column

De kunst van het voetbal

Redacteur Weekend

Tijdens de sportzomer overschouwt Rik Van Puymbroeck dagelijks wat op en naast de sportarena gebeurt.

Op weg naar de achtste finales in Sevilla kan iemand dat plaatje nog eens draaien, van de Rode Duivels die naar Spanje gaan. Zoek het even op en zet de tijd stil. Marc Baecke, Ludo Coeck en Swa Van der Elst zijn dood, het haar van René Verheyen is een beetje vettig en Marc Millecamps zingt amper mee. Het ging over het WK (‘misschien wel wereldkampioen’) en de euro bestond nog niet.

Grote muziek levert voetbal niet op (nee, Martin Garrix en Bono), al is er wel ‘J.O.S. Days’ van de Nits. Het lied gaat over de Amsterdamse club JOS (Jeugd Organisatie Sportclub) Watergraafsmeer die door de opa van zanger Henk Hofstede werd gesticht en hij - de zanger - was de eerste van de familie die niet mocht toetreden tot de club. Een testmatch besliste: ‘So in one day, in one match/you had to prove your ability/I was knocked out, a real disgrace/A break with the family tradition of the J.O.S. Days.’ De club bestaat nog, de zanger zingt nog, het lied speelt voor elke thuismatch.

Dat voetbal kunst is, hoor je vaak en wie Kevin De Bruyne, N’Golo Kanté of Memphis Depay bezig ziet, gelooft het. Maar levert het ook kunst op? Op doeken van Raoul De Keyser zie je lijnen, de cornervlag, een net. Kunstenaar Philip Aguirre y Otegui beeldhouwde een omhaal van Pelé, de Braziliaanse balkunstenaar die door Andy Warhol werd geschilderd. Nicolas de Staël schilderde onder meer ‘Les Grand Footballeurs’. De goal van Robin van Persie op het WK van 2014 tegen Spanje was meteen videokunst.

Toen Cees Nooteboom vorige week vertelde over het EK keken we ’s avonds op YouTube naar een fragmentje van 1’12”. Tik ‘Albert Camus football’ in en u ziet de schrijver op een tribune een interview geven terwijl hij naar een match kijkt. ‘J’étais goal au Racing Universitaire Algérois’, vertelt hij en verder zegt hij gewoon wat hij ervan denkt dat hij net de Nobelprijs Literatuur heeft gewonnen. In een dun boekje met de eenvoudige titel ‘Voetbal’ buigt hij zich over het spel en de magie. Hij schrijft: ‘Mijn kinderblik heb ik niet meer, maar nog steeds neem ik met de argeloze onbevangenheid van het kind de magie van de kleuren bij het voetbal in me op, het aan geen tijdperk gebonden groen van het veld en de shirt van de spelers…’

Het vat het helemaal samen. We wilden allemaal voetballer worden en vanaf de aftrap willen we weer dat kind zijn. Met woorden van Herman De Coninck: ‘geboren worden en een lichaam hebben/en er dan gedurende een blauwe maandag/Johan Cruijff mee zijn.’

Lees verder