert: 'Het is duidelijk dat Europa sterk de nadruk legt op competitiviteit en flexibiliteit. Met het Lissabonproces wil het de meest concurrentiële kenniseconomie ter wereld worden. Daardoor ontstaat een beeld dat Europa de economie zeer zwaar benadrukt en dat de sociale aspecten minder belicht worden. Maar 'Lissabon' is een drieluik: economisch groeipotentieel bevrijden, werken aan tewerkstellingsgroei, en sociale cohesie.'

'Wel is het waar dat Europa relatief weinig wetgevende sociale bevoegdheid heeft. De grote hoofdstukken van sociale politiek - sociale zekerheid, collectief arbeids- recht en lonen, tewerkstellingspolitiek - blijven fundamenteel nationale bevoegdheden. Waarom? Omdat sociale zekerheid gekoppeld is aan unanimiteit, zoals ontslagrecht en collectief arbeidsrecht. En wie zegt unanimiteit, zegt dat de facto de bevoegdheid bij de lidstaten blijft.'

'In tewerkstelling, onderwijs en vorming heeft Europa ondersteunende bevoegdheden. Vandaar dat 'Lissabon' in plaats van wetgeving voor te stellen, zweert bij de open methode van coördinatie. Dat betekent dat Europa doelen vooropstelt, dat Europa de lidstaten dwingt actieplannen uit te werken, dat Europa indicatoren uitwerkt. Dan maakt Europa een evaluatie om druk uit te oefenen op de regeringen om hun wetgeving te laten evolueren naar convergerende doelstellingen. Dus Europa beweegt wel op sociaal vlak, maar als je het sociale Europa afmeet aan het aantal richtlijnen of akkoorden, krijg je een andere indruk.'

Hoe komt het dat de EU minder wetgevend optreedt op het sociale terrein? Europa heeft toch de reputatie veel socialer te zijn dan bijvoorbeeld de VS?

Beirnaert: 'Als je spreekt over een Europees sociaal model, dan bedoel je dat er in de lidstaten overal een sociale zekerheid bestaat, sociale diensten. Dat is het Europese sociale model. Maar als daarmee bedoeld wordt dat er uitgebreide sociale wetgeving is, dan is dat fout. De EEG is indertijd bedacht als economisch mechanisme, zonder autonome sociale bevoegdheden. De sociale bevoegdheden die er al waren, waren economisch geconcipieerd. De gelijkheid van mannen en vrouwen was bijvoorbeeld heel belangrijk om te beletten dat bepaalde landen een concurrentievoordeel zouden halen uit de ongelijkheid van beloningsvoorwaarden van mannen en vrouwen.'

'Pas bij de eenheidsactie van 1986 werd bepaald dat men wetgevend kon optreden in veiligheid en gezondheid met een gekwalificeerde meerderheid. En zo zie je een zeer uitvoerige wetgeving ontstaan, maar weer vanuit de economische benadering wegens het mogelijke concurrentievoordeel door zwakkere bescherming.'

'Op de top van Maastricht heeft men dan nog een stap gedaan door ook meerderheidsbeslissingen over arbeidsvoorwaarden en sociaal overleg mogelijk te maken. Sociale zekerheid en collectief arbeidsrecht blijven onder de unanimiteitsregel, waardoor het nationale wetgeving blijft. Het sociale is dermate gekoppeld aan historische, ideologische en sociologische machtsverhoudingen dat het geen eenheidsmodel kent. Er zijn enkel gemeenschappelijke kenmerken. Het volstaat al België met Nederland te vergelijken om te merken dat de sociale zekerheid van beide landen lichtjaren van elkaar verwijderd zijn.'

Toch zegt u dat het Europees sociaal overleg veel kan realiseren op nationaal niveau.

Beirnaert: 'Wij hebben in 1991 op de valreep een baanbrekend akkoord gesloten, vlak voor de top van Maastricht. Daarin stond dat de Commissie verplicht werd nieuwe sociale initiatieven voor te leggen aan de Europese sociale partners. Die hebben drie akkoorden gesloten die bekrachtigd zijn door richtlijnen: ouderschapsverlof, deeltijdse arbeid en contracten van bepaalde duur.'

'Een tweede soort akkoorden moet worden uitgevoerd door de sociale partners in de lidstaten, die daar hun eigen systemen voor gebruiken. Zo zijn er ook drie: over telewerk, stress op het werk en een voorakkoord over pesten op het werk. Op die manier worden de nationale sociale partners verplicht die punten bovenaan te zetten op hun onderhandelingsagenda.'

'In 2001 hebben wij bovendien op de top van Laken een eigen sociale dialoog opgeëist, autonoom, zonder aan het handje van de Commissie te lopen. De Europese sociale partners hebben werkprogramma's uitgewerkt. Het eerste met 18 punten voor de periode 2003-2005, het tweede nu. De punten uit dat programma worden doorgespeeld naar de nationale sociale partners, met het verzoek er werk van te maken. De Europese sociale dialoog is dus niet vrijblijvend.'

Het akkoord over ouderschapsverlof (drie maanden betaalde loopbaanonderbreking) is wel het enige echt belangrijke dat men ooit heeft kunnen sluiten.

Beirnaert: 'In 2001 zijn we vastgelopen in de onderhandeling over uitzendarbeid. Uit die mislukking hebben we geleerd dat je geen te precieze bepalingen mag maken, en dus het concept van kaderovereenkomst niet mag verlaten, omdat de diversiteit te groot is. Vakbonden en werkgevers hebben er de les uitgetrokken in werkprogramma's te voorzien met een veel bredere waaier aan vormen van overleg. Dat kunnen akkoorden zijn, aanbevelingen of actiekaders.'

Dus, over een akkoord als over het ouderschapsverlof gaan we zelfs niet meer proberen onderhandelen op Europees niveau? We beperken ons tot impulsen?

Beirnaert: 'Het ouderschapsakkoord was een raamakkoord. Als je me vraagt of een akkoord als ouderschapsverlof nog mogelijk is, dan zeg ik dat het perfect mogelijk blijft binnen dat type van raamakkoord. Ik stel vast dat nu ook de vakbonden de gemeenschappelijke akkoorden hebben onderschreven, waarbij geen sprake meer is van dwingende akkoorden, alleen van autonome akkoorden en van actiekaders.'

Is dat alles sterk genoeg? Als Europa minder wetgeving uitvaardigt en enkel vage stimulansen geeft, kan Europa dan blijven bestaan?

Beirnaert: 'Het is niet toevallig dat de top van Lissabon gekozen heeft voor de open methode van coördinatie. Men ziet dat wetgeving grenzen heeft. Dat men Europa beter kan doen evolueren met een systeem waarbij men doelen vooropstelt, vraagt actiekaders te ontwikkelen, indicatoren uitwerkt en dat controleert. Wel vind ik dat de Europese Commissie en de ministerraad meer druk moeten uitoefenen op de lidstaten.'

Hoe bekijkt u de uitbreiding, van 15 naar 25, intussen 27. Nederland en België hebben een verschillend model, maar het ligt wel ongeveer op hetzelfde niveau. Met de nieuwe lidstaten ligt dat anders.

Beirnaert: 'Het is duidelijk dat de uitbreiding van Europa naar Centraal- en Oost-Europa geen sterke stimulans was voor meer normatieve bevoegdheden voor Europa. Enkele ex-communistische landen, die een reusachtig acquis communautaire (het geheel van Europese regels, nvdr) moesten slikken, wensen helemaal niet van Brussel een hoop nieuwe regels opgelegd te krijgen. Ze vinden dat ze op sociaal vlak concurrentievoordelen hebben en willen die niet afstaan. En zij verdenken sommige lidstaten van protectionisme met hun eis om harmonisering.'

'Maar het zit breder dan dat. Ik ontkom niet aan de indruk dat Europa de jongste jaren veel meer intergouvernementeel dan federaal is gaan denken. Ik stel vast dat de intergouvernementele reflex sterker geworden is, en dat is ook zo sociaal.'

Is er in Europa geen minimale sociale bescherming nodig, om te komen tot gelijke voorwaarden voor alle bedrijven?

Beirnaert: 'Zeker sinds de uitbreiding van Europa liggen de sociale systemen zo ver uit elkaar dat ik moeilijk zie waar de grootste gemene deler ligt. De uitgaven voor sociale bescherming lagen in 2003-2004 in Zweden - het land met de hoogste uitgaven - op 33 procent van het bruto binnenlands product (bbp). De lidstaten met de laagste sociale bescherming, de Baltische staten, geven 13,3 procent uit. De meeste nieuwe lidstaten doen wel een inspanning tot versnelling, de jaarlijkse stijging van de uitgaven voor sociale bescherming ligt hoger dan bij de oude lidstaten.'

'De economie van die landen is zodanig veel zwakker dan bij ons, dat je die landen moeilijk kan vragen hun sociale bescherming en loonvoorwaarden op hetzelfde niveaus te brengen als bij ons. Hun productiviteit ligt veel lager, dus moeten ze waken over de concurrentievoordelen die ze nog hebben. Ze zitten wel in een proces. Ze ontdekken nu ook wat sociaal overleg is. Maar ja, Europa is de trein der traagheid.'

Dirk DE WILDE
Stefaan MICHIELSEN

Wilfried Beirnaert

  • 1936: geboren in Brugge.
  • 1962: assistent sociaal recht K.U.Leuven bij professor Roger Blanpain.
  • 1964: secretaris CVP-studiedienst.
  • 1969-1998: VBO. Beirnaert heeft zowat alle sociale akkoorden in België in de laatste decennia van de vorige eeuw zelf geschreven of er minstens een wezenlijke bijdrage aan geleverd.
    Als vertegenwoordiger voor de werkgevers heeft hij ook belangrijke bijdragen geleverd tot de opbouw van het sociale Europa.
  • 1998 tot 2004: lid economisch en sociaal comité EU.
  • 2000-2004: voorzitter sociale commissie Unice.

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud