reportage

Dwars door Vlaanderen en een rotjaar

©Rik Van Puymbroeck

In Ieper bleven ze de Last Post blazen, maar wel met afstand en voor slechts 192 mensen. In Tielt verkochten ze opvallend veel matrassen. Corona veranderde de wereld en vergat West- Vlaanderen niet. Wandelend in Rumbeke, zegt mevrouw Stoffels: ‘Ik zorg voor mijn zieke man. Maken dat ik zelf niet ziek word, is ook een bijdrage.’

Vanuit Wissant steekt de GR128 bijna ongemerkt - zoals een virus - in Bailleul de grens over. Belle, noemen de West-Vlamingen Bailleul en dat is natuurlijk schoon. Mais maintenant on parle West-Vlomsch en vanaf nu slingert de Vlaanderenroute zich vanuit Kemmel door vele dialecten naar Voeren. 474 kilometer lang. Het pad is wit-rood bewegwijzerd en loopt via steegjes, boerenpaden, veldwegels langs dorpen en dorpjes, stadjes en steden. Langs rivieren: Leie, Schelde, Dender, Dijle, Jeker, Voer. Waarom te voet? Om de traagheid. Om de toevallige ontmoeting. Om de temperatuur van het land te meten. We zullen elke meter stappen.

Twee dunne, lichte boekjes zitten in de rugzak en de avond voor het vertrek van 30 dagetappes van elk 16 kilometer lees ik op de hotelkamer, nog net in Dranouter, dit op pagina 24 in Zadie Smiths ‘Overpeinzingen’: ‘En daarna sprak hij de waarheid: we hadden geen dood.’

Deze letters worden gelezen op 14 november, maar in die hotelkamer is het nog maar 2 oktober. De ‘hij’ van Zadie Smith is Donald Trump, die ze nergens bij naam noemt, maar die terwijl ik dit lees net positief heeft getest op corona. De verkiezingsuitslag kent op 2 oktober niemand en Smith al zeker niet toen ze haar korte essay schreef. Maar dit is dus 2020 en voor het eerst in de Amerikaanse geschiedenis is er een besef: ‘…waar we volstrekt geen oog voor hadden, was het idee van de dood zelf, de absolute dood. Het type dood dat ons allemaal te wachten staat, onafhankelijk van onze maatschappelijke positie.’

Kemmel ligt niet zo ver van Amerika. De begraafplaatsen liggen vol met jongens van daar en in de eetzaal van het hotel dat Heuvellander serveert (paté, schelletjes van de zeuge, hennepot, brood) klinkt ‘Islands in the Stream’ van Dolly Parton en Kenny Rogers. Dichterbij kan Amerika niet geleverd worden. Maar de dood waaide dit jaar ook door deze streek. ‘Al 10.000 West-Vlamingen raakten besmet met het coronavirus’, stond deze ochtend in de Krant van West-Vlaanderen. Nog beter zie je het op bladzijde 14. Een fotopagina. Het is herfst, maar nu verschijnen groepsfoto’s van vormsels en alle plechtige communicanten - ze luisteren naar namen als Mathis, Zion, Britt en Emerence - dragen, net als de pastoors, een mondmasker. 2020.

Ik vertrek.

Natuurlijk is het pad modderig in deze door oorlog bezwaarde streek. Het regent al enkele dagen. Na Kemmel komt Wulvergem, dorp zonder bakker waar café A la Basse Ville te koop staat en zaal Fernando dicht is. Net ervoor heeft iemand een rustplaats voor de wandelaar gecreëerd. Met bordjes en spreuken. Seul on va plus vite, ensemble on va plus loin. Of hedendaagser: Hier geen wifi, praat met elkaar.

Corona heeft de nederigheid teruggebracht. Een advocaat is net zoveel waard als een arbeider bij de afvalverwerker IVAGO.
Bart Schrever
Tuinman crematorium Lochristi

Er is niemand. In een boekentil wonen Ma cuisine, 365 jours, 730 recettes en ‘Veel geluk, professor’ van de pas overleden Aster Berkhof naast elkaar. Er worden pompoenen aangeboden en als je denkt dat je op deze grijze zaterdag in oktober niemand meer zal zien, draai je in Wijtschate om de Spanbroekmolenkrater, ook wel Pool of Peace. Daar turen vier mannen door hun verrekijker. Ze heten Olivier Dochy, Sven Masquelin, Patje Debeuf en Herman Mijle. Het is vogeltelweekend en ze stonden er al om 8 uur. ‘We hebben het geluk aan de buitenkant van een regenzone te staan’, zegt Dochy. ‘Dit is niet echt een trekroute. De meeste vogels vliegen over oost-België en Duitsland van Scandinavië naar Spanje. Maar met oostenwind schuift dat wat op. Alles is dan mogelijk.’

In die vier woorden zit veel: alles is dan mogelijk. Ze - met een prachtig woord - vogeltelden al zeker 1.200 kieviten deze morgen en zagen zanglijsters, een visarend (‘een van de laatste van het seizoen’), twee koereigers, 21 zilverreigers. ‘We hopen op een arend, een zeearend bijvoorbeeld. In het voorjaar zag ik een steppearend in Dranouter. Dat was groot nieuws, het was pas de vierde in België. Hij is nadien opgepikt in Brugge en later op de avond gemeld in Nederland.

De dag gaat traag, hij duurt lang, er staat een klapstoel klaar. Dochy knikt: ‘Je hebt wat zitvlees nodig. Maar de stilte is overweldigend en tijdens de lockdown in april kon je bij valavond of in de ochtend plots reeën zien. Dat zie je niet vaak in deze streek. De vogels trokken zich van corona niets aan. Maar die reeën hadden de rust nodig.’

Ook nu is het rustig, op deze eerste dag via Wijtschate (waar in een bos zomaar een beer hangt en in het dorp een Vlaamse Leeuw het raam versiert) richting Ieperse Palingbeek. Is de rust niet wat we zoeken? Bart Schrever en Barbara Serteels wel. Gentenaars op wandelweekend in de streek. Zij is maatschappelijk werkster in Nieuw-Gent, hij is tuinman in het crematorium in Lochristi. Al 15 jaar, daar geland na een lang verhaal van eerst z’n school in Geraardsbergen niet afmaken en naar Gent ‘gevlucht’ tot een paar jobs.

‘Maar dit is mijn droomjob’, zegt de 46-jarige man die de strooiweides onderhoudt. ‘Al toen ik jong was, kreeg ik gehoorproblemen. Nog niet zo lang geleden ontdekte ik dat ik hoogsensitief ben. Door de Veldstraat lopen, maakt me gek. Zoveel prikkels. Maar daar, buiten, is het zalig. Zonder al die prikkels.’ Wel met veel verhalen. ‘Ja, maar daar houd ik van. De mensen die bij ons komen, hebben de eerste rouw al achter de rug. Wat zij vertellen, is al minder gedrenkt in tristesse.’

©Rik Van Puymbroeck

In maart en april, en terwijl we dit schrijven opnieuw, was het crematorium een bizarre plek. Hij beschrijft het zo: ‘Normaal bruist het er van het leven. Vergeet niet dat er gemiddeld vijf à tien, soms tot twintig, verstrooiingen per dag zijn. Zes dagen per week. Maar in de lockdown lag alles stil. De sfeer was desolaat. Crematies gingen wel door, maar voor plechtigheden en asverstrooiingen wachtten mensen tot er weer meer familie bij kon zijn. Het was een bijzonder beeld: al die urnen in die rekken die wachtten op betere tijden.’

Barbara zat veel thuis. Vond ze fijn. ‘Ik ben graag thuis. Maar voor sommige mensen was het een drama. Een van de mensen met wie ik werk, is immobiel en heeft een alcoholprobleem. Die eenzaamheid kan je je niet voorstellen. Op sociaal vlak is corona een ramp. Voor wie al eenzaam was, is dit hallucinant.’

Hun les? Bart verwoordt het met een liedje. ‘Toen ik naar een documentaire over de Amazone keek, dacht ik aan Sting en ik hoorde hem ‘Fragile’ zingen. Dat is het. Corona heeft de nederigheid teruggebracht. Een advocaat is net zoveel waard als een arbeider bij de afvalverwerker IVAGO. Ik vind dat dit jaar het belang van sociale contacten, van familie en van het superkleine benadrukt. Sommige mensen waanden zich belangrijk. Kijk nu.’

’s Avonds, onder de Menenpoort, klinkt de Last Post. In de eerste voorjaarscrisis gebeurde dat met één klaroener en zonder publiek. Even kijken. In de winkelstraat erheen houdt een nadar me tegen. Een medewerker van de Last Post Association legt uit dat er stippen op de grond zijn aangebracht, de oppervlakte gedeeld door anderhalve meter: dat zijn 192 mensen die een stip krijgen. Die zijn er dus al.

Je leven hangt af van welk karretje je in de Delhaize in handen krijgt.
André Van Halewyck
Uitgever

Van ver klinkt het uit de bugels net zo slopend, in deze stille Ieperse avond, de stad die anders zo vol loopt en Engels klinkt. Dit jaar bleven ze weg. Maar de klaroeners spelen en dat lijken ze vanavond voor alle doden te doen. Voor korporaal George Harry Stanley op het Lindenhoek Chalet-kerkhof van deze ochtend in Kemmel. Voor de 13.000 Belgische coronadoden. Voor je eigen moeder.

Het is niet erg dat het regent ’s nachts en er breekt een nieuwe dag aan. Alles is dan mogelijk, leerde de vogelteller, wat is dat een hoopvolle zin. Zelfs als deze onervaren GR-wandelaar zich vergist en dénkt dat alle wit-rode plaatjes en pijltjes voor de GR128 staan. Neen, dat doen ze niet, aan de Palingbeek passeert ook de GR5 en zo wandel je via Hollebeke naar Houthem. Waar een pad verboden toegang is, ‘Excepté cavalier/uitgezonderd paardryders’. Waar je lacht met de tikfout, maar waar je zelf belachelijk bent: in dit dorp, net over de taalgrens, had je vandaag niet moeten zijn.

De kortste weg naar Zonnebeke loopt via Zandvoorde, waar het geboortehuis van Jacques Brels vader staat en de lokale slagerij/B&B/feestzaal dan maar Le Plat Pays heet. De wind waait nog wat harder nu en later in Zonnebeke herbegint de regen. De slagregen. De hagel. Nog meer regen. De moederlijke Fanny van B&B De Akkerwinde droogt ’s avonds mijn kleren voor de houtkachel.

Toen Johan Vandewalle nog een jongen was, opende zijn vader in Zonnebeke afspanning De Dreve. Volgend jaar is dat 50 jaar geleden. Op het raam schilderde hij ‘Home of The Underground War’, ‘zo noemen de Engelsen mijn zaak’, zegt hij en dan begint Johan een bijna niet te stoppen monoloog in de taal van hier.

©Rik Van Puymbroeck

Over hoe Harry Patch, de oud-strijder die in 2009 op 111-jarige leeftijd overleed, op bezoek kwam. Foto’s genoeg. Over hoe de kleine Johan in het nabijgelegen Polygoonbos op zoek ging naar ondergrondse gangen en verblijfplaatsen uit die grote oorlog. Hij schreef er een boek over: ‘Beneath Flanders Fields’. Over al die Australische petten die boven zijn toog hangen. Dan over dit vreselijke jaar. ‘In een normaal jaar komen elke dag minstens 30 Britse of Australische toeristen. Maar omdat ze nu na een bezoek aan België 14 dagen in quarantaine moeten, blijven ze weg. Ik zag exáct twee Australiërs en 32 Britten.’

Dat raakt Johan Vandewalle. We zitten aan de overkant van de straat, naast de hoeve waar hij als kind woonde. Op een doek, gespannen over een betonnen sokkel, staan de eerste verzen van ‘Brothers in Arms’. Lied van Dire Straits, woorden van Mark Knopfler. Johan kent die uit het hoofd en vermengt ze af en toe met zijn verhaal. Dat doet hij niet zomaar. In 2006 stootte hij op de stoffelijke resten van zes soldaten. Een van hen was verpakt in een rubberen zeil, met zorg in de aarde gelegd, goed bewaard. De soldaat met grijs-blauwe ogen keek Johan recht in het gezicht. ‘Ik hoorde plots iets op dat zeil druppelen’, zegt hij. ‘Bleken mijn eigen tranen te zijn.’

89 jaar had de Australische soldaat John Hunter daar liggen wachten om gevonden te worden. DNA-onderzoek bracht zijn naam aan de oppervlakte en zo zijn verhaal. ‘In 1917 was John samen met zijn broer Jim hier in een aanval terechtgekomen. Jim overleefde het, zijn broer niet, en Jim had zijn broer begraven. Na de oorlog keerde hij terug naar zijn land, stichtte een gezin en hoopte dat ooit iemand zijn broer zou vinden. Zijn familie vertelde me dat Jim op zijn sterfbed, de avond van 31 december 1977, de naam van zijn broer riep. He called out Jack!’

Nu worden de woorden van Mark Knopfler duidelijker, hij zal ze de rest van de dag in ons hoofd zingen, maar Johan Vandewalle werd dus door die twee broers zo diep geraakt dat het zijn levenswerk werd. Hij richtte een vzw op, liet een sculptuur maken en dit Brothers in Arms Memorial. De sculptuur zou dit jaar in Australië vergroot in brons gegoten worden en dan verscheept worden naar Zonnebeke.

Corona heeft het oprichten van het Brothers in Arms Memorial onmogelijk gemaakt, dat is de grootste ontgoocheling van mijn leven.
Johan Vandewalle
Uitbater café De Dreve

Dit jaar. Zou. ‘Corona heeft dat allemaal onmogelijk gemaakt en het is de grootste ontgoocheling van mijn leven. Al 14 jaar verdiep ik me in dit verhaal. Ik heb Johns familie ontmoet, ze zijn me dankbaar: ‘Someone had to find John’, zeggen ze. Mijn hele leven is veranderd door deze vondst, mijn hele denkwijze. We’re fools to make war. Die twee broers hebben me geleerd dat je moet blijven knokken, want ooit wordt het verhaal voortgezet. Dit jaar zou het gebeuren. Maar in februari zag ik plots, op het muurtje van Buttes Cemetery, een Australische vrouw met een mondmasker zitten. Toen ik dat zag, besefte ik de ernst. Wanneer zal het nu gebeuren? Volgend jaar in het voorjaar? Ik heb geen idee.’

We stappen 200 meter verder naar Buttes Cemetery. Er staan mooie berken, vlak naast Polygoonbos, en in dezelfde rij zes graven van soldaten die hij vond. Drie van hen zijn geïdentificeerd en hebben namen. Hij tikt op de steen van John Hunter en zegt: ‘Hello mate.’ We lezen. 3504 Private J. Hunter. 26th sep 1917. Age 28. ‘Iemand uit Australië heeft contact opgenomen met Mark Knopfler en die gaf zijn toestemming om de naam van zijn lied aan ons Memorial te geven. Hij was verheugd.’

Johan prikt een pin van Brothers in Arms op mijn jas en zo gaat die mee naar Voeren. Naar het einde van deze GR128, een route die nu dwars door Buttes Cemetery en door Polygone Wood Cemetery loopt. Als corona vergeleken werd met de oorlog, dan kunnen we niet beter stappen dan hier. Al leerde Rudi Vranckx me dat de symboliek niet klopt. ‘In een echte oorlog kun je de vijand zien. Corona is een onzichtbare vijand.’

Dat weet Joachim Jonckheere. Hij is voor de lijst #TEAM8980 schepen van Sociale Zaken in Zonnebeke en als we aan het gemeentehuis passeren, moeten we hem spreken. Aan een draad, hoog in de lucht, vormen 55 beha’s in vele maten één kleurrijk lint. Waarom? ‘Ik zou je graag willen ontvangen’, zegt Jonckheere aan de telefoon, ‘maar ik durf niet. Ik ben grieperig. Straks onderga ik een coronatest. Ik ben liever voorzichtig.’

Uitgever André Van Halewyck ©Rik Van Puymbroeck

De beha’s hangen er niet zomaar. Zoals de bakker in Passendale niet zomaar een borstgebakje verkoopt, de bakker in Beselare een boezembroodje en de bakker in Zonnebeke een roze tompoes. ‘De opbrengsten gaan naar Think Pink. Met de beha-actie zetten we ons als gemeente in om vrouwen aan te moedigen ook in dit bijzondere jaar niet na te laten hun borsten te laten onderzoeken. We weten dat door Covid-19 mensen afwachtender zijn en hun eigen gezondheid daardoor zouden durven te verwaarlozen.’

Een paar dagen later staat het in de krant: ‘Schepen Joachim Jonckheere besmet met coronavirus: ‘Lichte hoest en hoofdpijn.’ Zijn voorzichtigheid was gepast en daarvoor zijn we hem dankbaar. Hij ging in quarantaine en genas. Misschien kwam zijn voorzorg wel door zijn ervaring. Tot juni werkte de schepen nog halftijds als aankoopverantwoordelijke bij het Roeselaarse zorgbedrijf Motena. ‘Ik heb van binnenuit gezien welke struggle we moesten voeren om bijvoorbeeld mondmaskers te krijgen. Begin september hadden we in het woon-zorgcentrum in Zonnebeke nog een uitbraak. Niemand overleed, maar als niemand anders besef ik hoe belangrijk het blijven volgen van de maatregelen is.’

Hij stelt het goed nu.

Wij stappen verder. Voorbij Tyne Cot Cemetery. Op een smal pad. Voorbij Passendale, het dorp en de kaasfabriek. Naar Moorslede langs een huis dat Vagevuur heet, een veld met de geur van verse prei, een wijngaard met als slogan ‘Vinum coronat opus’ (je leest het in alles), door het centrum voorbij frituur Nicole, jeugdhuis Den Teirlinck, Gasthof Rembrandt en café De Vlasschaard. We zijn in Vlaanderen, ja.

Ik sms André Van Halewyck. Hij gaf zijn naam aan de uitgeverij die in Leuven startte, hij is Vlaams-Brabander, maar plots brandt een lampje. Woont André nu niet in Moorslede? Als dit televisie was, dan leek dit geënsceneerd, maar het echte leven is mooier dan het scherm en die GR128 loopt door de wijk Koekuit in Moorslede waar de boekenman nu woont. De liefde bracht André hier, net voor de grens met groot Roeselare. Zijn deur zwaait open. De koffie is lekker.

Uit toevalligheden ontstaan soms de heftigste ideeën.
Luc Maes
Eigenaar matrassenfabrikant Latexco

Enkele dagen geleden sms’te André zelf en dat bericht toont hij. We mogen meelezen: ‘Dag Frank, gefeliciteerd! Dit is het beste nieuws dat ik de voorbije maanden gehoord heb!’ Het is een bericht van 1 oktober, rond de middag, antwoordt die Frank: ‘Dank je wel, André!’

Frank is Frank Vandenbroucke, die dag zomaar minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid geworden. Ze gaan samen ver terug. In zijn werkkamer staan de wanden vol met Van Halewycks uitgeefgeschiedenis, honderden boeken bij eerst Kritak en dan Van Halewyck, netjes chronologisch, en zo haalt hij er snel ‘De krisis van de Kapitalistische Ekonomie’ uit. ‘Frank was een van mijn allereerste auteurs’, zegt Van Halewyck, geboren verteller, zeer associatief. De ene vertelling springt over in de andere anekdote en komt dan toch weer bij Vandenbroucke. ‘Hij is ongelooflijk slim en heeft een enorme dadendrang. (lacht) Ik sms zelden naar ministers, maar dit nieuws verheugde me. Ook nog op dat departement: chapeau.’

Het is nog vroeg maar hij spreekt nu, begin oktober, met vertrouwen over de nieuwe regering. ‘De boordtabellen zullen gelezen en gehanteerd worden. Dat moet. Als ik alleen aan de cultuursector denk: 80.000 mensen zonder werk. Jan Leyers belde me onlangs. ‘Ik heb dit jaar maar enkele optredens’, zei hij.’

Natuurlijk gaat het om veel meer. Hij bewondert de attitude van de mensen in de zorgsector. ‘Indrukwekkend.’ Hij zit in met jonge studenten. ‘Dramatisch is dat. Toen ik naar Leuven ging, vielen mijn oogkleppen af. Dat eerste jaar kreeg ik een ongelooflijke levensles. Ik begon natuurlijk te laat te blokken, er waren zoveel leukere dingen te doen, en ik was dus navenant gestresseerd in de blok. Juist toen, op 11 april 1970, was er die Apollo 13-vlucht met de legendarische woorden: Houston, we have a problem. Dat waren dagen vol kippenvel, uiteindelijk slaagde die landing op 17 april. In die week plaatste ik mijn stress in de nietige verhouding met de stress van die astronauten. Die relativiteitssessie heeft me nooit meer verlaten en ik was nog geslaagd ook!’

Johan Vandewalle, uitbater van café De Dreve ©Rik Van Puymbroeck

Waarom vertelt hij dat? Om zoveel redenen, omdat niets is wat het lijkt, om zoveel decennia levens- en boekenervaring. ‘Je leven hangt af van welk karretje je in de Delhaize in handen krijgt. Als je 69 bent, ben je voorzichtig. Mijn zoon woont in Rotterdam, die zag ik al maanden niet. Mijn jongste kleinkind werd in april geboren. We konden niet op kraambezoek. Maar ik besef mijn rijkdom op deze mooie plek in vergelijking met iemand die op een flatje op de zeventiende verdieping in zijn kot moet blijven.’

‘Kijk ik nu anders naar het leven? Neen. Al had ik vorig jaar op dit tijdstip wel graag willen weten wat ik nu weet. Op 15 oktober 2019 blies ik Kritak weer nieuw leven in. Vanuit dezelfde verontwaardiging als 46 jaar geleden, toen ontstaan door de staatsgreep in Chili. Die verontwaardiging is niet kleiner geworden. Integendeel. 16 procent van de mensen in België leeft in armoede. Wir schaffen das, van Angela Merkel vond ik geweldig, maar hoe werd er door onze politici gereageerd? Een studie voor het Europees Parlement stelt dat België jaarlijks 30,4 miljard euro aan belastinginkomsten mist. Dus Kritak, opnieuw. Maar een jaar later zou ik het niet opnieuw durven. De sluiting van de boekenwinkels sloot alles af. Mijn hele publicatieschema moest heruitgevonden worden. Door de steun van Lannoo konden we goed doorstarten, maar voor jonge mensen is dit een kwaad jaar.’

De deur gaat weer open, maar de blik blijft nog even hangen bij een gedicht dat daar niet zomaar hangt. Deze regels: ‘Als de vormeloze uitgestrektheid van het bewustzijn helder wordt waargenomen, zullen de dwangmatige gedachten gemakkelijk en vanzelf ophouden.’

Woorden uit de elfde eeuw van Tilopa.

West-Vlaanderen passeert en nu we Roeselare via Rumbeke zijn binnengestapt, flikkert de gouden zon op de Zilverberg. Drie renners van Deceuninck-Quick-Step, ze heten Yves Lampaert, Tim Declercq en Bert Vanlerberghe, maken een plaspauze op training voor de laatste voorjaarsklassiekers van dit najaar. Zo vreemd was ook voor hen dit jaar, maar het is in het Sterrebos wat verder dat plots een mevrouw naast ons stevig doorstapt. Zij spreekt ons aan en zo begint dit interview met haar vragen. ‘De Tijd, een maand wandelen, 474 kilometer, met mensen praten’, zijn de antwoorden.

132.960
Vijf dagen wandelen was goed voor 132.960 stappen.

En zij? ‘Stoffels komt van Christoffel, dat ‘drager van Christus’ betekent. Je kan dat verstaan zoals je dat wil. Je kan dat heel groot zien. Mijn voornaam is Lieve. Twee keer, met mijn voornaam en mijn familienaam, word ik gepusht om met liefde en mededogen naar de wereld te kijken.’ Lieve Stoffels is 77, was verpleegster in het Brusselse Bordet-ziekenhuis, trouwde en kreeg vier kinderen. ‘Drie jongens en een meisje. Mijn dochter ging in het leger, daar lachten haar broers wel mee. Een zoon werkte aan de universiteit in Gent, een zoon woont in Canada en een andere in Antwerpen. Een zeer lieve jongen.’

Werkte, dat is de verleden tijd en die snijdt. ‘Mijn zoon pleegde zelfmoord. Natuurlijk is dat heel erg, omdat hij verdriet moet hebben gehad. De vraag is: is dat mijn verantwoordelijkheid? Of is het zijn verantwoordelijkheid dat hij uit het leven stapte? Zo heb ik geprobeerd verder te leven. Ik wil niet meer op mij nemen dan nodig is. Dus ook geen schuldgevoel dat me niet helpt.’

Dat gebeurde niet in 2020, maar in een jaar met zoveel afscheid en verdriet denkt iedereen toch aan zijn eigen tranen. Mevrouw Stoffels wandelt stevig door, dat doet ze elke dag. Met reden. ‘Uit het verleden probeer ik over te houden wat je vandaag goed kan doen. Mijn man is ziek en ik draag mijn steentje bij door voor hem te zorgen en er zelf voor te zorgen dat ik niet ziek word. Ik doe boodschappen voor hem. Maar ik ga ook iedere dag wandelen. Zo blijf ik gezond. Ik probeer me te amuseren door, zoals straks, naar de breiclub te gaan. Ik lees. Nu ben ik aan een boek over het geloof bezig. Ja, ik geloof. Maar is een atheïst zo ongelovig? Zijn de waarden van de Verlichting geen vorm van geloof? Ik geloof in God, maar ik heb hem of de Kerk niet nodig om in het goede te geloven. Ach, je kan daar dagen over praten zonder iets te zeggen. Want je weet niets. Misschien is dit al mijn hemel: alles wat ik doe.’

Mevrouw Stoffels stapt weg, naar haar man en naar de breiclub, maar in gedachten stapt ze nog lang mee. Door Rumbeke, over de Sasbrug in Izegem waaronder het enorme binnenschip Euphory zacht verder schuift, in Kachtem en aan het Rhodesgoed zit mevrouw Stoffels nog mee op een bankje. Zelfs een dag later stapt ze hier nog. Langs koeien in de Kleine Boterweg. Voorbij de groentegigant Ardo, waar de negen jaar geleden overleden stichter Edward Haspeslagh nog vereeuwigd staat op de achterkant van een verkeersbord. De laatste maïs werd eerder op de dag afgereden. Hier ligt bloemkool in een enorme aanhangwagen. Dag mevrouw Stoffels. Neem wat bloemkool mee. Stoof ze lekker warm voor uw man. Het ga jullie goed.

©Rik Van Puymbroeck

Zacht kringelt rook uit een schouw in Tielt. We staan voor de poorten van de matrassenfabrikant Latexco. Toen eigenaar Luc Maes in het voorjaar wat meer tijd maakte om te fietsen, viel hem iets op. ‘Ik zag bij het huisvuil heel veel matrassen staan’, zegt hij. ‘Het leek me dat de mannen in de lockdown moesten doen wat ze hun vrouwen lang beloofd hadden: grote kuis.’

Zijn glimlach is nu kamerbreed: ‘We hebben dit jaar echt goede zaken gedaan. Ik denk dat onze omzet met 15 procent steeg. Op ons bedrijf had corona dus geen impact. Alleen voor onze vestiging in Amerika was het lastig. Door de strengere migratiewetten van Trump en daarbovenop die covidaffaire was het voor mensen van bij ons lastig om het land binnen te raken.’

Latexco bestaat sinds 1955, het was Maes’ vader die het bedrijf oprichtte. Ondertussen werken 370 mensen in de vestigingen in België en hebben ze fabrieken in de VS, in Indonesië en Spanje. Maes, al 25 jaar cosponsor van de wielerploegen van Patrick Lefevere, noemt zichzelf een oorlogskind. ‘Ik ben geboren in ’41, ik hoor de vliegtuigen die vanuit Engeland naar Duitsland vlogen om ginder te bombarderen nog overvliegen. Dus ik panikeer niet snel. Vrijdag 13 maart, toen de eerste lockdown afgekondigd werd, hebben we nog veel pinten gedronken. We dachten dat het misschien de laatste zouden zijn. Achteraf gezien hadden we dat beter niet gedaan. Met al die besmettingen...’

Hij roept er An Vanderschaeghe bij. Zij is hr-directeur bij Latexco. Wat deed het bedrijf? ‘We zijn heel snel begonnen met bewegwijzering. We verplichtten mondmaskers. We maakten een A- en een B-team van bedienden, die afwisselend thuis en hier konden werken. We lieten dertig schermen van plexiglas maken. We stelden personeel aan dat ontsmettingsrondes deed. Kortom: we riepen een speciaal covidbudget in leven.’

Maar, zegt Maes: ‘Eigen aan de cultuur, misschien is dat typisch West-Vlaams, is dat veel mensen liever gewoon naar de fabriek kwamen werken dan thuis te zitten. Dat hebben we mogelijk gemaakt.’

Vanderschaeghe: ‘Een beetje verderop hadden we nog een leegstaand pand. We hebben dat ingericht met flexburelen zodat wie dat wilde daar kon gaan werken in plaats van thuis. Ja, dat was een succes.’

Maes besluit: ‘Uit toevalligheden ontstaan soms de heftigste vormen en ideeën. We knokken verder.’

Heftig? Vijf dagen wandelen was goed voor 132.960 stappen. Voorbij Tielt zullen we straks West-Vlaanderen buitenstappen, maar nu gaan we liggen en lezen voor het slapengaan één zinnetje uit het tweede dunne boekje in de rugzak. ‘In tijden van besmetting’, heet dat en Paolo Giordano schreef het. Op pagina 53 is dit de eerste zin van hoofdstuk 19: ‘De wereld is nog steeds een prachtig wilde plek.’

Volgende week, deel 2: van Tielt naar Destelbergen.

Lees verder

Advertentie
Advertentie