Advertentie
interview

‘Wat ik niet begrijp, vind ik leuk'

©Karoly Effenberger

Hier geboren, maar ze heeft een vreemde naam: bij het leven van Damya Laoui past een liedje. Al is een hele soundtrack juister. Ze is niet enkel half-Algerijnse. Ze is zoveel. Kankeronderzoekster, vrouw, moeder, muziekliefhebster. ‘Ik hou er niet van als mensen alleen naar verschillen zoeken.’

Van de ‘C57 black 6’ hadden we nog nooit gehoord. Van de ‘BALB/c’ ook niet. De eerste zijn zwart, dat zegt de naam, de andere wit. Ze kweken ze zelf of ze kopen ze bij bedrijven die Janvier Labs of Charles River heten en als je de aantallen hoort, zit je vanzelf in ‘De heksen’ van Roald Dahl. ‘In ons animalarium hebben we er tussen 2.500 en 3.000’, zegt Damya Laoui.

O ja, muizen dus, gekweekt voor de wetenschap en voor zoveel van onze reddingen. Straks zal ze dat vertellen. Grijze muizen hebben ze amper en dat is Laoui zelf zéker niet. Hoe voorzichtig ze ook over haar leven vertelt. Alsof ze een geschenkje uitpakt, voorzichtig, het papier loswrikkend, hoekje voor hoekje omplooiend, erover wakend dat de inhoud niet zomaar wegvliegt. Er is zoveel gebeurd. Er zijn zoveel stappen gezet. Niks was zomaar gegeven. ‘Na sommige interviews krijg ik mails met racistische verwijten’, vertelt de jonge vrouw. ‘Daarom zal ik nooit de naam van mijn kinderen in de krant vermelden. Dat is uit angst. Er moet maar één zot zijn.’

Damya Laoui (35)

Damya Laoui werd geboren in Eigenbrakel en studeerde als bio-ingenieur af aan de Vrije Universiteit Brussel. Voor die universiteit werkt ze nu, net als voor het Vlaams Instituut voor Biotechnologie. Ze ontwikkelde een vaccin tegen kanker. In 2017 riep het Massachusetts Institute of Technology haar uit tot een van de Innovators under 35 Europe. Een jaar later werd ze door New Scientist bekroond als Wetenschapstalent 2018. Met haar partner en hun twee kinderen woont ze in het Waals-Brabantse Limal.

Haar mails ondertekent ze met ‘Prof. Dr. Ir. - Team-leader Tumor Immunology’ en ze werkt voor twee instellingen met maar één letter verschil. Voor het VIB en de VUB. Het Vlaams Instituut voor Biotechnologie dus en de Vrije Universiteit Brussel. Maar we zijn de taalgrens over gereden, naar Limal, ongemerkt vielen we zo uit onze spraak en in de wijk waar ze woont, zien we borden met ‘Les voisins veillent’. Een rustige buurt met lanen en straten die naar bloemen zijn genoemd en waar we door zullen wandelen. ‘Na mijn studies in Brussel woonden we in een appartement in Elsene. Dat was heel fijn, maar Brussel is te duur. Dus gingen we zoeken, de spoorlijn naar Ottignies volgend en kijkend vanaf waar wonen betaalbaar werd. Limal bleek net over die grens te liggen. Rixensart, het vorige dorp, is nog te duur. Rij je verder, dan wordt het steeds goedkoper.’

Een dorp, in niets te vergelijken met de grootstad, al noemt ze de wijk die al dichter bij Waver aanleunt Limal-stad. ‘Hier heerst de sfeer van een dorp, met een WhatsApp-groep van de buren. Heeft iemand een autostoel nodig? Dan wordt dat in die groep gegooid. Natuurlijk zijn veel mensen die hier wonen nog welgesteld. Ze werken in Brussel, soms voor de Europese Gemeenschap, de meesten stemmen volgens mij Groen of Ecolo. (lacht) Al regeert de MR hier. Onze vorige burgemeester heette Charles Michel.’

©Karoly Effenberger

Geld nodig

‘Dit is Damya Laoui, ooit zorgt zij voor een remedie tegen kanker.’ Op 22 januari 2019 postte het VUB Yamina Krossa Fonds haar foto met daarop die slogan op Instagram. ‘Dat is een probleem’, glimlacht ze, als we (zij op sandalen, wij blij dat het bij een paar regendruppels blijft) op een pad langs een enorm korenveld door Limal stappen. ‘Aanvankelijk stond er zelfs ‘binnenkort’ in plaats van ooit. Als ik van carrière zou willen veranderen en een restaurant zou willen beginnen, is zoiets natuurlijk niet leuk. Dat is niet de bedoeling, maar natuurlijk geeft dat een soort druk. Iedereen weet dat ik mijn best doe. Maar ik begrijp het ook wel: zulke slogans komen er omdat we geld nodig hebben voor ons onderzoek.’

In de immuuntherapie kunnen we heel veel patiënten redden die zonder dat onderzoek op muizen zouden sterven.

Twee jaar geleden, toen u door het wetenschappelijke tijdschrift New Scientist als wetenschapstalent bekroond werd, zei u: ‘Het kan nog vijf tot tien jaar duren voor het vaccin tegen kanker werkt.’ Zit u nog op schema?

Damya Laoui: ‘Het probleem is dat er zoveel administratief werk bij komt kijken en dat we enorm veel geld nodig hebben. Wetenschappelijk zijn we klaar om met dat vaccin te testen. Maar er ontbreekt nog een duur toestel en we moeten nog door een reeks goedkeuringen. Dus durf ik daar nu geen tijdsduur meer op te plakken. Volgens een postdoc die het berekende, zouden we binnen twee jaar kunnen testen. Maar we hebben 1,5 miljoen euro nodig voor een klinische studie in fase 1/2. Onlangs sprak ik met de CEO van Kinepolis. ‘Dat is toch niet zoveel?’, zei hij. Dat klopt, maar geef het me dan. Het probleem is dat hier voor privésponsors niets in zit. Investeren ze, dan krijgen ze daar weinig voor terug.’

Dan zou je als buitenstaander denken: ga als onderzoekster in een groot farmabedrijf werken.

Laoui: ‘Het leuke aan waar ik werk, is juist mijn volledige vrijheid van denken. Soms werk ik samen met de farma-industrie, maar die mensen worden gestuurd door hun raad van bestuur. Die bepaalt welk type onderzoek ze mogen doen. Ik mag dan minder betaald worden en moet ook les geven, ik doe wel wat ik wil. Het zou botsen met wie ik ben als ik me zo zou moeten aanpassen.’

Het leuke aan waar ik werk, is mijn vrijheid van denken. Soms werk ik samen met de farma-industrie, maar die mensen worden gestuurd door hun raad van bestuur. Die bepaalt welk type onderzoek ze doen.
Damya Laoui
Bio-ingenieur

U zou een eigen bedrijf kunnen beginnen.

Laoui: ‘Toevallig ben ik daar met enkele collega’s mee bezig, maar meer kan ik daar nu nog niet over vertellen. Het wordt het eerste bedrijfje waar ik iets ga mee doen.’

Wat ze doet, is ondertussen wel bekend: Laoui onderzoekt het gebruik van zogenaamde dendritische cellen in kankerimmuuntherapie. Als dat woord valt, die ‘dendritische cellen’, veert ze op. ‘Mijn lievelingscel is de macrofaag. Letterlijk betekent dat: grote eter. Je hebt twee soorten. De M1 macrofaag komt virussen of bacteriën tegen en probeert die dood te maken. Tegelijk verwoesten ze alles eromheen. De M2 macrofaag heeft een genezende functie. Patiënten met die tweede soort hebben een slechtere prognose. De vraag is hoe we ze kunnen herkennen en waarom de monocyten (cellen die aanleiding geven tot macrofagen, red.) later de eerste of de tweede soort worden. Toen we die gingen bestuderen, zagen we dat er ook dendritische cellen zijn die goed of slecht kunnen zijn. Dat werd mijn hoofdonderzoek.’

Nooit gedacht dat iemand een lievelingscel kon hebben.

Laoui: ‘Wat ik niet begrijp, vind ik leuk. Macrofagen zijn heel plastisch, afhankelijk van de omgeving kunnen ze veranderen. Als ik ze mag bestuderen, ben ik blij. Ook als een van mijn studenten met een resultaat afkomt waar de macrofaag iets mee te maken heeft.’

De lockdown moet vreselijk geweest zijn voor iemand die zo graag in het labo onderzoek doet.

Laoui: ‘Maar we werken met muizen en die gingen niet in lockdown. Experimenten moesten gebeuren. Dus ik was wel af en toe in Brussel. Terwijl veel labo’s in de VS hun muizen doodden omdat de laboratoria gesloten moesten worden, kregen wij van Leefmilieu Brussel de vraag om erop toe te zien dat we dat níét deden. Brussel is heel erg strikt als het op dierenwelzijn aankomt. Onder druk van activisten denk ik. Bij het grote publiek bestaat de bezorgdheid dat er onder de proefdieren extra slachtoffers gemaakt zouden worden in de zoektocht naar een vaccin tegen Covid-19.’

©Karoly Effenberger

Met welk voorbeeld countert u de kritiek op dierproeven?

Laoui: ‘In de immuuntherapie kunnen we heel veel patiënten redden die zonder dat onderzoek op muizen zouden sterven. Aan dierenliefhebbers zeg ik altijd dat we ook muizen gebruiken om andere dieren te redden. Bijvoorbeeld in de strijd tegen de slaapziektes. Met het inzetten van 2.000 muizen bij een onderzoek kun je misschien een kudde van 1 miljoen runderen redden. Mensen zouden ons animalarium eens moeten zien. Ze zitten met vijf à zes in een kooi, er is kooiverrijking met speeltjes en wc-rolletjes, eigenlijk is het een luxegevangenis. Helaas leidt één onderzoek nooit tot één oplossing. Maar omdat de zwarte muizen genetisch identiek zijn, weten we dat als er twee tumoren hebben en een van de twee geneest door het middel dat we geven, dat een gevolg is van de therapie en het niet aan de muis zelf ligt.’

Een stomme vraag: kweekt u nooit een band met zulke dieren?

Laoui: (lacht) ‘Eigenlijk ben ik bang van muizen. Nu moet ik zelf niet die experimenten uitvoeren, maar toen ik dat wel deed, had ik altijd een dubbel paar handschoenen aan. Maar nee. Je weet van in het begin dat ze uiteindelijk zullen sterven omdat je ze kankercellen inspuit. Alleen als de therapie extreem goed werkt, overleven ze. Maar we mogen die niet laten adopteren. Na een experiment moeten we ze opofferen.’

‘Ze kijken je wel aan en de ene muis is aanhankelijker of vriendelijker dan de andere. Biologen houden eigenlijk van dieren. Maar het is wel belangrijk dat we die proeven doen. Andere labo’s werken met honden of varkens of zelfs met paarden. Dat choqueert mensen omdat ze enkel cijfers zien, maar bij paarden gaat het bijvoorbeeld over revalidatie: hoe reageert een paard met een gebroken poot op dit of dat soort verband. Ik zou niet met apen kunnen werken. Ook niet met katten. Maar het blijft belangrijk dat het gebeurt.’

U sprak daarnet over het gebrek aan geld om de test van het vaccin tegen kanker sneller door te zetten. Hoe lastig is het om nu te zien hoeveel geld er is om corona te bestrijden en voor de zoektocht naar dat vaccin?

Laoui: ‘We kennen het gevaar van virusinfecties al heel lang. Bill en Melinda Gates zetten daarvoor een pak geld opzij. Ik vind het niet erg dat veel geld wordt vrijgemaakt, ook al sterven vandaag nog altijd meer mensen aan de gevolgen van kanker of door hartfalen dan door corona. Of er een goed vaccin komt, is een andere vraag. Een vaccin werkt op het creëren van een immunologisch geheugen. Stel dat ze nu iets vinden, dan is het niet zeker dat het werkt op het virus dat volgend jaar gemuteerd kan zijn.’

Kriebelde het niet om éven dat kankeronderzoek opzij te zetten en mee te zoeken?

Laoui: ‘Er is geld vrijgemaakt om na te gaan welke impact Covid-19 op kankerpatiënten kan hebben. Wij genereren bepaalde stoffen om bepaalde cellen te detecteren in tumoren. Die kunnen ook een rol spelen bij corona. Maar ik ga mijn focus niet verleggen. Het zou voor mij veel te veel tijd in beslag nemen om er goed genoeg in te worden.’

Ze had, zegt ze, de dreiging van corona niet eens zo door. Op een lezing die ze op 23 januari in Brussel gaf, luisterde een militair toe. Die vroeg wat ons land zou doen als ‘dat virus uit China’ zou overwaaien. ‘Hij zei dat we daar in ons land niet op voorbereid waren. Een van de collega’s, die in de zaal zat, werkt in Zuid-Korea. Die zei: ‘Maak je geen zorgen, het zit in Zuid-Korea en het gaat goed. Het is een zware griep.’ Er zijn ongeveer 400.000 griepdoden per jaar. Toen ik begin februari les gaf, zei ik dat aan mijn studenten: ik zou me niet te veel zorgen maken. De paradox is dat corona eigenlijk niet dodelijk genoeg is. Anders dan ebola. Wie sterft aan ebola, verspreidt het niet meer. Corona blijft rondgaan. Ik was dus redelijk naïef, maar ik begrijp niet dat de politiek geen lessen trok uit hoe Zuid-Korea het aanpakte. Meteen lockdown én mondmaskers. Met dictatoriale veiligheidsmaatregelen moet je oppassen, maar in dit geval was het wel goed geweest.’

De paradox is dat corona eigenlijk niet dodelijk genoeg is. Anders dan ebola. Wie sterft aan ebola, verspreidt het niet meer. Corona blijft rondgaan.

Lopend door Limal, waar de buren dus waken, valt op hoe ze niet opvalt. Laoui, met legging, topje en goede sandalen, is een vrouw zoals de buurvrouw. We wandelen zonder mondmasker, al had ze vooraf wel geteld. ‘Jullie kwamen met twee, vanavond ga ik met twee vriendinnen eten en morgen heb ik een barbecue. Maar alles samen kwam ik niet aan 15.’ Door een straatje nu dat Chemin de Messe heet, richting de school in Profondsart, waar haar kinderen normaal les krijgen.

Zo kom je bij haar kindertijd. West-Vlaamse mama uit Duinbergen, kleuterleidster die een Algerijn die in Lille studeerde ontmoette. Toen die man overleed, huwde ze Damya’s vader, ook een Algerijn. Zij werd geboren in Eigenbrakel. In archieven vind je dat ze zoölogie wilde studeren, maar omdat dat enkel in Gent kon en er geen geld was voor een kot, bleef ze in Brussel. Je zou dat serendipiteit kunnen noemen: je vindt iets terwijl je eigenlijk iets anders zocht. Een roeping was het dus niet? ‘Nee, en mijn job beschouw ik als een luxejob. Ik mag bestuderen wat me passioneert en ik word ervoor betaald. Mijn broer werkt bij Delhaize, verkoopt er onder meer wijn, maar hij vult ook rekken. Dat is zijn werk, zijn leven begint na zijn uren. Bij mij gebeurt dat al tijdens mijn uren. Hij is tien jaar ouder en kreeg de kansen niet om te studeren zoals ik ze wel kreeg. Dat is jammer, want eigenlijk is hij veel slimmer dan ik.’

©Karoly Effenberger

12 maart 1985 werd ze geboren. Dat is, heel toevallig, exact dezelfde dag als de dag waarop Paul Van Haver werd geboren. Stromae. Ze weet dat. ‘Maar ik denk niet dat er een connectie bestaat omdát we op dezelfde dag geboren zijn. Tijdens mijn zwangerschap heb ik ‘Racine carrée’ (Stromaes tweede album, red.) wel heel vaak beluisterd. Later was mijn zoon een huilbaby en ‘Moules frites’ (het zevende nummer op dat album, red.) maakte hem helemaal kalm.’

‘Paulo aime les moules frites, sans frites et sans mayo’

‘Paulo aime les moules frites, sans frites et sans mayo’

Het is een bezwerend deuntje, geschreven door een man die net als Damya Laoui een gemengde achtergrond heeft. Hij Belgisch-Rwandees, zij Belgisch-Algerijns dus. Haar vriend is dan weer een Belg die in Rwanda opgroeide met een Belgische papa die in Congo werd geboren en een Hongaarse mama. Wat zegt dat allemaal over identiteit? ‘Daar heb je twee soorten van: de identiteit die je jezelf geeft en welke waarden je van belang vindt en de identiteit die je gegeven wordt. Ik ben opgevoed in een Kabylische familie. Dat zijn geen Arabieren, maar heel mijn jeugd hoorde ik in België ‘sale Arabe’ roepen. Terwijl ik het niet ben. Maar ik leerde het te aanvaarden omdat iedereen me zo bekeek. In de middelbare school in Etterbeek hoorde ik ‘vuile Waal’ en in Wallonië ‘sale Flamande’. Mijn peter kwam uit Congo en bij hem waren vaak feestjes. Daar werd ik gezien als wit. Of blank. Op school was ik de Algerijnse. Dan wordt het moeilijk te weten wat je bent en hoe belangrijk dat is. Aan mijn kinderen van 3 en bijna 7 probeer ik mee te geven dat ze verschillende roots hebben. Dus probeer ik hen ook de Algerijnse keuken en muziek bij te brengen. Mijn vriend, die Franstalig is, spreekt Frans met hen. Ik Nederlands.’

Wij vragen nu ook naar die identiteit. Stoort u dat?

Laoui: ‘In elk artikel staat ‘half-Algerijnse’ of ‘wetenschapster met een migratieachtergrond’. Ik zou liever hebben dat er gewoon ‘wetenschapster’ staat. Maar het is zo schaars dat het andere mensen misschien kan helpen. De identiteit waar de politiek het over heeft, vind ik bullshit. Voor mij bestaat er geen Vlaamse of Waalse cultuur. Hooguit Belgische, met gewoontes en festiviteiten. Maar ben je daarom anders? Misschien eet jij vroeger dan ik, maar we eten wel hetzelfde. (glimlacht) Soms toch.’

Ik vind sollicitaties zonder naam een goed idee. Ik heb zelf één keer onder een andere naam gesolliciteerd, maar uiteindelijk durfde ik toch niet te gaan.

‘Ik hou er niet van als mensen naar de verschillen zoeken. Toen ik Yamina Krossa (ex-kankerpatiënte en nadien stuwende kracht in fondsenwerving voor onderzoek, red.) aan mijn moeder voorstelde, vroeg zij me meteen: ‘Is ze Kabylisch of Arabisch?’ Terwijl dat voor mij helemaal niets uitmaakt.’

Het zegt wel iets over hoe vooroordelen in elke gemeenschap ingebakken zitten.

Laoui: ‘Volgens mijn familie, of de oudere generatie toch, zijn de Kabyliërs de oer-Algerijnen, maar namen de Arabieren het later over en brachten die de islam en de hoofddoek mee. Kabyliërs zijn Berbers uit een streek in het noorden van het land. Mij is vaak de legende verteld dat zoveel Kabyliërs, zoals mijn grootmoeder ook, blauwe ogen hebben omdat ze afstammen van vikings die ooit in Algerije belandden. Mijn vader was jood, zijn vader was dan weer een moslim en zijn moeder een joodse. Thuis werden mij als kind stukken uit de Koran, de Bijbel en de Thora voorgelezen. Een broer was een tijdje boeddhistisch. Mijn moeder was dan weer christelijk opgevoed, maar niet gelovig. Ze vonden dat ik moest weten wat er allemaal bestond.’

‘Ik heb nooit in Algerije gewoond, ik was er wel vaak, maar dat is nu al een tijd geleden. Mijn vriend en ik zijn niet getrouwd, dat ligt delicaat in de familie. Maar ik voel me zeker verwant. Onlangs stierf Idir, de grootste Kabylische zanger. Daar was ik twee dagen slecht van. Als kind luisterden we van ’s ochtends tot ’s avonds naar die muziek, hij durfde te zeggen dat we bestaan en hield onze taal levend.’

‘Elk moment is een keuze’, schrijft Edith Eva Eger, een overlever van Auschwitz, in haar boek ‘De keuze’. ‘Hoe frustrerend, vervelend, uitputtend, pijnlijk of beklemmend onze ervaring ook is, we kunnen altijd kiezen hoe we reageren. En eindelijk begin ik te begrijpen dat ook ik een keuze heb. Dat besef zal mijn leven veranderen.’ De vraag is hoe iemand, die een heel leven lang om haar afkomst beschimpt wordt, reageert en keuzes maakt. Ze legt het uit. ‘Onlangs gaf ik een talk op een evenement. Na afloop kwam een oudere heer, ik schat dat hij 75 was, naar me toe. ‘Fantastisch’, zei hij. ‘Ik vind het geweldig te zien dat ook mensen uit Algerije zo slim kunnen zijn.’ Ik probeerde rustig te blijven en hem uit te leggen dat heel veel mensen in andere landen even slim zijn. ‘Jaja,’ zei hij, ‘maar op IQ-testen scoren ze toch slechter.’ Dat die testen heel erg gefocust zijn op kennis uit het Westen was voor hem geen argument.’

©Karoly Effenberger

‘Toen ik voor mijn postdoc in Zwitserland studeerde aan de universiteit van Lausanne, de minst rechtse stad daar, verschenen plots enorme affiches waarop een groep witte schapen een zwart schaap buitensjotten. Toen ik daar een opmerking over maakte, haalde iedereen de schouders op. Ze bleven hangen. Als kind heb je twee mogelijke reacties op racisme. Of je wordt heel hard, of je breekt. Ik ben hard geworden. Maar als ik die mails binnenkrijg met verwijten, vraag ik me toch af: wat heb ik eigenlijk misdaan?’

16 maart 2000. In de krant De Standaard valt onder de titel ‘Schoon Vlaams’ in een artikel over derdejaarsstudenten van het Koninklijk Atheneum van Etterbeek voor het eerst haar naam. Met haar klasgenoten doet Laoui mee aan een enquête over hoe ‘schoon Vlaams’ het ‘algemeen Nederlands verdringt.’ Ze herinnert zich dat artikel niet. Dat in diezelfde klas een Dries Van Langenhoven zat, met -n achteraan, weet ze wel nog. ‘Maar het is een andere, toevallig met bijna dezelfde naam.’ Natuurlijk valt Laoui op. Al is ze niet de enige in de klas met een kleurrijk klinkende achtergrond. Naast Van den Broeck, De Waele en Philipsen zitten Gucasoff, Villanueva O’Driscoll, Bghiel en Retz. In België is ze wel de enige Damya Laoui. ‘De traditie wil dat in de familie nooit dezelfde voornaam wordt gegeven als iemand die nog in leven is.’

Hoe vaak hebt u gevloekt op die voornaam? Met een West-Vlaamse mama had u net zo goed Annelies kunnen heten.

Laoui: ‘Toen ik tussen mijn 14de en 18de voor studentenjobs solliciteerde, werd mijn cv nooit aanvaard. Ging ik gewoon ter plaatse, dan werd ik aangenomen. Ik heb in cafés en bars gewerkt, lesgegeven, bij Europ Assistance gewerkt, ik was monitrice op een kinderboerderij, aan verkeerslichten verkocht ik boekjes voor Zygus, ik vertaalde wetenschappelijke teksten, verkocht zelfgemaakte armbandjes, noem maar op... Maar ik ga heel eerlijk zijn. Ik zie in de klassen waar ik lesgeef ook dat Jean-Pierre en Marie-Elise meestal betere punten hebben dan Farid en Khadija. En ik betrap me erop dat ik, als ze voor mondeling komen, vooroordelen heb. Dat is wrang, daarom ga ik meewerken aan een VUB-programma rond equality om die vooroordelen uit de weg te gaan.’

Vindt u daarom dat die praktijktests wél een goed idee zijn?

Laoui: ‘Dat weet ik niet, maar ik vind wel dat sollicitaties zonder naam een goed idee zouden zijn. Ik heb zelf één keer onder een andere naam gesolliciteerd, maar uiteindelijk durfde ik dan toch niet te gaan.’

Wat Laoui betekent, daar heeft ze geen idee van. Van Damya weet ze het wel: Damya komt van een Berberse koningin die het in de zevende eeuw opnam tegen de Arabieren. ‘Ze werd ‘la devineresse’ genoemd: zij die kan raden. Ze was een feministe. Ik vind het wel fijn dat ik genoemd ben naar een vrouw die het leger leidde.’ Haar papa is er niet meer. Zeven jaar geleden overleed Laouis vader aan de gevolgen van longkanker. We staan ondertussen midden de velden van Limal, de wind waait. ‘Ik was in het labo aan het werk toen ze me belden. Ik ben meteen naar het ziekenhuis gereden en hij is uiteindelijk in mijn armen gestorven.’

Kon u afscheid van hem nemen?

Laoui: ‘We hadden de laatste jaren niet veel contact. Hij had problemen gehad. Ik kan er niet zoveel over vertellen. Hij werd uiteindelijk 61. Wat het extra moeilijk maakte, was dat ik zes maanden zwanger was van mijn eerste kind. Ik had gehoopt dat hij mijn zoon nog zou zien.’

‘Een broer van me is ook overleden. Dat was bijzonder zwaar. Als je vader sterft, lijkt dat meer het normale verloop van de tijd. Met de dood heb ik een heel rare relatie. Ik vind het niet erg om dood te gaan. Mijn broer overleed toen ik twaalf was, ook mijn meter verloor ik snel en in de Afrikaanse tak van de familie kwam ik voor het eerst in contact met kanker. Iedereen moet zijn passage maken in het leven en ik geloof niet in iets nadien. Als ze mij nu zouden zeggen dat ik over twee jaar zou sterven, dan zou ik dat vooral erg vinden voor mijn kinderen, mijn partner en mijn moeder.’

In een interview met Kurt Van Eeghem stelde u hem ooit de vraag: ‘Waarom zijn mensen zo bang om te sterven?’ Wat zou u op uw vraag antwoorden?

Laoui: ‘Omdat de dood onbekend is en omdat ze verliezen wat ze hebben. Hoewel ik niet weet of mensen bang zijn om te verliezen of om verloren te worden. Volgens mij is het dat laatste. We weten wat het met ons doet als iemand sterft. Dus de gedachte dat je iemand die pijn aandoet als je sterft, maakt het zo lastig.’

Wat hebt u nog van uw vader?

Laoui: ‘Een foto in mijn portefeuille natuurlijk. En zijn gitaar. Waar ik overigens niet op speel. Ik heb wel altviool, piano en djembé gespeeld.’

U werd geen muzikante, maar dus kankeronderzoekster. Hoe is het eigenlijk om erkenning te krijgen?

Laoui: ‘In het begin heel raar. Ik krijg prijzen, terwijl ik nog niets gedaan heb. En het is teamwork. Het is ook niet zo bijzonder. Alleen hebben die prijzen me wel geholpen om sneller prof te worden. Maar ik zal het pas geweldig vinden als ik een therapie heb die mensen in het ziekenhuis kan helpen.’

Wel vreemd is dat u vaak vertelt over hoe u fysiek tot het uiterste gaat. Ten koste van uw gezondheid. Allemaal om andere mensen te genezen. Is het dan toch een roeping? En wat met de zelfzorg?

Laoui: ‘Ik stel me niet zoveel vragen over leven en welzijn, dat vind ik tijdverlies. Ik weet wel wat ik aankan en wat niet en ik vang signalen op. Als ik te veel werk en te veel druk heb van deadlines, worden mijn kinderen lastig. Dan weet ik dat ik moet opletten. Sinds ik kinderen heb, ga ik niet meer zo ver. Zij zijn belangrijker dan mijn passie en ik wil niet zoveel tijd en energie steken in wat ik doe om dan thuis uitgeput voor hen geen tijd meer te hebben.’

‘Veel topwetenschappers hebben trouwens geen kinderen. De druk om te publiceren is enorm. Er is voortdurend competitie en die publicatiestrategie leidt tot veel uren en veel tegenslagen. Als je paper in Nature of Science gepubliceerd wordt, is dat goed voor je cv en dus voor je funding. Je moet de eerste zijn. Daarom pleit ik al lang voor een basisfunding. Maar ik ken veel wetenschappers die er helemaal zot door geworden zijn. Mij hebben mijn kinderen geholpen om evenwichtig te zijn.’

©Karoly Effenberger

Zo is het rondje Limal gelopen. We letten weinig op straatnamen, zagen wel een huis geplamuurd met boeken, ‘Les livres font le mur’ stond er, het is een open bibliotheek. Verder een ‘habitat groupé’, een project waar tien gezinnen samen wonen en gemeenschappelijke ruimtes delen. ‘Tijdens de lockdown werden ze beschouwd als één gezin.’ Voorts een plukveld waar Laoui groenten kan halen. We liepen over smalle aardewegen, tussen mais en bos. Een brommer met twee tieners verstoorde maar even scheurend de rust.

Terug thuis valt ’s avonds om 23.05 uur een mail van Damya Laoui binnen. Er zit een link bij en daarin opent ‘le nuage des prénoms’. Een wolk die gevormd wordt door een tabel met daarop de voornamen van geslaagden van het Franse eindejaarsexamen. Mohamed, Mehdi en Sofiane scoren duidelijk slechter, maar ook Kylian, Jordan en Cassandra doen dat. Wie Chloé, Manon, Valentin, Lucie of Lucas heet, doet het beduidend beter. ‘Eigenlijk geeft die tabel een objectief beeld van de maatschappij. Kinderen met een migratieachtergrond, maar ook kinderen uit lagere sociale milieus doen het veel minder goed’, had ze erover gezegd. ‘Er is nog veel werk.’

Volgende week: Claire Tillekaerts, de topvrouw van Flanders Investment & Trade (FIT).

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie