reportage

Dokter, zit er burn-out in mijn bloed?

©Ephameron

Mensen werken, raken uitgeput en belanden opgebrand bij hun huisarts. Maar of ze dan ook echt een burn-out hebben, is onzeker. Onderzoekers van de KU Leuven proberen klaarheid te scheppen en speuren in het bloed naar harde burn-outbewijzen. Wij lieten ons testen.

Even terug naar de ochtend van 31 oktober 2017. Het perscentrum in het hart van de Europese wijk in Brussel zit afgeladen vol. De wereldpers is inderhaast bijeengeroepen voor een persconferentie van de gevluchte Catalaanse premier Carles Puigdemont. In de hectiek van camera’s, journalisten en politici stuur ik een bericht naar mijn chef. ‘Het gaat niet meer.’

Hoe vaak gaat u in het rood?

De Tijd gaat twee weken lang op zoek naar hoe bedrijven omgaan met burn-outs. Doe de test en ontdek hoe vaak u in het rood gaat.

Deel uw ervaringen en zoek mee naar oplossingen in de LinkedIn-groep van De Tijd over human resources.

Twee weken eerder heb ik mijn chef al verteld dat ik slecht slaap, me futloos voel, lichtgeraakt ben en amper nog geluid kan verdragen. Mijn bericht komt dus niet als een totale verrassing. ‘Laat alles even voor wat het is. We volgen het nieuws verder wel vanop de redactie’, laat hij weten. Alsof er niets aan de hand is, maak ik nog een praatje met een collega van een andere krant. Daarna stap ik in de trein naar huis.

Nog diezelfde dag stuurt mijn huisarts een bloedstaal naar het labo om mijn suikerspiegel nog eens te controleren. De week voordien heeft hij al allerlei parameters laten checken, maar behalve een licht verhoogde cholesterol en een te hoge suikerwaarde hebben de onderzoeken niets bijzonders aan het licht gebracht. Dit keer blijk ik met een suikerspiegel van 90 milligram per deciliter perfect aan de referentiewaarden te zitten. Medisch lijkt dus niets erop te wijzen dat er iets met me scheelt.

‘Is dit dan een burn-out?’, vraag ik de dokter. Hij weet het niet.

Nattevingerwerk

De medische wereld worstelt nog met het vraagstuk. Dokters kunnen wel een vermoeden hebben. Ze kunnen typische burn-outsymptomen herkennen. Via enkele tests kunnen ze uitsluiten dat een andere ziekte de oorzaak is voor de uitputting, maar uiteindelijk is de diagnose in zekere zin nog nattevingerwerk.

Aan de KU Leuven proberen ze daar verandering in te brengen. Een onderzoeksteam onder leiding van de burn-outspecialist Lode Godderis zoekt naar zogenaamde biomarkers, alarmsignalen in ons speeksel en bloed die kunnen aangeven of iemand opgebrand raakt. Die zoektocht is niet nieuw. Wereldwijd proberen tal van wetenschappers al jaren het geheim te ontrafelen en biomarkers te vinden die wijzen op een burn-out.

Wat is een burn-out?

Er is sprake van een burn-out als je door aanhoudende stress op het werk totaal uit­geput raakt. Typische symptomen zijn een gebrek aan energie, mentaal afstand nemen van je job en niet meer in staat zijn je werk uit te voeren zoals vroeger. Hoewel familie en vrienden vaak vooraf signalen opvangen, kan een burn-out plots toeslaan en als een totale verrassing komen voor de betrokkene. Het herstel duurt veelal drie tot zes maanden.

Omdat in de medische wetenschap nog discussie bestaat over de correcte diagnose, zijn er geen exacte cijfers over het aantal mensen met een burn-out. Vorig jaar vielen in ons land 136.000 werknemers uit met een psychische aandoening, maar het is niet duidelijk hoeveel van hen effectief ‘opgebrand’ zijn. Volgens onderzoek van de KU Leuven zit een op de zes Vlaamse werknemers in de gevarenzone en kampt 7,6 procent effectief met een burn-out.

Maar de onderzoekers van de KU Leuven zijn de eersten die focussen op de epi­genetica, de studie van hoe bepaalde genen worden geactiveerd en gedesactiveerd door langdurige stress en zo een burn-out kunnen veroorzaken. Ik vraag of ik me als proefpersoon kan opgeven voor hun onderzoek. ‘Geen probleem, kom maar langs.’

In een klein kamertje in de gebouwen van de KU Leuven prikt doctoraatsstudente Jelena Bakusic mijn bloed. Het is intussen negen maanden geleden dat ik halverwege de werkdag naar huis vertrok. Sinds die ene middag op 31 oktober ben ik wel elke dag kunnen gaan werken, maar het heeft me nog lang veel moeite gekost.

Of er nog sporen van burn-out in mijn bloed zitten, zal pas veel later moeten blijken. ‘We staan nog maar aan het begin van het onderzoek’, zegt Bakusic. ‘We zullen eerst de bloedstalen van de 160 deelnemers moeten analyseren om te achterhalen of we een verschil vinden tussen mensen met of zonder burn-out. Het kan nog zeker een jaar duren voor de eerste resul­taten er zijn.’

Naast de bloedstalen lever ik drie wattenstaafjes met speeksel in. Aan de hand daarvan kunnen de onderzoekers nagaan of ik hoge concentraties cortisol in mijn lichaam heb, een stresshormoon dat vrijkomt in ons lichaam bij een situatie van spanning. De onderzoekers vermoeden dat bij een burn-out veranderingen optreden in de werking van bepaalde genen. Daardoor zouden mensen minder ontvankelijk worden voor het stress- en herstelsignaal dat eiwitten en hormonen zoals cortisol afgeven.

Tot slot vul ik een gestandaardiseerde vragenlijst in. Of ik me aan het einde van de werkdag uitgeput voel? Vaak. Of ik me de voorbije week snel geïrriteerd voelde? Zeker. Of ik vaak onder tijdsdruk werk? Zowat altijd.

Subjectief aanvoelen

Tot vandaag zijn wetenschappelijke vragenlijsten de meest gebruikte manier om te bepalen of iemand een burn-out heeft. De oudste, de Maslach Burnout Inventory (MBI), dateert al van 1981, maar is recentelijk achterhaald door een aantal nieuwe standaardenquêtes die accurater kunnen inschatten of iemand uitgeblust is.

Toch hebben die vragenlijsten hun beperkingen. Ze vertrekken allemaal vanuit het subjectieve aanvoelen van de patiënt. Maar wat door de ene misschien als totale uitputting wordt ervaren, is voor de an­dere misschien ‘gewoon een dipje’. De KU Leuven hoopt ook medische parameters te vinden die dokters toelaten in te schatten hoe het werkelijk met hun patiënt is gesteld.

Als een burn-out met een depressie wordt verward, krijgt de patiënt vaak antidepressiva, terwijl die averechts werken bij iemand met burn-out.
Lode Godderis
Professor werk en gezondheid aan de KU Leuven

Hoewel elk jaar tienduizenden mensen met een burn-out uitvallen, is er nog geen wetenschappelijke eensgezindheid over een correcte diagnose. Sommige dokters vermelden het wel op hun ziektebriefjes, maar burn-out is nog niet opgenomen in de DSM, het referentiewerk voor mentale stoornissen waarin depressie wel in detail staat beschreven.

‘Een juiste diagnose is nochtans cru­ciaal om met de goede behandeling te kunnen komen’, zegt Godderis. ‘De symptomen van een burn-out kunnen sterk lijken op die van een depressie, maar beide vereisen een andere aanpak. Bij een depressie worden vaak antidepressiva voorgeschreven, terwijl die net averechts werken bij iemand met burn-out. Mensen die dan al een tekort aan energie hebben, leg je met antidepressiva nog meer lam, terwijl de echte oorzaken op het werk niet worden aangepakt.’

Chronische stress

Burn-out is een reactie op chronische stress op het werk. Als die stress blijft duren, raken mensen uitgeput. Om zich af te schermen nemen ze mentaal afstand van hun job, hun energie raakt op en ze fun­c­tioneren niet meer zoals voordien. De Wereldgezondheidsorganisatie omschrijft een burn-out als een werkgerelateerd fenomeen en benoemt drie groepen van symptomen: uitputting, onverschilligheid tegenover het werk en een verlies aan bekwaamheid in de job.

‘Iemand met burn-out zal typisch zeggen: ‘Ik wil wel, maar ik kan niet meer’’, zegt Godderis. ‘Voor de betrokkene zelf kan het zeer plots opduiken. Maar doorgaans vangen familie en vrienden al signalen op. Vaak gaat het gepaard met slaapproblemen, zoals slecht inslapen of plots wakker schieten en over het werk beginnen te piekeren. Je blijft dan nadenken over een probleem maar niet over de oplossing. Dat vreet energie. Je raakt uitgeput, waardoor je minder presteert en om dat te compenseren steek je nog een tandje bij op het werk. Je gaat meer tijd spenderen aan zaken die energie kosten, terwijl er minder tijd overblijft voor ontspanning. En plots gaat het niet meer.’

Als vrienden aangeven dat ze je nog maar weinig zien, of kinderen zeggen dat ze mama of papa missen, zijn dat signalen die je best niet negeert.
Lode Godderis
Professor werk en gezondheid

Godderis benadrukt dat er niets mis is met een drukke periode op het werk, maar wel als die stresssituatie blijft duren. ‘Als vrienden aangeven dat ze je nog maar weinig zien, of kinderen zeggen dat ze mama of papa missen, zijn dat typische signalen die je best niet negeert’, zegt de professor.

Biologische handtekening

Er bestaan commerciële labo’s die beweren dat ze puur op basis van iemands cortisol­niveau al kunnen zeggen of die burn-out heeft. Maar het nut van die tests is wetenschappelijk nog niet bewezen. De realiteit is vele malen complexer en bestaat uit een samenspel van hormonen en parameters die constant fluctueren.

Het doel van de KU Leuven is dat ingewikkelde kluwen in kaart te brengen en tot een soort biologische handtekening van burn-out te komen. Aan de hand van dat typische bloedwaardenprofiel hopen de onderzoekers te kunnen inschatten of iemand een burn-out heeft. Het principe is te vergelijken met het bloedpaspoort van een wielrenner, waarbij een combinatie van parameters aangeeft of er doping in het spel is.

Het onderzoek van de KU Leuven is baanbrekend omdat het kijkt naar welke genen geactiveerd zijn en welke ‘uit’ staan. ‘We vermoeden dat bij een burn-out en aanhoudende stress bepaalde stoffen zich op ons DNA hechten, waardoor ze een versluierend laagje over bepaalde genen leggen’, zegt Bakusic. ‘Dat proces van methylatie zet een rem op bepaalde genen die een belangrijke rol spelen in de regulering van ons stressniveau en het zelfherstellend vermogen van onze hersenen.’

We ver­moeden dat bij een burn-out bepaalde stoffen zich op ons DNA hechten. Ze zetten een rem op genen die een belangrijke rol spelen in de regulering van ons stressniveau.
Jelena Bakusic
Onderzoekster

Het onderzoek richt zich op genen die een cruciale rol spelen in de hersenen voor de aanmaak van en ontvankelijkheid voor cortisol, serotonine, dopamine, adrenaline, noradrenaline en BDNF (Brain- Derived Neurotrophic Factor). Dat zijn belangrijke stoffen die ons humeur regelen, ons oppeppen in een stresssituatie en ervoor zorgen dat ons lichaam daarna weer omschakelt naar rustmodus.

Nieuwe afspraak

Exact twee jaar nadat ik mijn chef heb laten weten dat het niet meer ging, krijg ik een mail van de KU Leuven. ‘Update over het onderzoek naar burn-out en biologische markers’, lees ik. Ik maak direct een nieuwe afspraak in Leuven, benieuwd of de onderzoekers iets in mijn bloed hebben kunnen vinden.

De ontnuchtering volgt snel. ‘We zien in je resultaten dat je een moeilijke periode hebt gehad’, zegt Godderis. ‘In de vragenlijst gaf je duidelijk aan dat je je uit­geput voelde. Je had wel nog het gevoel dat je je job naar behoren kon uitoefenen en dat is wellicht de reden dat je bent blijven werken. Maar bij het invullen van de vragenlijst was je emotioneel uitgeput en had je je duidelijk gedistantieerd van je werk. Je scoorde 25 op distantie, terwijl je normaal onder de 14 hoort te zitten.’

Mijn resultaten zitten te dicht tegen een burn-out aan om deel te kunnen uitmaken van de gezonde controlegroep. Maar ze passen ook niet helemaal in het plaatje van iemand met een zware burn-out. Als proefpersoon nummer C117 kwam ik dan ook niet in aanmerking voor het onderzoek, krijg ik te horen. Het voordeel is dat mijn bloedwaarden ook niet in de geanonimiseerde database zijn beland. ‘Dat laat ons toe je bloedtests te vergelijken met zowel de controle- als de burn-outgroep’, zegt Godderis.

Dan volgt het verdict. Mijn speeksel­stalen geven aan dat mijn niveau van het stresshormoon cortisol kort na het ont­waken zeer laag is, om dan in korte tijd omhoog te schieten. Ik zit bij het kwart respondenten met de snelste stijging. De waardes zijn vergelijkbaar met de groep van mensen met een burn-out, waar de onderzoekers eenzelfde snelle stijging waarnemen. Net als bij de mensen met een burn-out zijn in mijn bloed ook zeer lage concentraties te vinden van het eiwit BDNF, dat een belangrijke rol speelt in het herstel van onze hersenen.

Kleine kans

Het lijkt wel of alle signalen aanwezig zijn. Gevoel van uitputting? Check. Men­tale afstand tot het werk? Check. Snelle toename van het stresshormoon cortisol? Check. Een tekort aan herstellingsmateriaal in de hersenen? Check.

Ik stel de vraag opnieuw: ‘Is dit dan een burn-out, dokter?’ Professor Godderis waarschuwt voor voorbarige conclusies. ‘Het onderzoek loopt nog. Er zijn nog afwijkingen die we niet kunnen verklaren. Bij mensen met een burn-out zien we dat het gen voor de aanmaak van BDNF wordt afgeremd, maar jouw resultaten passen niet in dat plaatje. Dat is eigen aan de geneeskunde, zeker? De zaken zijn zelden rechttoe rechtaan.’

Volgens Godderis zijn de eerste resul­taten veelbelovend. Toch acht hij de kans klein dat ooit één eenduidige biomarker voor burn-out wordt gevonden, zoals cholesterol een voorspeller is voor hart­falen. ‘Om in te schatten of iemand een burn-out heeft, zal wellicht altijd een combinatie van een gestandaardiseerde vragenlijst, een goed gesprek en een samenspel van biologische indicatoren nodig zijn. Met die drie samen kunnen we komen tot een correcte diagnose. We kunnen er dan voor zorgen dat mensen met een burn-out de behandeling krijgen die ze nodig hebben, dat ze geen antidepressiva moeten slikken en dat de oorzaken op het werk worden aangepakt.’

In het ultieme scenario zal een bloedprikje volstaan om vast te stellen of iemand opgebrand is. Met een beter inzicht zouden zelfs medicijnen kunnen worden ontwikkeld die specifieke genen weer activeren om ons te beschermen tegen stress en uitputting. Maar zo ver is het nog lang niet. Eerst staat de wetenschap voor de opgave harde bewijzen te vinden, zodat dokters ooit een sluitend antwoord kunnen geven op de vraag of we een burn-out hebben.

Deel uw ervaringen en zoek mee naar oplossingen in de LinkedIn-groep van De Tijd over human resources.

Lees verder

Advertentie
Advertentie