‘Dat andere, lichtere leven bestaat ook'

©Karoly Effenberger

Het donkerste van de mens is hun werkterrein. En dat komt bij momenten stevig binnen. Maar suïcide-experte Gwendolyn Portzky en strafpleitster Christine Mussche kunnen goed loslaten als het moet.

Het lijkt alsof ze het hebben afgesproken, zo complementair gekleed verschijnen Christine Mussche (62) en Gwendolyn Portzky (44) op de afspraak. De strafpleitster is volledig in het wit, van trenchcoat tot sneakers. De psychologe draagt zwart, van korte jurk tot muiltjes.

Christine Mussche (62) studeerde rechten in Gent. Ze is strafpleiter, gespecialiseerd in zedenzaken. Haar bekendste zaak is de verdediging van de slachtoffers van misbruik in de kerk, samen met haar vennoot Walter Van Steenbrugghe. Eerder trad ze op in de zaak-Van Noppen, de zaak van de vermoorde rijkswachter Peter De Vleeschauwer en het  dossier-Regina Louf (‘X1’).

 Gwendolyn Portzky (44) is directeur van het Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie. Ze studeerde psychologie en medische wetenschappen. Aan de Universiteit Gent is ze professor medische psychologie en leidt ze de Eenheid voor Zelfmoordonderzoek.

 

We installeren ons in een groen duinpannetje ter hoogte van Fort Napoleon op de oosteroever van Oostende, waar het zelfs op een warme vakantiedag stil en rustig is. De zomer heeft zijn tweede adem gevonden. De zon brandt. ‘Is het gepermitteerd mijn gilet uit te doen?’, vraagt Mussche zich hardop af. Portzky hangt haar mals leren jasje over de strandstoel.

Mussche heeft haar stoel strategisch geplaatst. In 2000 werd ze van de ene op de andere dag doof aan haar linkeroor. De dokters vonden geen verklaring. ‘Een gehoorzenuw kan niet regenereren, dus dit is voor altijd. Het gebeurde in de periode dat ik het bericht kreeg dat mijn broer (Johan, de opvolger van haar vader Jeroom aan het hoofd van bedrijf Spector Photo Group, red.) ongeneeslijk ziek was. Mijn zus is ervan overtuigd dat dat de reden is van mijn plotse doofheid. Ik heb het opgezocht, er zijn gelijkaardige gevallen bekend. Maar ik weet niet of het klopt. Ik kan ermee omgaan, maar het kan vermoeiend zijn.’

Ze kennen elkaars werk, maar tot een ontmoeting kwam het nog niet. De mens, la condition humaine, is hun vakgebied. Mussche is een strafpleiter, een van de weinige vrouwen in het vak. De operatie-Kelk, de nog altijd lopende zaak over grootschalig misbruik in de Belgische katholieke kerk, maakte haar bekend. Evengoed verdedigt ze daders van zedendelicten. En de jonge vrouwen die zouden lastiggevallen zijn door de tv-ster Bart De Pauw, een dossier dat het gerecht nog aan het onderzoeken is.

Portzky is als directeur van het Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie een belangrijke stem als het over zelfdoding gaat. Het is een domein waarin onze regio wereldwijd koploper is: gemiddeld worden 55 zelfmoordpogingen per dag geregistreerd. Portzky begeleidt patiënten met zelfmoordneigingen, maar werkt ook als klinisch psychologe en is verantwoordelijk voor de preventie van burn-out bij artsen-specialisten aan de opleiding geneeskunde van de Universiteit Gent.

Voor wie elke dag in de krochten van de geest wroet, moet ontspanning belangrijk zijn. Hoe laten ze los? ‘Heel gemakkelijk’, klinkt het spontaan. Al blijkt het na wat doorvragen toch niet zo simpel.

Portzky is net terug van een vakantie met haar gezin in Zwitserland. ‘Vroeger trok ik naar de warmte of deed ik citytrips. Maar sinds ik heb gemerkt dat bergwandelingen me meteen ontspannen, zoeken we steeds meer de bergen op. Ik kan het niet benoemen, maar bergen doen iets met me.’ Het helpt dat het gsm-bereik er doorgaans slecht is, geeft ze toe. ‘De gsm gaat sowieso zo veel mogelijk uit. Maar daar ben je automatisch gedeconnecteerd. Daardoor mis je ook leuke contacten, berichtjes van vrienden. Maar het is goed even zonder prikkels te leven.’

Mussche ging een week met haar volwassen kinderen en haar kleinkind op reis. ‘Daarna heb ik twee weken bij vrienden in Umbrië gezeten. Dat kwam onverwacht, ik was eigenlijk van plan te werken. Dus heb ik me daar maar verdiept in de voorbereiding van een grote assisenzaak, waarin we de nabestaanden van de overleden vrouw bijstaan. En ik heb ook een omvangrijk zedendossier gelezen.’

Dat klinkt niet als zwembadlectuur.

Mussche: ‘Ik heb er nochtans echt van genoten. Ik had meer zin in mijn dossiers dan in de boeken die ik had meegenomen. Het is natuurlijk geen materie die vrolijk stemt, maar de omstandigheden waren aangenaam. ’s Avonds was er tijd om samen te koken, en om fijne, echte gesprekken te voeren. Ik zat in een prachtige omgeving, kon lezen onder een boom of aan het zwembad. In alle rust heb ik me grondig kunnen verdiepen in de materie. Die rust is zeldzaam. Op kantoor komen er altijd mails, telefoons en sms’jes tussen.’

‘Ook op vakantie met mijn kinderen heb ik stukken van medewerkers nagelezen. Ik vind de stijl waarin we ons vak beoefenen heel belangrijk. Ik waak over de gevoeligheden, wil niet dat een betrokkene zich onnodig gekwetst voelt door een formulering. Ik dan dus niet zeggen dat ik ooit echt stop met werken, maar dat vind ik ook niet erg. Mijn werk boeit me nog altijd mateloos.’

Kunt u het ook zo moeilijk lossen?

Portzky: ‘Mijn suïcidale patiënten mogen me altijd mailen, dat is alsof ze tegen me praten. In het weekend lees ik die berichten ook. Bellen kan niet altijd. Als je geen grenzen stelt, hou je dit beroep niet vol.’

‘Elke suïcidale patiënt heeft een veiligheidsplan. Wij maken heel rationele afspraken over wat ze zelf kunnen doen op hun meest kwetsbare momenten. Ze moeten ook leren zelf verantwoordelijkheid te dragen, en niet alles bij één persoon te leggen als ze door emoties worden overmand. Ze weten bij wie ze terechtkunnen als ik niet bereikbaar ben, of als ik drie weken op vakantie ga. Dat werkt goed. Gewoon weten dat er iemand is, is voor iemand met suïcidale gedachten al veel.’

Ik heb geen therapeut nodig, ik heb mijn kinderen.
Christine Mussche

‘Ik ben blij dat ik goed kan loslaten. Anders zou ik het minder graag doen en het niet goed volhouden. Ik haal veel energie uit mijn gezin, of uit een avond weg met vriendinnen. Ik zeg vaak tegen mijn patiënten: omring je met mensen die goed voor je zijn en je graag zien. Met mensen die ook voor je zorgen. Ik zie te veel mensen die alleen maar geven, en vastzitten in relaties die niet goed voor hen zijn. Er is niets mooiers dan delen, ook leed, maar het moet wederkerig zijn.’

Mussche: ‘Natuurlijk zijn er gesprekken met cliënten die binnenkomen. Ik moet soms ook naar adem happen. Maar ik heb geen therapeut nodig, ik heb mijn kinderen. Ze zijn 28 en 31, ik ben intussen ook oma. Wij beleven samen heerlijke momenten. Als een zaak indruk maakt, als ik iets niet van me af kan zetten, bel ik hen op. Dit vak, dat we ernstig en met veel zorg doen, kan zwaar zijn. Maar dat andere, lichtere leven bestaat ook. Daar ben ik me altijd erg bewust van geweest.’

Portzky: ‘Elke avond als ik de garage binnenrijd, staat mijn dochter van negen me op te wachten. Nog voor ik uit de auto kan stappen, zit ze op mijn schoot. Dan voel ik me instant goed, hoe rot de dag ook is geweest. Mijn gezin is mijn basis. Ik weet niet hoe ik me zou voelen als daaraan zou worden gemorreld.’

Maakt het u kwetsbaarder, zo goed te weten waar mensen toe in staat zijn?

Portzky: ‘Ik ben heel alert voor het mentale welzijn van mijn kinderen, misschien zelfs iets te. Het allerbelangrijkste blijft: hoe voelen ze zich? Als er eentje bedrukt rondloopt, zal ik daar meteen op ingaan en dat bevragen.’

Mussche: ‘Het maakt je inderdaad waakzamer. Ik hou de situaties waarin ze kunnen belanden goed in het oog, en heb op het vlak van veiligheid nooit concessies gedaan. Toen mijn zoon als jonge tiener op internaat ging, heb ik hem verteld over misbruik: wat het is, hoe dat gaat en wat je doet als er iets gebeurt dat je niet fijn vindt. Zonder hem bang te maken heb ik duidelijk gemaakt dat zulke dingen kunnen gebeuren. Ook door mensen van wie je het niet zou verwachten. Het zou common knowledge moeten zijn, iets dat scholen en ouders met kinderen bespreken. Zodat zij weten hoe zij kunnen reageren, en zodat daders snel merken dat jonge mensen dat weten.’

‘Maar ik ben wel kwetsbaarder, dat geef ik toe. Hoe ouder ik word, hoe gevoeliger. Ook de mooie dingen kunnen me snel doen huilen. Twee mensen die elkaar graag zien, en hop, ik ben vertrokken.’

Portzky: ‘Iedereen zegt me: ‘Het is zo zwaar wat je doet.’ En dat is waar. Iemand die het leven niet meer wil, die heeft rauwe, tastbare pijn. Je kan dat echt zien en voelen. Maar als je iemand daaruit ziet geraken, zijn leven weer in handen ziet nemen en echt geluk ziet ervaren, dat is een van de schoonste dingen die er zijn. Als je altijd bezig bent met de lelijkheid die de mens kan voortbrengen en ervaren, kan schoonheid je dubbel zo hard raken. Je beleeft sommige dingen intenser.’

De fotograaf moppert over het licht. ‘Te fel. Dat levert geen mooie beelden op.’ Op zijn verzoek strekken Portzky en Mussche even de benen. Ze lopen richting dijk en strand, waar de redders waken over enkele kinderen die zich in zee wagen.

Via klassieke muziek hou ik de herinnering aan mijn vader levendig. Ik mis hem heel erg.
Gwendolyn Portzky

We zijn nog niet uitgepraat over de dingen die het leven mooi en waarachtig maken, blijkt als we ons weer in de duinpan nestelen. Portzky zegt dat ze hard kan genieten van muziek. Als kind heeft ze aan ballet gedaan, ze danst nog altijd graag. Evengoed luistert ze met haar kinderen naar de tienerhiphop van Post Malone, of zingt ze in de auto mee met de elektropop van Chvrches.

‘Als ik een uur in de auto zit, op weg naar een vergadering of ’s avonds laat na een lezing op weg naar huis, kan ik gewoon door de muziek even helemaal weg zijn. Ik kan me verliezen in het meezingen, of in teksten die de menselijke emoties zo goed verwoorden zoals die van de band Biffi Clyro. Maar klassieke muziek raakt me het diepst. Ik ben er nog niet uit of dat komt door nostalgie naar mijn kindertijd, of door de herinnering aan mijn vader.’

Haar vader, die zeven jaar geleden stierf, introduceerde Portzky in de wereld van Beethoven en Mozart. ‘Op mijn elfde nam hij me mee naar de film ‘Amadeus’. Mijn broer, die een paar jaar ouder is, zei het niks. Maar ik was verkocht. De liefde voor kunst en klassieke muziek kon ik eigenlijk alleen met mijn vader delen. Als ik alleen thuis ben, speel ik graag heel luid klassieke muziek. Zijn favoriet was het adagio uit het vijfde pianoconcerto van Beethoven, een prachtig stuk dat hij leerde kennen via de film ‘Picknick at Hanging Rock’. Via de muziek hou ik de herinnering levend. Ik mis hem heel erg. De band met mijn moeder is ook fijn, maar die met mijn vader was heel bijzonder.’

Mussche heeft aandachtig geluisterd en instemmend geknikt. De gelijkenissen zijn treffend. Ze was 21 toen haar vader Jeroom, haar grote voorbeeld, stierf. ‘Op kot speelde ik na zijn dood constant ‘Stabat Mater’ van Pergolesi. Dat heeft mij maanden getroost. (stokt) Kijk, ik voel het nu al.’

Ook Mussche en haar vader waren close. ‘Bij ons ging het vooral over literatuur. Ik kan ongelooflijk genieten van het woord. Ik weet nog dat we op school ‘Lijmen/Het Been’ van Willem Elsschot moesten lezen, mijn eerste ‘moeilijke’ werk. Thuis vertelde ik hoe fantastisch ik het vond, en ik zag zijn ogen blinken van plezier. Maar als ik aan mijn vader denk, dan herinner ik me vooral onze vele, lange gesprekken.’

‘Mijn ouders zeiden altijd: ‘Het begint en het eindigt met de mens.’ Kijk met mildheid naar elkaar en naar jezelf, erken dat iemand fouten kan maken en probeer de dingen te verbeteren. Dat was thuis het discours. Als je me vraagt waarom ik ben wie ik ben, dan ligt daar de essentie van het antwoord.’

Portzky: ‘Ik heb mijn vader als kind veel gemist. Hij werkte voor een farmabedrijf, met psychiatrie als specialisatie. Van hem heb ik de eerste dingen opgevangen over wat later mijn beroep zou worden. Mijn moeder was huisvrouw. Als jong meisje heb ik vooral met haar veel tijd doorgebracht. Later heeft ze psychisch een zware periode doorgemaakt. Ze is een paar keer opgenomen. Als kind is dat verwarrend. Je maakt het van dichtbij mee maar hebt geen idee wat er gebeurt. Het was bovendien onvoorspelbaar in welke stemming ik haar zou aantreffen.’

‘Ik ben mijn moeder toen even verloren, maar ik heb wel veel tijd met mijn vader gekregen. Hij heeft zich in die jaren om mij bekommerd. We hebben toen heel veel en heel open gepraat, over wat dat met me deed om mijn mama zo te zien. Mijn vader oordeelde nooit. Ik voelde goed aan dat ik bij hem mezelf kon zijn, dat ik alles kon vragen of zeggen.

‘Ik heb gezien hoe mijn moeder weer uit het dal is geraakt, hoe ze zelfs sterker is geworden. Dat is ook te danken aan mijn vader. Door zijn job had hij een sterk geloof in de psychiatrie. Hij kon ons ook veel hoop geven. Dat heeft mij geholpen het niet op geven, haar niet op te geven. Zelfs toen ze weer herviel. Ik heb nog meer respect voor mijn moeder gekregen. Op mijn 14de wist ik al: ik ga psychologie studeren.’

Er zijn dingen verkeerd gelopen, soms met ernstige gevolgen. Maar ik heb mijn leven daardoor nooit minder mooi gevonden.
Christine Mussche

Mussche: ‘Ik heb ook veel aan mijn vader gehad in mijn eerste jaren aan de balie, ook al was hij er niet meer. Als piepjonge jurist word je geconfronteerd met zeer complexe zaken, van mensen die veel ouder zijn dan jij. Als ik zo’n dossier probeerde te doorgronden - als jurist maar vooral als mens - dan dacht ik: ‘Wat zou papa hebben gezegd?’ Het antwoord kon ik wel raden, ik moest gewoon terugdenken aan alles wat hij me had verteld. Het is een truc, dat weet ik. Het heeft mij het zelfvertrouwen gegeven om die soms zware verantwoordelijkheid te kunnen dragen. Het strafrecht gaat over beslissingen die een grote impact hebben op een mensenleven. Ik voer die innerlijke gesprekken nu minder. En dat zeg ik met enige tristesse. Het voelt alsof we in de loop der jaren in elkaar zijn opgegaan.’

Mildheid is uw motto. Maar is het niet gemakkelijk te pleiten voor mildheid als u nooit iets ernstigs is aangedaan?

Mussche: ‘Zowel persoonlijk als professioneel zijn er in mijn leven dingen verkeerd gelopen, soms met ernstige gevolgen. Maar daardoor heb ik mijn leven nooit minder mooi gevonden. Integendeel. Ik heb van jongs af aan geleerd een onderscheid te maken tussen wat echt belangrijk is en wat ernstig is maar niet de moeite om je fundament door te laten aantasten.

‘Ik ga nu iets zeggen wat verkeerd kan worden begrepen. Maar ik wil toch een voorbeeld geven. Sommige mensen ervaren het feit dat hun partner op een bepaald moment interesse heeft in iemand anders als het ergste dat hun kan overkomen. Ik sta soms versteld van de felle reacties die dat uitlokt. Maar mensen zijn ook een stukje dieren. We doen nu eenmaal dingen die niet altijd overeenstemmen met de maatschappelijke conventies. Laat ons daar anders mee proberen om te gaan, realistischer. Er kunnen dingen gebeuren die niet zo waren bedoeld. Dat maakt mensen niet in één keer helemaal slecht. Het is niet omdat iemand zijn partner bedriegt, dat die mens als persoon onbetrouwbaar is.’

Wat drijft ons? Waarom gaan we over de schreef? En in welke mate hebben we daar vat op? Bestaat de vrije wil? Het fascineert Mussche mateloos. Ze herleest geregeld werk van de Nederlandse hersenwetenschapper Dirk Swaab. En het boek ‘Ons feilbare denken’ van de Israëlische psycholoog Daniel Kahneman, over de denkfouten die in ons brein geprogrammeerd zijn en ertoe leiden dat we niet altijd de meest rationele beslissingen nemen.

‘Ik leerde onlangs dat wetenschappers hebben aangetoond dat dieren empathie hebben. Fascinerend vind ik dat. Het sluit ook aan bij mijn aanvoelen dat wij als mensen ook dieren zijn, en dat het verschil veel minder groot is dan dat wij onszelf wijsmaken. Ik vind het een interessante manier om naar de mens te kijken, omdat het ons weghaalt van oordelen en vastgeroeste ideeën. Als mensen zijn we geprogrammeerd door miljoenen jaren evolutie. We leven veel minder rationeel dan we denken.’

Zijn er dieren die zichzelf doden?

Portzky: ‘Ik heb er de wetenschappelijke literatuur ooit eens op nageslagen, en je vindt hier en daar wel cases. Ik herinner me een dolfijn die haar jong verloren was. Maar er blijft twijfel of het met opzet is gebeurd. Er is geen bewijs dat dieren zichzelf vrijwillig om het leven brengen. Daarin zijn we helaas uniek.’

Belgen blijven koplopers in zelfdoding. We slikken nog altijd veel slaap- en kalmeermiddelen en antidepressiva. Waar gaat het mis?

Portzky: ‘De cijfers leren dat een op de vier Belgen het in zijn leven één keer heel moeilijk zal hebben.’

Mussche: ‘Dat is immens.’

Portzky: ‘De Wereldgezondheidsorganisatie gaat ervan uit dat het er nog meer zullen worden. Psychische aandoeningen worden de belangrijkste ziektes.’

Bent u het eens met experts die burn-out een epidemie noemen?

Portzky: ‘Van alle psychische aandoeningen is een burn-out, zeker voor de Vlaming, het meest aanvaardbaar. Er is minder schaamte omdat er een link is met hard werken, met perfectionisme, met prestatiedrang. We zien dus veel meer mensen aankloppen bij hulpverlening met een zogenaamde burn-outdiagnose, terwijl ze eigenlijk kampen met een beginnende depressie of angsten. Ik vind het sowieso een goede zaak dat meer mensen de stap zetten naar hulp, zeker zij die het anders niet zouden doen.’

U doet allebei emotioneel belastend werk, klopt lange dagen en toont veel betrokkenheid. Is dat geen recept voor een burn-out?

Mussche: ‘Ik dacht dat erkenning ook heel belangrijk was, als buffer tegen een burn-out. En ik denk niet dat het ons daaraan ontbreekt, niet? Er is veel erkenning van de mensen voor wie we het doen, uit onze professionele omgeving, en soms zelfs daarbuiten.

©Karoly Effenberger

Portzky: ‘Dat klopt, en bovendien is autonomie in je werk ook belangrijk. De werkdruk kan hoog zijn. Maar als je zelf kan beslissen wanneer je wat doet, maakt dat een groot verschil. Dat neemt niet weg dat ik weet dat ik moet opletten en dat ik alert ben voor de signalen van mijn lichaam. Als het te lang te veel is geweest, ga ik een lang weekend weg met mijn gezin. Ik plan ook een jaar vooraf één dag per maand thuiswerk, om ongestoord te kunnen lezen en werken.’

Mussche: ‘Vroeger nam ik nooit extra vakantie. Nu ga ik af en toe een week weg. Als ik het nu niet doe, wanneer ga ik het dan nog doen?’

Portzky: ‘De drempel om hulp te zoeken blijft in het algemeen heel hoog. Een Vlaming blijft ervan overtuigd dat hij het alleen moet oplossen. Want dan ben je zogezegd sterk. Patiënten schamen zich vaak dat ze bij mij komen. Ik vind het net sterk om te zeggen: ‘Ik zie het even niet. Kan je me helpen het anders te zien?’ Dat is, bij deze, ook mijn oproep: hoe lastig of hoe moeilijk het probleem ook is, probeer het te zeggen, probeer erover te praten.’

Is het dan toch die diepgewortelde Vlaamse volksaard?

Portzky: ‘Er zijn culturele verschillen, dat is ontegensprekelijk. De Vlaamse zelfdodingscijfers zijn dubbel zo hoog als de Nederlandse. We leren ook niet hoe we moeten omgaan met problemen. Nederlandse jongeren zijn veel meer geneigd een probleem zelf op te lossen: ruzie met hun ouders, pesten, gedoe op school, ze pakken het aan én spreken erover met hun ouders. Vlaamse jongeren spreken wel met hun vrienden, maar veel minder met hun ouders.’

‘Een tijdje geleden pleegde een jongen zelfmoord omdat hij werd gechanteerd met seksfoto’s. Achteraf hoor je dat niemand in zijn omgeving op de hoogte was. Een kind voelt vaak schaamte tegenover zijn ouders: ze zijn bang het niet goed te doen, willen hen niet bezorgd maken. Het is zo belangrijk dat we onze kinderen genoeg duidelijk maken dat ze altijd kunnen zeggen waar ze mee zitten.’

We lezen over helikopterouders die hun kinderen niet los kunnen laten, en over leerkrachten die vooral bezig zijn met pamperen. Staat dat haaks op wat u nu zegt?

Portzky: ‘Pamperen betekent dat je probeert te voorkomen dat je kind iets slechts meemaakt. Ouders die verhaal gaan halen op school, bijvoorbeeld, als er straf is uitgedeeld. Een kind moet net leren dat tegenslag bestaat, dat het shit gaat meemaken. Je moet hen daarmee leren omgaan. Als ouder kan je beter zeggen: ‘Je moet erdoor, je kan erdoor, en ik ga je helpen.’’

‘Wij vragen ook om daar al in de kleuterklas aandacht aan te geven. Leer kinderen om te gaan met moeilijkheden. Een kind weet vaak niet wat het voelt, laat staan dat het weet wat het daarmee moet. Wat voel je als een huisdier is gestorven? Wat is verdrietig zijn? Wat is kwaad zijn? Veel mensen vinden boosheid moeilijk, ze weten niet wat ze ermee moeten.’

Moeten we kinderen minder naar de vioolles sturen en wat meer leren praten?

Portzky: ‘Er is niks mis met vioolspelen, maar er moet ook gepraat worden. Er gaat veel aandacht naar prestatiegerichte activiteiten, en er is weinig openheid om te spreken over dingen die minder goed gaan. Als je dat niet van jongs af aan leert, neem je die ongemakkelijkheid mee in je verdere leven.’

Mussche: ‘Onderwijs kan niet alles oplossen. Maar jeugdrechters vertellen me dat ze vandaag de derde generatie in de rechtbank tegenkomen: oma, dochter, kleindochter. Om die spiraal te doorbreken moet je echt aanleren dat het anders kan en moeten de onderliggende oorzaken aangepakt worden. Savoir-vivre moet je ook leren. Wie thuis het goede voorbeeld krijgt, heeft geluk. Maar slechte voorbeelden worden ook doorgegeven.’

Kunt u nog optimistisch naar de toekomst kijken?

Mussche: ‘Ik heb geluk, ik ben optimistisch van inborst. Maar het baart me zorgen hoe gemakkelijk jongeren vandaag aan informatie en beelden geraken die niet geschikt - en zelfs beschadigend - voor hen zijn. Dan heb ik het over pornografie, en kinderporno in het bijzonder. Hun beeld van seksualiteit is vervormd nog voor ze eraan toe zijn. Om nog te zwijgen van uitwassen zoals mannen die zich voordoen als tieners en jonge mensen overtuigen naaktfoto’s te tonen of handelingen uit te voeren voor de camera. En vaak weten de ouders van niets. Daar moeten we toch over leren spreken.’

Portzky: ‘Mijn grootste zorg is de manier waarop we met elkaar omgaan. Vanachter hun computer spuien mensen de lelijkste dingen, ook over wie ze niet kennen, zonder erbij stil te staan wat de impact kan zijn. Kijk naar de vlaggenkwestie, die is uitgemond in het uitjouwen van de klimaatactiviste Anuna De Wever op Pukkelpop. Het lijkt alsof alle respect verloren is. Er zijn vandaag veel vormen om mensen onbegrensd te kwetsen. En ik zie daar niet meteen een einde aan komen.’

Mussche: ‘En mensen die het niet goed voor hebben, kunnen elkaar binnen de kortste keren vinden. Via het internet is de bereikbaarheid onmiddellijk. De sociale controle valt weg. Ik vind dat een gevaarlijke tendens.’

Mijn kinderen hebben me eens gezegd dat ik er altijd voor hen ben geweest als ik er moest zijn. Dat heeft me ontroerd.
Christine Mussche

Portzky: ‘Het medium speelt een grote rol. Je leest iets, je reageert meteen. De emotionaliteit krijgt niet de kans om te zakken. Misschien ben ik er extra gevoelig voor omdat mijn zoontje binnenkort naar het middelbaar gaat. Ik ben bang voor de hardheid, voor het pesten, voor dingen die niet meer stoppen als de school sluit.’

Wat voor moeder probeert u zijn?

Mussche: ‘Ik heb kinderen altijd als volwaardige gesprekspartners gezien, hoe jong ze ook zijn. En ik was altijd bereid van gedacht te veranderen als ze me met argumenten konden overtuigen. Op alles wat veilig en verantwoord was, zei ik ja, zonder te verwennen. Ik zag mezelf als de bondgenoot van hun geluk.’

En is het gelukt?

Mussche: ‘Ik ben een paar jaar geleden een week met mijn kinderen in New York geweest. Toen hebben we het erover gehad: dat ik veel heb gewerkt, en of het niet te veel was. Ze hebben me gezegd dat ik er altijd ben geweest als ik er moest zijn. Dat heeft me ontroerd, ja. Want ik heb het me afgevraagd.’

Portzky: ‘Het is ook voor mij een worsteling. Mijn kinderen zijn nu al wat ouder, maar ik heb ze vaak niet kunnen ophalen. Tegenwoordig zeg ik wat vaker nee tegen activiteiten ’s avonds. Ik hoop later hetzelfde antwoord te krijgen.’

‘Boven alles moet een kind zich graag gezien en geliefd voelen. Ik vraag altijd wat leuk was op school, maar ook wat minder fijn was. Intussen stellen ze vragen terug. Mijn zoon Matteo weet al goed wat ik doe, en vroeg me al me hoe het komt dat mensen niet meer willen leven. En wat je daaraan kan doen. Ik vind het fijn daar met hem te spreken.’

‘Ik hoorde onlangs dat hij een gesprek had gevoerd met een vriend die zijn oma was verloren. ‘Ben je verdrietig? Kan je wenen?’ had hij gevraagd. Ik was zo trots. (lacht) Ik hoop dat ze zo verder kunnen opgroeien, en dat ze respectvol met anderen blijven omgaan.’

Wie vragen heeft over zelfdoding kan terecht op het gratis nummer 1813 en op www.zelfmoord1813.be.

Lees verder

Advertentie
Advertentie