‘Zelfs in Amerika kijken ze naar ons'

©Karoly Effenberger

In iets meer dan een kwarteeuw hebben Vlaamse biotechbedrijven zich naar de Europese top gehesen. Een mix van wetenschappelijk talent en ondernemende branie deed een vliegwiel draaien, met een duw van de overheid. ‘In alle bescheidenheid: ik denk dat het een succesverhaal is.’

Ergens boven de Atlantische Oceaan in 1993. Op een vlucht richting een seminarie in Boston zat topgeneticus Herman Vanden Berghe naast toenmalig Vlaams minister-president Luc Van den Brande (CD&V, toen CVP). Het gesprek ging over wetenschapsbeleid, destijds samen met cultuur een van de weinige Vlaamse bevoegdheden. Vanden Berghe, verbonden aan de KU Leuven, koos voor de lichte provocatie: ‘Luc, je geeft eigenlijk meer geld aan het Mechels Miniatuur Theater dan aan de hele biotechsector. Dat is toch een probleem? Dat je dat niet ziet...’

BIOTECH SPECIAL

Biotechnologie zet de geneeskunde op zijn kop. Wat gisteren niet te genezen leek, lijkt plots een fluitje van een cent. Maar hoe groot is de revolutie echt? De Tijd brengt de sector in kaart en onderzoekt hoe biotech onze gezondheid en ons leven verandert.

Lees hier alle stukken uit het dossier.

Van den Brande herinnert zich de opmerking nog levendig. Hij voelde zich ‘zoals Paulus van zijn paard gebliksemd’, zegt hij. Vanden Berghe, die begin vorig jaar overleed, bestookte hem de rest van de vlucht met argumenten om middelen vrij te maken voor de nog embryonale biotechindustrie. ‘Hij gaf me daar een geweldig pleidooi’, zegt Van den Brande. ‘Dat gesprek heeft mijn kabinet en mij aan het denken gezet. Hoe kunnen we een instrument creëren om de expertise economisch te valoriseren zonder er gewoon een subsidiemachine van te maken?’

De oefening mondde uit in het idee om een Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB) op te richten, met een jaarbudget van 920 miljoen Belgische frank, omgerekend 23 miljoen euro. Het instituut brengt het academische werk van Leuvenaars Vanden Berghe en Désiré Collen, maar ook Marc van Montagu en Walter Fiers, beiden van de Universiteit Gent, onder één dak. Dat leidt wel meteen tot wrevel bij andere universiteiten, zoals Antwerpen en de VUB, omdat ze uit de boot dreigen te vallen. En bijna gooit ook de politieke realiteit roet in het eten. Pas op de laatste ministerraad voor de verkiezingen van 1995 krijgt Van den Brande zijn wens doorgedrukt. ‘Ik dacht: we mogen dat niet laten liggen, of het komt er misschien nooit van.’

‘Het was niet vanzelfsprekend op dat moment met een kleine begroting van omgerekend 14 miljard euro - minder dan een derde van het budget vandaag - zo’n langetermijnproject te financieren. Als je een weg aanlegt, kan iedereen er meteen op rijden. Investeer je in onderzoek, dan heb je pas jaren later resultaten. Er was dus veel scepsis’, zegt Van den Brande in zijn kantoor in de gebouwen van de VRT, waar hij vandaag bestuursvoorzitter is. ‘Ik herinner me nog een groot artikel in Knack met de teneur: dit wordt niets.’

Waarom hij voor biotechnologie koos? ‘We hadden al de humus van buitengewoon deskundige wetenschappers. En we voelden het stijgende belang van levenswetenschappen. Mensen waren steeds meer bezig met gezonder leven. Het is iets existentieels, het gaat over leven en welzijn. Noem het een aanvoelen, maar zeker geen nattevingerwerk.’

Het bleek een schot in de roos: een kwarteeuw later is Vlaanderen een toonaangevende regio op de Europese biotechkaart. Onder de vlag van het VIB werken 1.500 wetenschappers in tachtig onderzoeksgroepen. De focus op het centraliseren van onderzoek om daaruit bedrijven te puren pakt goed uit. Er is een heus ecosysteem ontstaan.

Volgens de sectorfederatie Flanders.bio telt Vlaanderen 300 biotechondernemingen, goed voor 20.000 directe en 80.000 indirecte jobs. Samen hebben ze 150 medicijnen in ontwikkeling. Die komen lang niet allemaal rechtstreeks voort uit het VIB, maar veel protagonisten wijzen wel naar het instituut als een van de pilaren van de bijenkorf. ‘In heel Europa en zelfs daarbuiten gelden we als een voorbeeld. Zelfs aan de Amerikaanse elite-universiteit MIT kijken ze naar ons’, zegt Rudy Dekeyser, ex-directeur van het VIB.

Het artikel gaat verder onder de video.

Drie dingen die biotech in Vlaanderen groot maakten

Nieuwe golf

De echte kiemen van de Vlaamse biotechcluster, zo zeggen vrijwel alle stemmen in de industrie, liggen aan de universiteiten. Nog voor de overheid een duw gaf, gebeurde het pionierswerk door een kransje internationaal gerenommeerde wetenschappers in academische laboratoria. Zo legde Marc van Montagu samen met collega Jozef Schell in de jaren zeventig de basis voor een technologie om met behulp van bacteriën genen over te brengen van de ene plant naar de andere. Het leidde tot de eerste vormen van genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s), gewassen die dankzij spitstechnologie bestand werden tegen droogte of insecten.

Nog in Gent verrichtte Walter Fiers in die periode baanbrekend werk in de genetica. De moleculair bioloog was betrokken bij de ontrafeling van het menselijke DNA, geroemd als de grootste wetenschappelijke doorbraak van de vorige eeuw. Rond diezelfde tijd botste Désiré Collen - later oprichter van Thrombogenics - aan de KU Leuven op de basis van wat uiteindelijk een middel tegen bloedklonters bij hartinfarcten zou worden. Dat medicijn, tpa, is een van allereerste uit biotech voortgekomen geneesmiddelen ter wereld.

‘Zij zijn zonder twijfel de grote tenoren’, zegt Dekeyser. Dankzij die pioniers was Vlaanderen er vroeg bij. In feite is de Vlaamse biotech even oud als de wereldwijde discipline. In de Verenigde Staten werden Genentech en Amgen in respectievelijk 1977 en 1980 opgericht, de eerste bedrijven in hun soort en vandaag nog altijd bij de grootste biotechbedrijven op de planeet. Maar Vlaanderen was van in het begin mee met de nieuwe golf, met de stichting van Plant Genetic Systems in Gent in 1982 op basis van het werk van Montagu en Schell. PGS maakte faam als een voorloper in de agrobiotech en werd in 1996 voor ruim een half miljard dollar verkocht aan de Duitse chemieconcerns Hoechst en Schering.

Er kwam destijds niet zo veel due diligence aan te pas als nu. Ik besliste vooral op basis van geloof.
Rudi Mariën
Peetvader van de Vlaamse biotech

In 1985 volgde Innogenetics, opgericht door academicus Hugo Van Heuverswyn, die uit de stal kwam van Fiers, en Rudi Mariën, die met vier decennia aan investeringen op de teller bekendstaat als een van de peetvaders van de Vlaamse biotech. Innogenetics, dat diagnostica combineerde met onderzoek naar geneesmiddelen, zal zich onder andere toeleggen op de ontwikkeling van hiv-tests en vaccins tegen hepatitis B en C.

‘In die beginjaren was het vooral: elk jaar heel veel geld bijpompen’, zegt Mariën in zijn kantoor in een villawijk net buiten het centrum van Gent. De voormalige apotheker runde begin jaren tachtig een succesvolle business van medische laboratoria en Van Heuverswyn vond in hem een gepassioneerde geldschieter. ‘We hebben in 1985 in de aanloop naar de oprichting veel zaterdagnamiddagen samengezeten. Dat was het enige moment van de week waarop we allebei vrij waren. Toen kwam er nog niet zo veel due diligence aan te pas als nu. Ik besliste vooral op basis van geloof, in het kunnen en in de ondernemerscapaciteit van een wetenschapper als Van Heuverswyn.’

‘Op dat moment was ik op het industriepark in Zwijnaarde 700 m2 aan het bijbouwen voor mijn eigen labobedrijf’, zegt Mariën. ‘Uiteindelijk is Innogenetics daarin begonnen. Er was een gevoel van hoogdringendheid. We moesten vooruit. Er lag geen roadmap, we improviseerden vooral veel. Gelukkig konden we van de universiteiten veel bekwame mensen aannemen. Maar na elk jaar was het geld op en moest er een nieuwe kapitaalverhoging komen van minstens 1 miljoen euro. Ik heb elke keer bijgepast.’

52 seconden

In 1995 volgde een beursgang als allereerste biotechbedrijf (en als tweede bedrijf tout court) op de Easdaq, de Europese tegenhanger van de Nasdaq. ‘Een kwantumsprong.’ Mariën herinnert zich nog het interview dat het bedrijf die dag aan het persagentschap Bloomberg gaf. ‘Onze kans om ons aan de wereld te tonen. Het duurde de volle 52 seconden.’ Later legde het bedrijf een hobbelig parcours af, tot Innogenetics na twintig jaar begon te verdampen door een opeenvolging van overnames, eerst door Solvay, dan door Abbott en dan door Fujirebio.

‘PGS en Innogenetics zijn de twee oerbedrijven van het Vlaamse landschap’, zegt Marc Vaeck, die zijn lange loopbaan in de biotechindustrie begon bij Plant Genetic Systems, meteen na zijn doctoraat in 1983. Daar leidde hij een team dat katoen aanpaste en resistent maakte tegen rupsen. ‘Vanuit deze twee kan je tot nu lijnen trekken naar de rest van de sector.’

1982

Vlaanderen heeft zijn eerste biotechbedrijf: Plant Genetic Systems (PGS), een voorloper in de agrobiotech.

1985

Rudi Mariën en Hugo Van Heuverswyn richten het tweede oerbedrijf van de Vlaamse biotech op: Innogenetics.

1987

tPA, een ontdekking van KU Leuven-professor Désiré Collen, schopt het tot een van de eerste biotechmedicijnen ter wereld.

1995

Het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB) wordt opgericht, op initiatief van toenmalig Vlaams minister-president Luc Van den Brande.

1996

De Duitse chemiebedrijven Hoechst en Schering nemen PGS over voor 17 miljard Belgische frank (420 miljoen euro).

Innogenetics trekt naar de beurs en is het eerste biotech-bedrijf op de Easdaq (Nasdaq Europe).

1997

Uit de schoot van het VIB ontstaat de start-up DevgenVier jaar later volgt Ablynx.

2008

Het Belgische chemiebedrijf Solvay neemt Innogenetics over voor 200 miljoen euro.

Ex-medewerkers van Ablynx richten Argenx op.

2012

De Zwitserse groep Syngenta neemt Devgenover voor 400 miljoen euro.

2015

Galapagos noteert als eerste Vlaamse biotechbedrijfop de Amerikaanse beurs Nasdaq.

2018

Het Franse farmaconcern Sanofi neemt Ablynxover voor 3,9 miljard euro.

Vaeck is er zelf een voorbeeld van. Zijn carrière loopt parallel met de expansie van de Vlaamse biotech, langs meerdere start-ups en met uitstappen naar Nederland en de VS. Van 2001 tot 2006 was hij CEO van Ablynx, het bedrijf bekend van zijn technologie op basis van nanobody’s van lama’s. Begin dit jaar werd Ablynx voor meer dan 4 miljard euro opgeslokt door de Franse farmareus Sanofi. Daarna volgde Actogenix en sinds 2010 Complix, dat experimenteert met alphabody’s: synthetische eiwitten die kankercellen kunnen binnendringen. Opvallend, en exemplarisch voor het compacte ecosysteem: hoewel hij drie keer van bedrijf wisselde, werkt Vaeck nog altijd in hetzelfde gebouw in Zwijnaarde. ‘Mijn parkeerplaats is nog altijd dezelfde.’

Vaeck begon als researcher, maar raakte snel begeesterd door de businesskant. ‘In Europa kleefde lang een stigma op commercieel onderzoek. In de VS hebben ze daar minder last van. Mensen die voor een bedrijf research deden, werden scheef bekeken door de zuiver academische wetenschappers. Onzin, natuurlijk. Je kan perfect het omgekeerde punt maken: wie naar de industrie gaat, wil de wetenschap echt ten dienste stellen van de maatschappij. Voor mij is dat altijd de grootste motivatie geweest.’

Die noodzaak om de commerciële vertaling te maken voelden ook Luc Van den Brande en Rudy Dekeyser - samen met kompaan Jo Bury - bij het uitdokteren van het VIB. ‘We hadden altijd al excellent academisch onderzoek, maar dat gebeurde vaak met de achterdeur open. De resultaten waren prachtig, maar we konden ze niet economisch valoriseren’, zegt Van den Brande. Het VIB pakte dat aan door kleine groepen wetenschappers nauw te laten samenwerken met mensen met industriële kennis. Dekeyser: ‘Van bij het begin hadden we een poot voor businessdevelopment. Dat was uniek in Europa.’

Grandioze pitches

Die omschakeling is een sleutelingrediënt van het Vlaamse biotechrecept. Het heeft de kruisbestuiving in de hand gewerkt waarbij biotechnologen bij bedrijven vertrokken om er nieuwe op te richten. Die kleintjes worden op hun beurt groot. Een van de strafste voorbeelden van de jongste jaren is Tim Van Hauwermeiren, die in 2008 bij Ablynx vertrok om even verderop met collega’s Argenx op te richten. Tien jaar later is dat een Bel20’er met een beurswaarde van bijna 4 miljard euro en een geneesmiddel tegen een zeldzame spierziekte in de pijplijn.

Chat met Onno Van de Stolpe, CEO van Galapagos

Donderdag organiseert De Tijd de tweede editie van de CEO Talks, een unieke kans om uw vragen rechtstreeks te stellen aan de CEO's van beursgenoteerd Brussel.

De aftrap werd gegeven door Jan De Nys van Retail Estates. Deze week is het de beurt aan Onno Van de Stolpe, CEO van Galapagos. U kan nu al uw vragen stellen in de chatbox.

Ex-VIB-directeur Dekeyser noemt de oprichting van Devgen, de eerste startup uit de schoot van het VIB, als sleutelmoment. ‘In 1997 haalden we met Devgen 8 miljoen euro op. Dat was in België en in continentaal Europa ongezien. Het toonde aan dat we vanuit een academische omgeving een start-up konden afsplitsen en met durfkapitaal konden financieren. Dat geld kwam van de Gimv en van internationale topinvesteerders als het Londense Abingworth. Die beslissing namen we op een heel late vergadering met Thierry Bogaert, de onderzoeker die nadien na ronduit grandioze pitches in Londen CEO zou worden. Op die vergadering, het was zeker na tien uur, kwamen we voor het eerst tot het besluit: verdomme, rond deze technologie moeten we een bedrijf oprichten. Een fantastisch moment.’

‘Zoiets trekt aandacht en visibiliteit’, gaat Dekeyser voort. ‘Een jaar later volgde Cropdesign, ook al met geld van de Gimv en van buitenlandse topinvesteerders. Dan Multiplicom en Ablynx. Elke keer haalden we miljoenen euro’s naar het groeiende ecosysteem.’

Rond die ontluikende industrie kwam een laag van toeleveringsbedrijven van allerlei slag, gespecialiseerd in labovoorzieningen, of biotechrecht, of vastgoed. ‘In de jaren negentig was er geen infrastructuur voor biotechbedrijven’, zegt Dekeyser. ‘Als academisch instituut hebben we toen de beslissing genomen om gebouwen neer te poten, terwijl ons mandaat eigenlijk was om onderzoek te sponsoren. We zijn gestart met een bio-incubator van 2.500 m2. Die hebben we stelselmatig uitgebreid in Gent en in Leuven. Sinds kort zijn er ook de gespecialiseerde incubatoren van Rudi Mariën en zijn zoon Stefan. Die eerste kiem in de jaren negentig is uitgegroeid tot een slordige 100.000 m2 aan laboruimte.’

En dan verdwijnt er wel eens wat in buitenlandse handen. Devgen ging op in Syngenta voor 400 miljoen euro. CropDesign kwam in handen van BASF. Op het gebouw van Ablynx staat nu: ‘A Sanofi Company’. Is dat erg? ‘Helemaal niet’, zegt Mark Vaeck. ‘Het is deel van het proces. Bij elke overname vloeit er enorm veel geld. En wat gaan die investeerders en aandeelhouders doen? Opnieuw investeren. Mensen met ondernemingszin krijgen goesting om weer een start-up te bouwen. Zo werkt het. De kans is groot dat we bedrijven zullen zien die op eigen houtje doorgroeien naar een status als die van UCB of zo. Maar een overname op zich is niet slecht.’

Kwestie van focus

De bloeiende biotechvallei bewijst dat het kan in Vlaanderen: boven ons gewicht boksen in een toekomstgerichte en op spitstechnologie steunende niche.

‘Het is zoals Louis Pasteur zei: ‘Luck favors the prepared mind’’, zegt Dekeyser. ‘Als je in een land of regio innoverende pioniers hebt, kan je lang top zijn in een domein. Dat is zo voor de lederindustrie in Italië en voor Silicon Valley in Californië. Bij ons zijn die pioniers de wetenschappers en de innoverende bedrijven, aangevuld met het VIB met zijn structuur van financiering van topwetenschap vertaald naar de industrie.’

‘Het was een risico’, zegt Van den Brande. ‘In alle bescheidenheid: ik denk dat het een succesverhaal is. Maar als politicus moet je je plaats kennen, ergens tussen overtuiging en bescheidenheid. De mensen op het terrein hebben het gedaan, wij wilden vooral de mogelijkheden creëren. Het is een kwestie van focus. We zijn klein, we kunnen niet op elk domein meespelen.’

Vaeck: ‘In de jaren tachtig en negentig was er veel kritiek. Als je bij banken kwam, vroegen ze: ‘Hoeveel winst maken jullie? Wanneer gaan jullie een dividend betalen?’ Op dat soort idiote vragen kon je geen zinnig antwoord geven. Mensen verstonden niet waar we mee bezig waren. De frank viel pas later. De waardecreatie ligt in de toekomst. Maar daarvoor moet je eerst heel veel kapitaal investeren.’

‘Je moet door een enorme put om uiteindelijk winsten op te strijken. Het eerste product van Ablynx, tegen de zeldzame bloedziekte aTTP, is een project dat ik heb opgestart in 2002. Dat product gaat nu, 16 jaar later, op de markt komen. Misschien kan het honderden miljoenen euro’s opbrengen, maar je moet eerst door die fase.’

Vaeck wordt er filosofisch van. ‘Alle grote veranderingen in de menselijke geschiedenis zijn uiteindelijk te herleiden tot mensen en hun beslissingen. Vaak zelfs tot een klein groepje. Je moet er enkelen hebben die ergens geweldig in geloven en heroïsche inspanningen doen om door te duwen. Daarvoor is moed en een visionair karakter nodig. Tot er genoeg mensen volgen en je een lawine krijgt die op eigen kracht voortrolt.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content