analyse

Er zit ruis op de digitale link met uw dokter

Op afstand je dokter consulteren, nam een vlucht in de coronacrisis. ©BELGA

De coronacrisis gaf een voorsmaakje van hoe zorg er in de toekomst kan uitzien: online, op afstand en hopelijk efficiënter. Maar typisch Belgische ziektes, zoals de versnippering van geld of mankracht, zijn nog niet genezen. ‘De technologie was er, het kader is er nog altijd niet.’

Wie vandaag pijn heeft aan de borst, belt de huisarts en gaat langs. Die luistert naar de klachten, haalt zijn stethoscoop boven, meet de bloeddruk en verwijst door naar de specialist. Als technologie dat plaatje zou hertekenen, zou het zo kunnen: u boekt online een afspraak voor een videogesprek. Bij de bevestiging zit een QR-code voor een hartritmestoornisapp en een vragenlijst over andere symptomen. De afspraak is pas over een week, maar u meet vanaf nu met de app geregeld uw hartritme. Een chatbot loodst u door een vragenlijst en filtert daar met behulp van algoritmes mogelijke diagnoses uit. Bij de consultatie staat de specialist dan meteen een heel eind verder.

Diagnose

Wereldwijd loopt gezondheidszorg zo’n tien jaar achterop in digitalisering. Door versnippering en een wirwar van regels om digitaal data uit te wisselen maken ziekenhuizen pas op de plaats en blijft vernieuwende technologie rond een oud en log systeem cirkelen.

Dat zet een rem op een omwenteling die broodnodig is om efficiënter te werken: de shift van het fysieke bezoek aan de dokter naar digitale zorg op afstand.

Remedie

Er worden stappen gezet: vanaf 2020 zijn elektronische voorschriften verplicht voor huisartsen en het gebruik van elektronische medische dossiers neemt elk jaar toe.

Maar de huidige software is nog te gefragmenteerd. Er moet een standaard komen om vlot data uit te wisselen - tussen ziekenhuizen, maar ook tussen interne afdelingen. Zo moeten ook externe toepassingen makkelijker kunnen aansluiten op de bestaande systemen.

Verre toekomst? Niet noodzakelijk. Het gebeurt al fragmentarisch in onze zorg, en kreeg door de coronacrisis wind in de zeilen. Niet-essentiële zorg stond tussen midden maart en begin mei verplicht op pauze, of verliep online. Er werd getornd aan wat in de Belgische zorg een sacrale status heeft: fysiek de dokter zien.

Tijdens de lockdown zagen artsen twee derde minder patiënten fysiek, blijkt uit cijfers van de online reservatiebeheerder Doctena. Digitale zorg floreerde wel. 1.300 patiënten in 36 Europese ziekenhuizen lieten hun hartritme op afstand checken voorafgaand aan een teleconsult, met de app van het Limburgse Fibricheck.

1.300
Patiënten
1.300 patiënten in 36 Europese ziekenhuizen lieten hun hartritme op afstand checken voorafgaand aan een teleconsult, met de app van het Limburgse Fibricheck.

De eerste coronagolf legde zo de basis voor de digitale invasie van onze zorg. Heeft het zin in de auto te stappen voor een check-up, of voor een voorschrift van een medicijn dat u al jaren neemt? Vooral teleconsultaties worden na jaren in de taboesfeer een blijver. Zelfs een moloch als het UZ Gent waagt zich nu aan consultaties op afstand. ‘De technologie was er, het kader niet’, stelt hoofd informatica Christiaan Polet.

Videobelfunctie

‘Artsen werden niet vergoed, patiënten niet terugbetaald.’ Sinds het begin van de crisis dekt het ziekenfonds zo’n teleconsult wel. Minister van Volksgezondheid Maggie De Block (Open VLD) werkt aan een regel om ook na corona de teleconsultaties financieel te dekken. ‘Die financiële prikkel was cruciaal. Veel artsen zagen de meerwaarde, bijvoorbeeld voor de opvolging van chronische patiënten’, zegt Polet.

Doctena-CEO Patrick Kersten. ©SISKA VANDECASTEELE

Doctena-CEO Patrick Kersten sprong op de kar en integreerde een videobelfunctie bij zijn 4.000 Belgische klanten. Hij ziet potentieel, vooral voor de groeiende groep chronisch zieken. Drie op de tien Belgen gaven in 2018 aan met een chronische ziekte te kampen. Dat telt mee voor 70 à 80 procent van de Belgische zorg. Het aantal vermijdbare ziekenhuisopnamen voor die groep ligt in ons land op 600 per 100.000 inwoners. Duitsland doet het als enige West-Europese land slechter. ‘Chronische patiënten met al jaren dezelfde problematiek krijgen veelal een gewone check-up. De dokter kent het dossier en stelt vragen ter controle’, zegt Kersten. 

Revalidatieapp

Ook telemonitoring via medische apps kent een gestage opmars. De revalidatieapp MoveUp kreeg vorige week 2,7 miljoen euro uit het Europese Horizon 2020-fonds. Met de app revalideert een patiënt na een operatie voor een bot- of spierprobleem thuis. ‘De specialist kan via de app continu bijsturen’, legt stichter Ward Servaes uit. ‘Het systeem verzamelt data via vragenlijsten, slimme horloges of fitnessbandjes. Met de hulp van algoritmen kan de specialist beter bepalen welke oefeningen nodig zijn, op welk moment van de dag, en welke medicatie nodig is.’

Piet Van de Steen en Tom Van De putte van Bingli. ©SISKA VANDECASTEELE

Is toch een fysieke raadpleging vereist, dan kan technologie die efficiënter laten verlopen. Piet Van de Steen en Tom Van De Putte braken zich al in 2015 het hoofd over hoe het begin van de consultatie vlotter kan verlopen. ‘Het antwoord was: door een deel van de vragen al op voorhand te stellen. Het is voor een patiënt moeilijk om op een consultatie de informatie te geven die medisch relevant is. Als die informatie dan al bekend is, is dat aangenamer voor de patiënt en makkelijker voor de arts’, zegt Van de Steen.

Het resultaat werd Bingli. De chatbot heeft een voet aan de grond in tien Belgische ziekenhuizen en kreeg er tijdens de crisis 500 huisartsen als klant bij. Maar het bedrijf botst ook op limieten. ‘Eén vraag komt altijd terug: hoe krijg ik de data die Bingli verzamelt in de medische dossiers? Je boekt nog grotere efficiëntiewinsten als dat vloeiend zou kunnen. Maar je moet koppelen met bestaande ziekenhuissoftware die oud, log en weinig dynamisch is. Daar is mankracht noch interesse voor. De ziekenhuizen zien het als moeite, niet als winst.’

Hoe werkt de chatbot Bingli?


Burcht

De uitwisseling van data verloopt in ons land niet zoals het moet, vindt Van de Steen. Een uniforme datastandaard ontbreekt en de klassieke softwareleveranciers werken daar ook niet altijd aan mee. ‘De dominante leveranciers van het elektronische patiëntendossier weren derde partijen. We cirkelen rond een burcht, maar geraken niet binnen.’

De technologiediscussie is onlosmakelijk verbonden met de financiering en de organisatie van de zorg.

Al gaat het niet om één burcht, maar meerdere. In België zijn er ondanks de kleine markt veel softwareleveranciers voor dat patiëntendossier. Dat bemoeilijkt informatiedeling, signaleert Pedro Facon, de directeur van de federale overheidsdienst Volksgezondheid. ‘Een monopolie is te mijden. Maar zelfs in één ziekenhuisnetwerk heb je soms nog verschillende softwarepakketten die niet met elkaar praten.’

België kan leren van Nederland, vindt Lars Grieten. Samen met Bieke Van Gorp is hij de oprichter van Fibricheck, de app die hartritmestoornissen op afstand detecteert. In Maastricht was de integratie van de app met het ziekenhuisnetwerk geklaard in drie weken. In België zoekt Fibricheck al twee jaar toegang tot de systemen. ‘Er zijn 3.000 manieren om data te delen in de zorg, maar die zijn zelden aangepast aan nieuwe zorgoplossingen.’ De voorsprong van Nederland is geen verrassing. Uit onderzoek van Zorgnet-Icuro uit 2016 bleek dat onze ziekenhuizen toen 2,6 procent van hun omzet investeerden in IT. In Nederland was dat 4,9 procent.

Lars Grieten en Bieke Van Gorp van Fibricheck. ©SISKA VANDECASTEELE

Het zijn oude cijfers, omdat het vierjaarlijkse onderzoek dit jaar door de crisis niet herhaald werd. Maar investeringen in IT werken door op de lange termijn, ook omdat ze zich later terugbetalen. Mensen op afstand preventief screenen via apps is goedkoper dan dure behandelingen achteraf. Elke geïnvesteerde euro in preventie laat zich vier keer terugverdienen. Maar België heeft nog een lange weg te gaan: het geeft 2 procent van zijn zorgbudget aan preventie, het Europese gemiddelde is 3 procent. Op 100.000 mensen telt ons land 155 overlijdens die vermeden hadden kunnen worden. In Nederland zijn dat er 135.

Verschillende databases

De voordelen van de digitalisering liggen voor het grijpen, maar de realiteit is anders. Dat bleek tijdens de coronacrisis. ‘Bij het begin van de crisis was er nood aan data over de beschikbare capaciteit, maar ook klinische gegevens over het nieuwe ziektebeeld’, legt Ingel Demedts van het Roeselaarse AZ Delta uit. ‘Voor veel ziekenhuizen is zoiets al snel administratieve ballast boven op het klinische werk. Ze moeten de data putten uit verschillende databases, waar de documenten zijn opgesteld in verschillende formaten.’

De chatbot Bingli heeft een voet aan de grond in tien Belgische ziekenhuizen en kreeg er tijdens de crisis 500 huisartsen als klant bij.
500
huisartsen

Als data vlotter uitgewisseld worden, zijn crisissen zoals corona beter te bestrijden. Maar het laat zich ook voelen in de dagelijkse zorg. Een voorbeeld is het Collaboratief Zorgplatform (CoZo), een digitaal samenwerkingsplatform vanuit de federale overheid waarmee patiënten, zorgverleners en zorginstellingen veilig medische gegevens met elkaar kunnen delen. ‘70 à 90 ziekenhuizen delen er maandelijks 1 miljoen resultaten’, stelt Polet, die er gedelegeerd bestuurder is. ‘Die betere informatiedoorstroming verbetert het zorgproces.’

Als versnippering de bovenhand neemt, gaan die schaalvoordelen aan ons voorbij. Ziekenhuizen dreigen dan niet verder te geraken dan wat basistoepassingen. ‘De meerderheid van de Belgische ziekenhuizen heeft het financieel moeilijk’, stelt Demedts. ‘De IT-teams focussen op de basis, zoals het patiëntendossier en de facturatie.’ De technologiediscussie is zo onlosmakelijk verbonden met de financiering en de organisatie van de zorg. Ook de dokter uit het voorbeeld in het begin zou in het oude regime afgestraft zijn: wie fysiek geen patiënten ‘zag’, kon daar niet voor vergoed worden. Het coronavirus zette daar al een punt achter.

Lees de reeks 'Lessen uit de coronacrisis voor onze zorg' in ons onlinedossier.

Lees zaterdag een dubbelinterview met Inge Vervotte, ex-CD&V-minister van Volksgezondheid en voorzitter van de zorggroep Emmaüs, en Pedro Facon, topman van de federale overheidsdienst Volksgezondheid.

Lees verder

Advertentie
Advertentie