column

Weg met het financieringsmodel van het hoger onderwijs

Professor vakgroep Wiskunde en Data Science van VUB en gespecialiseerd in wiskunde voor digitale toepassingen

Er loopt veel mis in de financiering van het hoger onderwijs. Het is erg moeilijk om toppers na hun studies langer dan drie jaar een positie te geven en zelfs nog moeilijker ondersteunend wetenschappelijk personeel aan te stellen.

Ik behoor tot wat men het Zelfstandig Academisch Personeel of kortweg ZAP noemt. Die Z kan je meerdere betekenissen geven. Ik voel me vaak CEO, CTO, CFO, CMO, CCO en hr-directeur in een. Onze taak bestaat officieel uit onderwijs, onderzoek en dienstverlening binnen en buiten de universiteit en daarop zijn onze financieringsmodellen gebouwd.

De portefeuille van een vakgroep aan professoren- en assistentenposities hangt in grote lijnen af van het aantal studenten aan wie je lesgeeft, het aantal credits en diploma’s - bachelor, master en PhD - dat je aflevert, internationalisering, hoeveel en waar je publiceert en de hoeveelheid externe financiële middelen die je als groep binnenrijft.

Ook de prestaties van je collega’s uit andere vakgroepen, faculteiten en universiteiten zijn een factor. Zelfs al doe je het beter dan voorheen, als de anderen het in absolute aantallen nog beter doen, kan je verlies lijden waardoor het werk onder minder handen, of moet ik zeggen hoofden, dient verdeeld te worden.

In Vlaanderen trekt een opleiding wiskunde helaas geen massa’s studenten aan, terwijl wiskundig onderzoek ook al geen 'paper generator' is of kant-en-klaar verkoopbaar is, wat maakt dat beoefenaars van de koningin der wetenschappen een niet zo koninklijk bestaan leiden. Het personeelskader is te klein en dat is waar het schoentje vooral knelt.

Natuurlijk kan niet elke doctoraatsstudent of postdoc ambiëren door te kunnen stromen naar het professorenkader, maar het huidige systeem leidt ertoe dat Vlaanderen te veel waardevolle expertise ziet verdwijnen. Die leaky pipeline verdient de aandacht van onze beleidsmakers.

Als een pas afgestudeerde topper een doctoraat wil aanvangen, zijn er steevast verschillende financieringsmogelijkheden: een aanvraag bij het - zij het erg competitieve - Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO), een vacante assistentenplaats of een doctoraatspositie in een recent binnengehaald onderzoeksproject. Maar eens gedoctoreerd ziet de situatie er heel wat minder rooskleurig uit.

Wie graag een duik in het onderzoek wil nemen, heeft een paar opties, maar eens gedoctoreerd ziet de situatie er heel wat minder rooskleurig uit.

Een postdoc kan voor een driejarig mandaat opnieuw terecht bij het FWO, maar de concurrentie is dan nog groter dan voorheen. Zelfs bij uitstekend werk is er geen automatische instroom noch eenmalige hernieuwing. Omdat het gunstig bursaalregime wegvalt voor postdocs is het voltijds aanstellen op een assistentenplaats of een onderzoeksproject vaak geen optie meer, zelfs voor tijdelijke overbruggingen.

Daarnaast zijn de slaagpercentages voor het verkrijgen van onderzoeksprojecten onaanvaardbaar laag, zodat de continuïteit onvermijdelijk in het gedrang komt. Postdocs trekken dan ook meestal naar het buitenland of verlaten de academische wereld voor een job met allerlei voordelen en enige werkzekerheid. Zo gaat veel kennis verloren waarin we net met publiek geld hebben geïnvesteerd. En dat net op het moment van het hoogste rendement in onderzoek en de valorisatie ervan.

Het is zelfs nog moeilijker ondersteunend wetenschappelijk personeel aan te stellen. De universiteit is dé plek bij uitstek om, in mijn geval datascience-, problemen fundamenteel aan te pakken, iets waar in onze industrie amper tijd en ruimte voor is, en net zulke oplossingen zijn vaak de bron van innovatie. Zo werkt mijn groep aan het automatisch verwerken van scans van documenten, zowel uit ons cultureel erfgoed als de privésector. Hoewel er al heel wat commerciële spelers zijn, blijkt het wiskundig modelleren van de menselijke tekstherkenning en -verwerking de sleutel tot een generieke oplossing. We werden uitgeroepen tot de winnaar van een internationale wedstrijd waar ook Google aan deelnam. Natuurlijk lag er na een vierjarig doctoraat dan wel geen verkoopbaar product op tafel.

We horen regelmatig dat er een betere doorstroom moet zijn van academisch onderzoek naar de Vlaamse industrie. Maar het ontbreekt meestal echt niet aan de wil, wel aan de middelen.

We horen regelmatig dat er een betere doorstroom moet zijn van academisch onderzoek naar de Vlaamse industrie. Maar het ontbreekt meestal echt niet aan de wil, wel aan de middelen, zij het aan de universiteit of bij de bedrijven. Vlaanderen heeft geen Google of Facebook die postdocs ronselen aan de universiteiten en zo in feite privaat gefinancierde onderzoeksinstellingen worden die efficiënt in grote teams theoretische ideeën tot producten kunnen kneden.

De regering investeerde recent wel massaal in artificiële intelligentie en cybersecurity, maar de verdeling van die middelen zit in een keurslijf van affiliaties en oormerken. Wij zijn daarom nog altijd aangewezen op projectaanvragen met bijhorende tijdslijnen, beperkingen op budgetten en rigide reglementen waardoor je niet kort op de bal kunt spelen.

Het aanstellen van een broodnodige software-engineer met de geschikte expertise om onze onderzoeksresultaten in een minimum viable product te gieten, was een weg geplaveid met surrealistische obstakels, met als grootste probleem het ontbreken van een geschikt arbeidskader aan de universiteit. Zo wordt een valorisatietraject algauw een daad van altruïsme voor alle betrokken partijen.

Weg dus met de huidige academische financieringsmodellen! Dit moet en kan beter.

Lees verder