Nog steeds even weinig Belgen met antistoffen

Theeten verwacht dat bij volgende metingen een nieuwe stijging mogelijk is, omdat opnieuw meer sociaal contact is toegestaan. ©BELGA

6,9 procent van de Belgen heeft antistoffen tegen het SARS-CoV-2-virus in het bloed. Dat blijkt uit onderzoek van epidemiologen van de Universiteit Antwerpen. Het verschil met de vorige metingen is miniem.

Sinds corona zich verspreidde onder de bevolking doen de epidemiologen Pierre Van Damme en Heidi Theeten (UAntwerpen) onderzoek naar de blootstelling van de Belgen aan het virus. Meer dan 3.000 bloedstalen, die naamloos en onherkenbaar blijven, worden onderzocht op antistoffen.

De jongste resultaten tonen aan dat 6,9 procent van de Belgen intussen antistoffen heeft aangemaakt. Bij de vorige meting, die dateert van eind april, was dat 6 procent. Dat was toen een verdubbeling van de allereerste resultaten - toen bleek dat 3 procent van de Belgen immuniteit had gekweekt. Nu blijft het cijfer ongeveer gelijk. 

6,9 procent
immuun
6,9 procent van de Belgen heeft antistoffen voor het coronavirus in het bloed.

De overgrote meerderheid van de Belgen blijft dus vatbaar voor het virus. Toch zijn de resultaten geruststellend, zegt Theeten.

‘Antistoffen verschijnen pas een à twee weken na de besmetting. De stalen dateren van de periode tussen 18 en 25 mei, en geven dus inzicht in de infecties tot in de eerste week van mei. Dat wil zeggen dat zowel deze als de vorige meting in volle lockdown gebeurde. Dat het cijfer stabiliseert, toont dat de maatregelen echt wel effect hadden. Weinig nieuwe mensen met antistoffen betekent dat het coronavirus zich trager verspreidt, zoals ook de curve met de ziekenhuisopnames aantoont.’ 

Leeftijd

De voorwaarden voor het bloedonderzoek zijn dezelfde gebleven: ze komen van mensen die niet in het ziekenhuis zijn opgenomen, en voor welke reden ook bij de dokter kwamen. De stalen komen van over het hele land en zijn opgedeeld in leeftijdsgroepen per tien jaar. Ook bij de afzonderlijke groepen is geen stijging te merken. ‘De leeftijdsgroepen die bij de eerste twee metingen een sterkere stijging kenden, de 20- tot 29-jarigen en de 80-plussers, blijven ook nu gelijk’, zegt Theeten. Ook nu de maatregelen fel versoepeld zijn, wordt de meting herhaald op dezelfde manier. 

Theeten verwacht dat bij volgende metingen een nieuwe stijging mogelijk is, omdat opnieuw meer sociaal contact is toegestaan. ‘De situatie blijft fragiel’, meent Theeten. ‘Het verschil is dat er nu meer kennis van zaken is. Bij een heropflakkering zullen de besmettingen meer in clusters kunnen worden opgespoord en gerichter bestreden kunnen worden.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie