'Superverspreiders veroorzaken 80 procent van de besmettingen'

Er zouden meer dan 1.000 besmettingen terug te brengen zijn tot één après-skibar in het Oostenrijkse Ischgl. ©Westend61 GmbH

Hoe komt het dat de ene persoon niet zo besmettelijk is als de andere? Wetenschappelijk onderzoek gaat er steeds meer van uit dat het coronavirus zich verspreidt via een beperkt aantal geconcentreerde clusters, zogenaamde 'superverspreiders'. Dat biedt perspectieven voor de bestrijding van de epidemie.

Er circuleren tal van verhalen van zogenaamde 'superverspreiders', plaatsen of events waartoe een groot aantal besmettingen te herleiden zijn: van de fameuze après-skibar in het Oostenrijkse Ischgl waar zo'n 1.000 mensen besmet raakten, een Amsterdams koor waarvan bijna alle leden ziek werden tot een fitness-school in Zuid-Korea. Er zijn clusters gesignaleerd in slachthuizen, gevangenissen, zorgcentra, kerken en op schepen. Telkens gaat het om plaatsen waar mensen extra besmettelijk zijn voor anderen omdat ze onder bepaalde omstandigheden samen zijn: in kleine of slecht verluchte ruimtes, waar grote groepen mensen lang samen zijn, fysieke activiteiten zoals sporten en zingen beoefenen... 

Dat wijst erop dat de gemiddelde besmettelijkheid van het virus SARS-CoV-2 maar een deel van het verhaal vertelt. Die gemiddelde besmettelijkheid ligt zonder socialdistancingmaatregelen - dus als het virus de vrije baan krijgt - op 3. Dat wil zeggen dat een besmette persoon gemiddeld drie anderen besmet. Maar een wiskundige analyse van de gerapporteerde besmettingen buiten China door onderzoekers aan de London School of  Hygiene and Tropical Medicine en het Alan Turing-instituut toont aan dat er een groot verschil bestaat in de besmettelijkheid van individuen. Sommigen besmetten niemand, anderen dan weer tientallen mensen. Op basis van hun model komen ze tot de conclusie dat 80 procent van de besmettingen wereldwijd veroorzaakt is door amper 10 procent van de gevallen. 

Ademruimte

SARS-CoV-2 lijkt in die zin op andere coronavirussen als SARS en MERS, die er ook om bekendstonden zich vooral te verspreiden in clusters. Je kunt de epidemie dus gericht bestrijden als je die 'superverspreiders' kunt definiëren en aanpakken. Dat wil zeggen bijvoorbeeld danslessen, drukke markten en concerten verbieden of strikt reguleren, en tegelijk op andere minder risicovolle plaatsen veel soepelere regels hanteren. Het zou toelaten een deel van de samenleving en de economie meer ademruimte te geven.

De uitdaging is juist te definiëren waar de grote risico's zitten. Alles wijst erop dat er in afgesloten ruimtes meer kans is op besmetting dan buiten. Slachterijen zouden mogelijke besmettingshaarden zijn, omdat mensen er dicht opeen werken en de lage temperatuur het virus langer doet overleven. Plaatsen waar mensen zingen en roepen zijn gevaarlijker dan als er gewoon gepraat wordt, omdat bij een zware ademhaling meer besmettelijke druppeltjes verspreid worden. Ook situaties waarin mensen lang samen zijn in één ruimte zouden meer risico inhouden dan snelle ontmoetingen. 

Maar een goed model om te voorspellen waar clusters zich kunnen voordoen, is er nog niet wegens onvoldoende data. Extra informatie kan komen van contact tracers, die nagaan met wie een besmet persoon in contact is geweest. Wetenschappers zijn het erover eens dat een beter inzicht in 'superverspreiders' een belangrijke stap vormt in het bestrijden van de epidemie. 

Lees verder

Advertentie
Advertentie