Nationale solidariteit overschrijdt miljard euro

Als 'arme' gewesten krijgen Wallonië en Brussel volgend jaar samen 1,141 miljard euro uit de staatskas. Sinds de invoering van de nationale solidariteitsbijdrage in 1989 is het bedrag daarvan verdrievoudigd en komt het voor het eerst boven het miljard euro uit.

(tijd) Sinds de financieringswet van 1989 wordt de dotatie die Vlaanderen, Wallonië en Brussel van de federale overheid krijgen, verdeeld volgens het 'juste retour'-beginsel. Het aandeel van elk gewest is gelijk aan zijn aandeel in de opbrengst van de personenbelasting. Voordien gebeurde de verdeling op basis van het bevolkingscijfer, de oppervlakte en de belastingopbrengst. Het eerste criterium was gunstig voor Brussel, het tweede voor Wallonië.

Om beide gewesten te compenseren voor het wegvallen van het impliciete solidariteitsmechanisme werd een expliciete en meer transparante regeling ingevoerd. Een gewest waarvan de gemiddelde opbrengst van de personenbelasting per inwoner - de zogenaamde fiscale capaciteit - onder het rijksgemiddelde ligt, krijgt een solidariteitsbijdrage van de federale overheid.

Vlaanderen heeft nog nooit een solidariteitsbijdrage gekregen omdat zijn fiscale capaciteit sinds 1990 boven het rijksgemiddelde ligt. In het begrotingsjaar 1990 (fiscaal aanslagjaar 1989) ging het om 2,24 procent. Voor het aanslagjaar 2005, het laatste waarvoor het cijfer beschikbaar is, bedroeg de afwijking al 9,942 procent.

Wallonië begon in 1989 met een achterstand op het rijksgemiddelde van 8,46 procent. De kloof vergrootte tot in 1994. Na enkele min of meer stabiele jaren begint het verschil met het nationale gemiddelde vanaf 2000 weer toe te nemen. In 2003 trad opnieuw een verbetering in. In 2004 nam de divergentie af tot 13,252 procent. Des te opmerkelijk is dat de afwijking in het aanslagjaar 2005 fors toenam tot -14,918 procent.

In Brussel is de fiscale capaciteit in 2005 voor het eerst sinds lang weer gestegen. In 1989 lag de belastingopbrengst in het hoofdstedelijke gewest nog 13,75 procent boven het rijksgemiddelde. Vanaf 1990 nam ze razendsnel af. In het begrotingsjaar 1997 kreeg Brussel voor het eerst een nationale solidariteitsbijdrage. De divergentie bleef verder dalen, tot -10,052 procent in het aanslagjaar 2004. Voor het aanslagjaar 2005 nam ze af tot -9,355 procent.

De cijfers van de fiscale capaciteit voor het aanslagjaar 2005 dienen als basis voor de voorlopige berekening van de nationale solidariteitstussenkomst in 2007. Uit de rijksmiddelenbegroting voor 2007 blijkt dat Wallonië volgend jaar op 986,969 miljoen euro kan rekenen, inclusief de afrekening voor 2006. Dat is ruim 226 miljoen euro meer dan voor dit jaar was uitgetrokken. Brussel krijgt 153,974 miljoen euro, tegenover nog 207 miljoen euro dit jaar.

Een en ander betekent dat de federale regering voor het eerst meer dan 1 miljard euro moet betalen als nationale solidariteitsbijdrage. In 1990 was dat nog maar 377,8 miljoen euro. Tegenover dat jaar is de bijdrage verdrievoudigd.

MD

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud