reportage

‘De zeebodem is een gigantisch paleontologisch archief'

Martitiem archeoloog Sven Van Haelst. ‘Die wrakken, oké, maar de laatste rustplaats van vermiste soldaten terugvinden, dat is iets anders.’ ©SISKA VANDECASTEELE

Is de zee één groot geschiedenisboek? Maritiem archeoloog Sven Van Haelst vindt van wel. In het stukje Noordzee dat van België is, werden onlangs 55 scheepswrakken beschermd als cultureel erfgoed. ‘Ze zijn slechts het topje van de ijsberg.’

De schepen hebben prachtige namen. Alfonso Tercero, bijvoorbeeld. Of Lucie-Jenny II, wie wilde daarop niet eens mee? Het was gebouwd in 1945 en zonk op 15 februari 1970. Het vrachtschip Birkenfels was maar 15 jaar oud toen het op 7 april 1966 verging.

Wat hen bindt, is dat ze op de bodem van ons stukje Noordzee liggen en dat je ze op een digitaal kaartje van de wrakkendatabank van het Agentschap Maritieme Dienstverlening en Kust kan terugvinden. Met je cursor kan je, als met een drone, over de zee vliegen en zo schuiven hun namen open. Nashaba, Nautica Ena, Polly Johnson. Soms staat er geen naam. ‘Onbekend’, lees je dan. Er is alleen een vinddatum.

‘In totaal zijn 379 posities bekend’, zegt maritiem archeoloog Sven Van Haelst. ‘290 daarvan zijn scheepswrakken, 24 vliegtuigwrakken en 65 andere zijn onbekend. Die plekken zijn gewoon aangeduid omdat er ooit ‘iets’ gezien is. Dat kan een scheepswrak zijn of een vliegtuigwrak, maar net zo goed is het een rotsblok of een container.’

De Noordzee als nieuw wingewest

De blauwe economie is een onbekende sterkhouder in Vlaanderen. In onze elfde provincie liggen oplossingen voor de klimaat-, de energie- en de grondstoffenproblematiek. De Tijd gaat op zoek naar de nieuwe inzichten en ontwikkelingen op de Noordzee.

Het Marien Station van het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ) in Oostende is de kajuit van vandaag. Liever waren we meegevaren met het onderzoeksschip RV Simon Stevin en hadden we zelf gezien hoe hij dook of, via een schermpje, gevolgd wat een multibeam sonar onder water scande. Helaas: corona.

‘Met de huidige maatregelen mogen maximaal vier mensen op de boot en we zijn al met vier om een volwaardig duikteam samen te stellen’, zei Van Haelst vooraf al aan de telefoon. Dus sluit hij nu zijn laptop aan en is het tv-scherm de volgende uren de video van de controlekamer. Slide na slide passeren cijfers, wrakken, weetjes, kaarten, mammoeten en een video van een zwemmend paard met Sven erbij, artefacten, oorlogsvliegtuigen, onderwaterbeelden, foto’s. Soms frustraties.

‘Scheepswrakken zijn eigenlijk enorme tijdcapsules. Als in Tongeren een opgraving gedaan wordt, moet je weten dat de oorspronkelijke Romeinse villa die ze vinden, later werd afgebroken om er in de middeleeuwen een nieuw huis op te zetten. Dat later weer werd afgebroken voor een moderne woning. Je vindt daar dus eigenlijk vooral veel afval. Als een schip vergaat, doet het dat met de hele inboedel uit een welbepaalde periode. Dat is die tijdcapsule.’

‘In combinatie met de betere bewaringsomstandigheden onder water, in sediment met zuurstorfarme waterverzadigde condities, heeft zo’n scheepswrak dus een gigantisch potentieel aan informatie. Wat aan de oppervlakte ligt, vergaat iets sneller, onder meer omdat de scheepsworm/paalworm van het hout een gigantische gatenkaas maakt. Vanaf het moment dat het wrak door sediment bedekt wordt, is er zuurstofgebrek en kan die worm niet overleven.’

En dat hout is belangrijk?

Sven Van Haelst: ‘Superbelangrijk. Zowel voor de datering als voor de informatie over de mogelijke herkomst van een schip. Voor de kiel werd altijd gewerkt met redelijk vers gekapt hout dat niet eerst jaren aan de kant heeft liggen drogen. Dendrochronologisch onderzoek (het onderzoek van de jaarringen, red.) kan op dat scheepshout perfect. Soms zit er nog spinthout (het stuk tussen de kern en de bast, red.) op. Dan kan je de kapdatum tot op het jaar dateren, wat zeer nauwkeurige indicaties geeft van het bouwjaar van het schip.’

De vonk voor het duiken sloeg over vanuit de documentaires van Cousteau en de albums van Suske en Wiske.
Sven Van Haelst
Martitiem archeoloog

‘Je kan ook de herkomst van de houtsoort traceren en bij overnaadse scheepsbouw werden sommige mossoorten gebruikt voor de waterdichtheid. Ook die vertellen veel. Stel dus dat zowel de herkomst van het hout als van de aangetroffen mossoort naar de regio Noord-Polen wijzen, dan is de kans groot dat het schip daar ooit gemaakt is.’

‘Ook interessant: bij schade aan de romp werden reparaties uitgevoerd. Aan de hand van het hout dat daarvoor gebruikt werd, kan je weer een idee krijgen wanneer en eventueel waar het schip gerepareerd werd. Ook dat kan iets zeggen over gevaren. Stel dat je een schip terugvindt waarvan het dendrochronologisch onderzoek aangeeft dat het omstreeks 1302 gebouwd werd in Duitsland, maar waar reparaties op gebeurd zijn met een houtsoort uit het mediterraan gebied en dat een dendrodatering van 1315 geeft, hoeveel weet je dan al niet over de geschiedenis van het schip.’

Dat er 55 wrakken in ons stukje Noordzee werden beschermd, haalde onlangs het nieuws. Maar we hebben blijkbaar een heuse wrakkendatabank.

Zo zag u de Noordzee nog nooit

Nergens ter wereld wordt de zee drukker bevaren en meer gebruikt dan onze Noordzee. En het wordt nog drukker. Met nog meer schepen en windmolens, zeeboerderijen, zwermen drones en een hoop kabels. Op de beperkte ruimte die er is, vraagt dat puzzelwerk en veel creativiteit.

Lees in ons interactieve artikel hoe dat lukt.

Van Haelst: ‘In 1919 werd al een eerste wrakkenlijst gemaakt, maar natuurlijk kwamen daar nieuwe gegevens bij. Als vissers op steeds dezelfde plekken hun netten verloren, kon je bijna zeker zijn dat er iets lag. Sinds de jaren zeventig doen we aan geofysisch onderzoek met multibeam en side-scan sonar die door het uitzenden en weer opvangen van geluidssignalen een beeld kunnen vormen van de bodem en de wrakken die zich daarop bevinden. Magnetometers capteren dan weer alles wat het aardmagnetisch veld verstoort. Zeker ferrometalen worden gemeten, maar ook gebakken klei zoals amforen en bakstenen. Zo zitten we dus nu aan die 379 gekende posities. Maar dat betekent helaas niet dat we ze allemaal onderzocht hebben.’

Dat kan niet?

Van Haelst: ‘Als ik met 100 procent zekerheid zou kunnen zeggen dat de Anna Catharina, een schip van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) dat op 3 februari 1735 verging, op een bepaalde plek ligt, inclusief de volledige lading waaronder goud- en zilver, dan krijg je daar gemakkelijker fondsen voor. Maar gaat het om een onbekend wrak dat je puur voor de archeologie wil onderzoeken, dan vind je niet zo snel een geldschieter.’

U zei daarnet dat er 290 scheepswrakken liggen.

Van Haelst: ‘228 ervan zijn geïdentificeerd, 62 niet. Een ervan, het Zeebruggewrak, stamt uit de 16de eeuw. En ’t Vliegend Hert (een VOC-zusterschip van de Anna Catharina dat op dezelfde dag, 3 februari, verging maar in 1981 wel werd teruggevonden, red.) weten we ook liggen. Daar is naar gedoken en vondsten van dat Zeebruggewrak liggen in het MAS in Antwerpen. Dat zijn vooral dingen die met metaaldetectoren werden gevonden, maar er moet nog meer te vinden zijn. Alleen zou dat weer een grote investering vergen.’

Als een schip vergaat, doet het dat met de hele inboedel uit een welbepaalde periode. Zo krijg je een tijdcapsule.
Sven Van Haelst
Maritiem archeoloog

‘Op ’t Vliegend Hert is veel onderzoek gedaan omdat Nederland die VOC-schepen nog altijd als staatsschepen ziet. Er liggen onder meer munten uit dat schip in het museum van Vlissingen. In het Buiten Ratel Wrak, een VOC-schip uit de 18de eeuw dat in 1996 gevonden werd, was wat cargo te vinden en een boel gebruiksvoorwerpen. Die liggen vooral in het depot van het Agentschap Onroerend Erfgoed in Vilvoorde. Verder liggen er 140 wrakken van de Eerste en de Tweede Wereldoorlog. Schepen en vliegtuigen. En als vandaag een schip zou zinken, vinden we dat in het Belgische deel van de Noordzee altijd terug.’

Dat Belgische deel is niet zo groot: 3.450 vierkante kilometer of de grootte van de provincie West-Vlaanderen. Daarin liggen dus wrakken uit de beide wereldoorlogen, goed voor 13 nationaliteiten. ‘Over 80 van die wrakken zijn we 100 procent zeker dat het oorlogsgraven zijn, waarbij een of meerdere bemanningsleden omkwamen. De HMS Wakeful was een Brits schip uit 1917 dat in 1940 door een Duits schip werd getorpedeerd en in twee brak. Ook de U-11, een Duitse duikboot uit de Eerste Wereldoorlog die in 1914 verging, ligt er. In die schepen waren mannen aan boord en hun resten moeten daar nog liggen. Ook van vliegtuigwrakken.’

‘Eigenlijk doe je het ook daarvoor. Voor dat menselijke verhaal. Die wrakken, oké, maar de laatste rustplaats van vermiste soldaten terugvinden, dat is iets anders. Wat in de Westhoek gebeurt, het opgraven van menselijke resten en ze een eervolle begrafenis geven, gebeurt niet zo snel op zee. Als de identiteit van een wrak bekend is, kan je in archieven meestal snel vinden welke personen erbij omkwamen. Maar als je een oorlogswrak vindt waarin zich nog menselijke resten bevinden en je kan het wrak en de identiteit van de gesneuvelden niet achterhalen of het wrak kan of mag niet verder onderzocht worden, dan is dat enorm frustrerend.’

Luister naar ‘Expeditie Noordzee’


Het Instituut voor Onderzoek van de Betovering der Zeeën (IOBZ) en De Tijd slaan de handen in elkaar. In de podcast ‘Expeditie Noordzee’ nemen acteur Wim Opbrouck en journalist Stephanie De Smedt u mee op een tocht door onze elfde provincie. En tot ver daarbuiten. Van geautomatiseerde surfplanken en zeerobots om onze grenzen te verdedigen over een kapotgerukte kabel van 600 miljoen euro tot verloren sondes in Antarctica, bizarre zeewezens en een losgeslagen knollenplukker op de bodem van oceaan.

Beluister de eerste van vier afleveringen via dit artikel
of op uw favoriete podcastkanaal.

Waarom mag het niet?

Van Haelst: ‘Oorlogsschepen en vliegtuigen blijven eigendom van de oorspronkelijke staat. De Duitsers laten het liever zo vanwege de confrontatie met dat oorlogsverleden. En de Amerikanen maken er een erezaak van hun gevallen burgers zelf te bergen en te repatriëren. Hun wetgeving is zo streng dat wij het niet kunnen riskeren dat even op eigen houtje te doen. Ze hebben daarvoor hun eigen DPAA, wat staat voor Defense Prisoner of War/Missing in Action Accounting Agency.’

‘Ik heb ooit een cursus Scientific Recovery Expert gevolgd op Pearl Harbor-Hickam in Hawaï. Zij zien de plek waar een schip of een vliegtuig verging als een crime scene, waarbij een forensisch onderzoek moet gebeuren via hun uiterst strenge Standard Operation Procedures. Verder is het een enorm bureaucratisch gebeuren om een gezamenlijk onderzoek op touw te zetten. En ze sturen niet altijd zomaar een team naar hier om hun doden te bergen. Het kost handenvol geld.’

Maar soms bent u er heel dichtbij.

Van Haelst: ‘Voor de aanleg van de Nemo Link, de onderzeese hoogspanningskabel tussen België en het Verenigd Koninkrijk, moest worden gezocht naar het kortste en beste traject, rekening houdend met zandbanken en bekende wrakken. Ze hebben via verschillende geofysische technieken gescreend en als er anomalieën waren, werden die onderzocht. Via magnetometrie kwamen ze op kettingen en ankers, maar ook op niet-ontplofte bommen, de UXO’s, de ‘unexploded ordnance’ uit. Dan werd de ontmijningsdienst van het leger DOVO ingeschakeld om die bommen onschadelijk te maken.’

Wil je een onbekend wrak puur voor de archeologie onderzoeken, dan vind je niet zo snel een geldschieter.
Sven Van Haelst
Martitiem archeoloog

‘Ze zijn op veel vliegtuigsites gestuit en deden veel losse vondsten na vliegtuigcrashes. (op zijn scherm verschijnt een metalen voorwerp, met daarin een sterpatroon, red.) Dat bleek na onderzoek een turbo super changer te zijn, van Amerikaanse makelij. Na onderzoek vonden we het nummer van een onderdeel: 65-6007-446. Dat kon worden teruggevonden in de onderdelenlijst van een B-17G, een zware Amerikaanse bommenwerper uit de Tweede Wereldoorlog. De kans was groot dat daar nog mensen aan boord waren.’

‘Na contact met de DPAA kon worden gezocht welke B-17G dat kon zijn en zo bleven vier kandidaten over. Maar de tijd drong want de aanleg van de Nemo Link was in volle gang. Normaal konden we maar tot mei 2018 in die perimeter werken. ‘Gelukkig’ was er een Nederlandse visser die de nog niet begraven kabel met zijn sleepnet beschadigde. De kabel moest worden gerepareerd, en zo kregen we extra tijd tot juli. We vonden in de buurt onder meer een flak jacket, een kogelvrije vest die vliegeniers in de Tweede Wereldoorlog gebruikten, maar helaas geen machinegeweren. De serienummer op die machinegeweren zouden de sleutel tot identificatie geweest zijn. En toen was de tijd op.’

©VLIZ

De verhalen zijn onuitputtelijk en Van Haelst blijft ze onvermoeibaar vertellen. Dat doet hij met zachte Limburgse klanken, ook al woont hij al meer dan vier jaar in de buurt van Damme en staat zijn bureau dus in de gebouwen van het VLIZ in Oostende. Bijna zou je schrijven dat hij hier aanspoelde, als de waterweg vanuit Maaseik naar Oostende niet zo’n omweg was geweest.

‘Dat ik als kind in archeologie geïnteresseerd was, is niet zo raar. Mijn opa had een plantenkwekerij. Dat was net buiten de oude wallen van Maaseik. In de middeleeuwen was het de gewoonte alles wat je van straat opkuiste, weg te gooien op de velden buiten de stad. Ja, waar mijn grootvader dus planten ging kweken. Ik heb er pijpenkoppen en potscherven gevonden, af en toe een oude munt, zeker toen mijn vader me op mijn elfde een metaaldetector cadeau deed.’

Tussen opgravingen doen in de buurt van Maaseik en nu duiken in zee is toch een groot verschil.

Van Haelst: ‘De vonk voor het duiken sloeg over vanuit de documentaires van Cousteau (de legendarische Franse oceaanonderzoeker Jean-Yves Cousteau, red.) en de albums van Suske en Wiske, waar al eens een onderzeeër in voorkwam. En De Rode Ridder vond op de bodem van een meer eens een klok. (met blinkende oogjes) Dat intrigeerde me. Dus toen ik elf was, ging ik naar duikschool Samantha. En toen ik 14 was, had ik mijn buitenbrevet waarmee ik in open water kon gaan duiken.’

‘Zo begon het. We gingen duiken aan de Plompe Toren in Zeeland, waar ik bij het in de Oosterschelde verdwenen Koudekerke een potscherf vond. Dat was de eerste keer dat duiken en archeologie samenkwamen. Later ging ik met de Nederlandse Landelijke Werkgroep Archeologie Onder Water op Colijnsplaat duiken naar de tempel van Nehallenia. Dat is een van de archeologische topvondsten in Nederland. Honderden Romeinse altaren ter ere van de godin Nehallenia zijn daar opgevist.’

©SISKA VANDECASTEELE

‘Nehallenia was een beschermgodin van de zeevarenden en de handelaars en Romeinen die op zee gingen, beloofden haar een nieuw altaar in dat heiligdom als ze een behouden vaart hadden gehad. Later waren die door overstromingen naar de bodem van de Oosterschelde gezakt, maar het leuke aan die altaren was dat die vaak indirect gedateerd waren door de vermelding van de twee consuls die in een bepaald jaar in Rome in functie waren.’

‘Ze gaven ook veel informatie over de namen, familierelaties en de herkomst van de handelaren en over wat ze verhandelden. In het Latijn stond bijvoorbeeld: ‘Jegens de godin Nehallennia heeft wegens haar goede bescherming van zijn koopwaar, Marcus Exqinqius Agricola uit het land van de Treveri, handelaar in wijn en vissaus op Britannia, hiermede zijn gelofte ingelost graarne en met reden…’

Een lang verhaal wordt kort: duikend aan Colijnsplaat haalden ze dakpannen en andere restanten van altaren op en petrografisch onderzoek van die altaren leerde van waar de gebruikte steensoorten afkomstig waren. Meestal was dat van plekken langs de Rijn, de Maas, de Schelde, maar soms van heel diep in Frankrijk of Duitsland. Echt geen plekken die dicht bij de aanvoerroutes van Colijnsplaat lagen. Van Haelst, die in Gent grafische technieken had gestudeerd en tien jaar in die sector had gewerkt, nam loopbaanonderbreking om pas archeologie te gaan studeren toen hij al 33 was. Toen zijn contract bij het Agentschap Onroerend Erfgoed in 2017 beëindigde, kon hij bij het VLIZ aan de slag.

Hoe intrigerend is de bodem van de zee voor een maritiem archeoloog? Daar moet veel meer liggen dan alleen scheeps- en vliegtuigwrakken.

Van Haelst: ‘De Noordzee was niet altijd de Noordzee. In de IJstijden was dit een droog gebied. De toenmalige hoogste zeewaterstand was gemiddeld 50 à 100 meter lager dan die vandaag is. Het diepste punt in de Belgische Noordzee is nu amper 50 meter. Er waren dus veel langere periodes dat de homo sapiens en de neanderthalers konden rondlopen dan dat gevaren kon worden. De bodem moet een gigantisch paleontologisch archief zijn met veel botmateriaal en misschien steentijdsites en artefacten. Bovendien zit dat nu allemaal onder water en recentere sedimenten en dat is qua bewaring veel beter. Pas 8.000 jaar geleden is de Noordzee uiteindelijk volgelopen.’

De zee is dus een bijzonder interessant geschiedenisboek.

Van Haelst: ‘Zowel over de oertijd als later over de Romeinse tijd en de middeleeuwen. We zitten nog met 62 niet geïdentificeerde wrakken, en ik ben er zeker van dat wat we kennen nog maar het topje van de ijsberg is. Veel oude houten schepen die nu in de zeebodem zijn weggezonken, zijn moeilijker te vinden. Maar de vele schipbreukmeldingen in de archieven tonen dat ze er zeker moeten zijn.’

Tegelijk kunnen we ons voorstellen dat veel amateurduikers spullen bovenhalen die ze liever niet kwijt willen.

Van Haelst: ‘De wet over de bescherming van het Cultureel Erfgoed onderwater uit 2014 voorziet in een meldingsplicht voor toevalsvondsten en verbiedt het intentioneel bovenhalen van vondsten. Vissers en baggeraars die per ongeluk iets bovenhalen, moeten dat melden en duikers mogen geen artefacten bovenhalen.’

©SISKA VANDECASTEELE

‘In het verleden gebeurde dat vaak en dat gebeurt zeker nog. Het vervelende is dat die artefacten zo van een wrak verdwijnen. Als dit jarenlang doorgaat, blijven er maar weinig van die ‘puzzelstukjes’ over en dat maakt het werk van archeologen lastig. Als zo’n wrakduiker/amateurarcheoloog sterft, blijven zijn vrouw en kinderen achter met dat stuk ijzer dat al die jaren op de kast stof lag te vangen. Ze weten helemaal niets over waar het gevonden is en vaak ook niet wat het is. Dan smijten ze het weg. Zo gaat veel informatie verloren.’

Er moeten toch topmomenten zijn die u nooit vergeet?

Van Haelst: ‘Absoluut. Als je door details op een vleugel het wrak van een Focke-Wulf FW 190 (een Duits jachtvliegtuig uit de Tweede Wereldoorlog, red.) kan identificeren, word je daar bijna emotioneel van. Maar net zo goed zal ik nooit vergeten hoe tijdens een duik twee dolfijnen rond mij kwamen zwemmen.’

‘En kijk. (er begint een filmpje te spelen dat ‘zeepaardje’ als werktitel kreeg, red.) Ooit waren we voor de kust van De Panne aan het duiken vanuit een Zodiac. We hadden ons aangemeld bij het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum en kregen plots de melding dat voor de kust van Koksijde een paard in de zee was beland. Dat had zijn ruiter eraf gegooid, was de zee ingelopen en was beginnen te zwemmen. Maar helemaal de verkeerde kant uit. We zijn het gaan zoeken en vonden het, zeker 3 kilometer in de zee. Met de hulp van een vaartuig in de buurt konden we het paard naast de boot vastmaken en zo terugvaren. Ik ben er zelf bij gebleven om het dier rustig te maken.’

Het paard redde het. Alvast naar dat skelet zal nooit iemand moeten zoeken in de zeebodem.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie