analyse

Stand van het Land | Buitenlandse oplossingen voor Belgische problemen

©Filip Ysenbaert

De regering-Michel beloofde België uit het sociaal-economisch moeras te trekken. Dat is niet volledig gelukt. Welke ideeën kunnen we pikken uit het buitenland?

Doe zoals de Zweden | Ontsla de jongeren eerst

Terwijl wij bij een collectief ontslag nog vaak ouderen met brugpensioen sturen, laten de Zweden de jongeren eerst gaan. ‘Zij kunnen zich vlotter omscholen’, zegt Volvo-topman Geert Bruyneel, die jaren in Zweden heeft gewerkt.

De cijfers spreken voor zich: in België werkt 50 procent van de 55-plussers, in Zweden 78 procent. Dat is het resultaat van een bewuste politiek om ouderen aan het werk te houden, weet Bruyneel van de periode waarin hij als fabrieksdirecteur in Zweden met een collectieve ontslagronde werd geconfronteerd. ‘Toen ik tijdens een debat vroeg waarom ze bij herstructureringen geen werknemers met brugpensioen sturen zoals in België, werd ik op het matje geroepen door de gouverneur. In Zweden is zoiets not done.’

78%
In Zweden werkt 78 procent van de 55-plussers. In België is dat 50 procent.

Bij een collectief ontslag geldt: last in, first out. Jongeren hebben meer kans om snel een baan te vinden, leert ook de praktijk. Zweden heeft een tewerkstellingsgraad van 83 procent, België heeft er een van 70 procent.

Terwijl hier de werkloosheidsuitkeringen niet beperkt zijn in de tijd, kunnen Zweden maar 300 dagen op een uitkering rekenen. Wie een kind heeft, krijgt 150 dagen extra een uitkering.

Werklozen worden in Zweden ook intensief begeleid. Als je er wordt ontslagen, krijg je een persoonlijke coach die je informeert en begeleidt tijdens de zoektocht naar een baan. De Trygghetsraden - baanzekerheidsraden - begeleiden jaarlijks tienduizenden Zweden naar werk.

Die zoektocht wordt betaald door de werkgevers. Bedrijven trekken er jaarlijks 0,3 procent van de totale loonsom voor uit. De vakbonden zeggen dat zij in ruil voor de bijdrage van de werkgevers hun looneisen matigen.

Doe zoals de Zwitsers | Laat gemeenten hun eigen centen zoeken

Zwitserland is met zijn verschillende taalgemeenschappen, regio’s en kantons even ingewikkeld als België. En toch staat het land bekend om zijn efficiënte overheid.

België en Zwitserland hebben veel gemeen. Ook de Zwitsers hebben verschillende talen - vier officiële - en verschillende taalregio’s. Grosso modo kan het land worden opgedeeld in een Franstalig en een Duitstalig deel. En net als in ons land zijn er verschillen in welvaart tussen de regio’s.

Zwitserland heeft 2.914 gemeenten, Vlaanderen heeft er 300.

Desondanks wordt Zwitserland - in tegenstelling tot België - uiterst efficiënt bestuurd. Volgens de Belg Timothy Verhoest, die al jaren in Genève woont en werkt, komt dat omdat de niveaus verantwoordelijk zijn voor hun inkomsten. ‘In België heeft men het vaak over de fusie van gemeenten om tot een efficiënter bestuur te komen. Maar Zwitserland telt veel meer gemeenten, en dat leidt niet tot hogere kosten. Elke gemeente moet haar eigen centen zoeken.’

Ter vergelijking: Zwitserland heeft 2.914 gemeenten, terwijl Vlaanderen er 300 heeft. Naast gemeenten hebben de Zwitsers 26 kantons, met een eigen grondwet en parlement. En boven de kantons heb je een federale regering, die slechts zeven ministers en een bondspresident telt. De grootste macht ligt bij de kantons. Zij bepalen hun belastingen, regelen hun onderwijs en justitie, en voeren hun eigen sociaal-economisch beleid. Als het ene kanton meer sociale accenten wil leggen, dan kan dat. Er is financiële solidariteit tussen de kantons, maar de rekening van het gekozen beleid moet wel zelf worden betaald.

Dit is de laatste aflevering van de reeks 'De stand van het land'. De vorige afleveringen vindt u op tijd.be/standvanhetland.

Daar zit het grote verschil met België. Hier zijn er voor de lagere overheden niet veel incentives om goed te besturen. Ze krijgen allemaal geld van de federale overheid. Dat geldt voor Vlaanderen, Brussel en Wallonië, die elk jaar dotaties krijgen. Dat geldt ook voor de gemeenten, die naast eigen inkomsten elk jaar miljarden krijgen van de federale overheid via het gemeentefonds.

Een bijkomend probleem is dat onze regio’s en gemeenten niet kunnen worden gedwongen zorgvuldig om te springen met die bedragen. Er is geen hiërarchie. De federale regering kan Wallonië niet dwingen zijn financiën op orde te zetten.

Ondanks zijn complexe staatsstructuur geeft Zwitserland niet veel uit. Het overheidsbeslag bedraagt 34 procent, terwijl dat van België meer dan 50 procent bedraagt. ‘In Zwitserland heeft de overheid een veel minder ingrijpende rol. Subsidies aan bedrijven zijn er geen belangrijk beleidsinstrument. Ondernemingen vragen dat ook niet’, zegt Verhoest.

Doe zoals de Nederlanders | Voer één kaart in voor trein, tram en bus

België slaagt er maar niet in een universele openbaarvervoerkaart in te voeren. Ondertussen denken de Nederlanders al aan een opvolger van hun chipkaart: reizen via de bankkaart.

Met de zogenaamde OV-chipkaart kan je in Nederland met de tram, de bus en de trein reizen. ‘Het systeem is simpel: je zet geld op de kaart en je kan er in het hele land mee reizen. Je kan de kaart ook gebruiken om een fiets te huren’, zegt Chris Vonk van de Nederlandse reizigersvereniging Rover.

Het is simpel: je zet geld op de kaart en kan er in het hele land mee reizen.

Concreet: bij vertrek en bij aankomst laat je de kaart over een lezer glijden. Het systeem berekent de reisweg en haalt het bedrag van je kaart. Soms moet je op tussentijdse overstapplaatsen je kaart weer even over de toestellen laten glijden. Dat verhoogt de ticketprijs niet, het dient gewoon om de opbrengst van je reisweg correct te verdelen onder de operatoren waarmee je hebt gereisd. Het systeem bestaat al jaren. Intussen wordt al gebroed op een systeem waarbij je via de bankkaart zou kunnen reizen.

In ons land dateren de plannen voor een universele openbaarvervoerkaart al van 13 jaar geleden. Maar in de praktijk is er nog niet veel van in huis gekomen. Reizigers moeten nog altijd een apart kaartje kopen voor de trein, de bus en de tram. Ook om fietsen te gebruiken aan het station bestaat een afzonderlijk systeem.

De Lijn deed een poging over te stappen van de kaartjes op een digitaal ticketsysteem, maar dat kwam nooit van de grond. Het systeem, dat al 150 miljoen kostte, blijft bestaan voor abonnementen. Maar voor biljetten, dagpassen en rittenkaarten blijkt het niet te lukken. In Brussel wordt gebruikgemaakt van de Mobib-kaarten. Daarmee kan je met de bus en de trein reizen, maar alleen in het Brussels Gewest. Reis je naar Gent, dan moet je een NMBS-ticket kopen.

We zijn nog ver weg van een OV-chipkaart zoals in Nederland.

Doe zoals de Duitsers | Zet een rem op de schulden

Duitsland heeft een begrotingsoverschot van 1,2 procent en een schuldgraad van 56 procent. Dat is onder meer te danken aan de invoering van een schuldenrem in de nasleep van de financiële crisis.

De Duitsers schreven in 2009 de ‘Schuldenbremse’ in de grondwet in. Die schuldenrem verbood vanaf 2016 een tekort van meer dan 0,35 procent. Vanaf volgend jaar zijn tekorten verboden voor de deelstaten. Valt de conjunctuur tegen, dan kan van de regels worden afgeweken. Maar die uitzondering moet groen licht krijgen van een meerderheid in het bondsparlement.

Vanaf volgend jaar zijn begrotingstekorten verboden voor de Duitse deelstaten.

Sinds de invoering van de schuldenrem gaat het met de Duitse overheidsfinanciën alleen maar beter. Duitsland tekent sinds 2012 een evenwicht op en de jaren nadien boekte het telkens een overschot. Normaal gezien zakt de schuldgraad dit jaar tot 56 procent. België, met een begrotingstekort van 1,7 procent en een schuldgraad van meer dan 100 procent, kan van zulke cijfers alleen maar dromen.

De Duitse politici hielden de afgelopen jaren rekening met de schuldenrem. Er werden miljarden bespaard en investeringen werden uitgesteld. Plannen voor belastingverlagingen worden getoetst aan die schuldenrem. Dreigt het tekort groter te zijn dan verwacht, dan worden de ambities getemperd.

Volgens Carsten Brzeski, hoofdeconoom van ING Duitsland, heeft de schuldenrem absoluut de ambities verhoogd. ‘De federale overheid realiseert jaar na jaar een recordoverschot. En bij de deelstaten is begrotingsdiscipline intussen vaste prik. De keerzijde van de medaille is dat de schuldenrem ook tot een gebrek aan investeringen heeft geleid.’

Ons land kent geen schuldenrem. Het enige waaraan we ons in principe moeten houden, zijn de Europese regels. Europa legt op dat ons structureel tekort - dat los staat van de conjunctuur en eenmalige ingrepen - elk jaar met 0,6 procentpunt moet verbeteren. Maar de voorbije jaren gebeurde het meer dan eens dat we tegen die regel zondigden, zonder dat daar sancties aan verbonden waren.

Ons land kan zich dus eigenlijk veel permitteren. Al jaren beloven we de begroting in evenwicht te brengen, maar elk jaar boeken we een tekort. Dit jaar stevent de begroting af op een tekort van 1,7 procent of 7,9 miljard euro. Dat betekent niet dat er meer wordt geïnvesteerd dan in Duitsland. Ook België bengelt achteraan in het investeringspeloton.

Doe zoals de Britten | Maak werken financieel aantrekkelijk

In het Verenigd Koninkrijk geeft de overheid laaggeschoolden met een laag loon een belastingkrediet. Dat kan ook hier helpen om meer laaggeschoolden aan het werk te krijgen.

In België is 70 procent van de 20- tot 64-jarigen aan het werk. Daarmee scoren we Europees niet goed. Vooral 55-plussers, migranten en laaggeschoolden komen zeer weinig aan de bak. Maar 50 procent van de laaggeschoolden heeft in ons land een job. Dat komt doordat we amper banen voor laaggeschoolden hebben. De sectorale minimumlonen zijn relatief hoog en arbeid is weinig flexibel, waardoor bedrijven liever automatiseren of het met minder personeel doen.

76%
Tewerkstellingsgraad
De tewerkstellingsgraad bij laaggeschoolden piekt in het VK op 76 procent, mede dankzij het belastingkrediet voor laaggeschoolde werknemers.

In het Verenigd Koninkrijk hebben ze daar iets op gevonden. Het zogenaamde working tax credit biedt werknemers met een laag loon een extraatje. Bedrijven kunnen relatief goedkoop en flexibel mensen aanwerven en de staat zorgt ervoor dat die werknemers netto toch genoeg overhouden. Om misbruiken te vermijden zijn de regels behoorlijk strikt. Werknemers die er een beroep op doen, mogen niet veel bezitten.

Het achterliggende idee? Zodra mensen aan het werk zijn, doen ze ervaring op en kunnen ze gemakkelijker doorgroeien naar een beter betaalde en voltijdse baan. Die stap zetten vanuit de werkloosheid, zoals dat in ons land moet gebeuren, is vaak onhaalbaar waardoor laagopgeleiden niet aan het werk geraken.

Cijfers wijzen erop dat de aanpak van de Britten succesvol is. De tewerkstellingsgraad bij laaggeschoolden piekt in het VK op 76 procent, mede dankzij het belastingkrediet voor laaggeschoolde werknemers.

Professor Bea Cantillon van het Centrum voor Sociaal Beleid is voorstander om een gelijkaardig systeem in België in te voeren. ‘Dat is nuttig om het inkomen van kleinverdieners te verhogen’, zegt ze.

In België werd in het verleden ook een poging gedaan om laaggeschoolden aan het werk te krijgen. In 2000 voerde ons land een bescheiden vermindering van sociale bijdragen voor werknemers met een laag loon in, de zogenaamde werkbonus. Maar volgens een onderzoek van het Centrum voor Sociaal Beleid is de omvang ervan te beperkt om substantiële effecten te genereren op de tewerkstelling van laaggeschoolden en op de armoede.

Doe nog eens zoals de Duitsers | Onderhandel per regio over de lonen

De Duitsers onderhandelen op sectoraal of regionaal niveau over loonsverhogingen. Zo kunnen ze inspelen op de economische ontwikkeling en productiviteit per sector en per regio.

‘Dat Duitsland zo’n 15 jaar geleden van centrale naar sectorale en regionale loononderhandelingen overstapte, bepaalde mee het succes van de Duitse economie’, zegt Carsten Brzeski, hoofdeconoom van ING Duitsland. ‘Regio’s die met een tekort aan arbeidskrachten kampen, kunnen hogere lonen toekennen. Regio’s met een grote werkloosheid kunnen lagere lonen overeenkomen.’

Door de lonen in Wallonië te matigen zou je de concurrentiekracht van de bedrijven kunnen opkrikken.

België heeft wel nog centrale loononderhandelingen. De vakbonden en de werkgeversorganisaties leggen om de twee jaar een loonnorm vast. Dat is het maximale percentage waarmee de lonen mogen stijgen boven op de automatische indexaanpassingen.

Een gedecentraliseerd loonoverleg kan interessant zijn omdat er ook hier verschillen zijn tussen sectoren en regio’s. In sectoren waar het minder goed gaat, kan je de lonen bevriezen. In sectoren waar bedrijven mooie winstresultaten voorleggen, kan je de lonen harder laten stijgen.

Ook tussen regio’s zou je een onderscheid kunnen maken. In Wallonië zijn de lonen nu eigenlijk te hoog. Door ze te matigen zou je de concurrentiekracht van de Waalse bedrijven kunnen opkrikken. En in Vlaanderen, waar er krapte is op de arbeidsmarkt, zouden de lonen sterker kunnen stijgen. Dat zou helpen de talrijke vacatures op te vullen.

Doe zoals de Noren | Laat e-auto’s op de busbaan rijden

In Noorwegen zijn bijna zes op de tien nieuwe auto’s elektrisch. Dat is niet alleen te danken aan fiscale stimuli, maar ook aan verkeersvoordelen.

Noorwegen heeft niet alleen een gunstig fiscaal klimaat voor elektrische auto’s, gebruikers krijgen ook andere voordelen. Zo mogen e-auto’s op de busbaan rijden. ‘Stel je voor dat richting Brussel een vierde busbaan wordt vrijgemaakt voor elektrische wagens’, zegt Jochen Desmet van Avere Belgium, de federatie voor elektrische voertuigen. ‘Het is zo’n maatregel die weinig geld kost, maar wel een groot effect heeft.’

Een e-auto kan in Noorwegen tot 20.000 euro goedkoper zijn dan een benzine of een diesel.

Bovendien zijn elektrische auto’s in Noorwegen door de fiscale behandeling vaak goedkoper dan een auto met een diesel- of benzinemotor. In ons land is dat omgekeerd, omdat een e-auto duurder is in productie. ‘Een elektrische wagen kan in Noorwegen tot 20.000 euro goedkoper zijn dan een benzine of een diesel’, zegt Desmet. Een reeks belastingen, waaronder de belasting op inverkeerstelling, werd voor elektrische auto’s geschrapt.

De bedoeling van de Noorse regering is tegen 2025 alle benzine- en dieselauto’s te bannen. Al moet er nog veel gebeuren. Ook in Noorwegen klinkt het dat Noren met weinig geld zich geen e-auto kunnen permitteren. Zelfs met de fiscale stimuli blijven ze voor sommigen te duur.

In ons land is nog altijd minder dan 1 procent van de nieuw ingeschreven auto’s elektrisch. Volgens De Smet moeten we ambitieuzer zijn, onder meer door e-auto’s fiscaal te stimuleren. ‘Mochten we ervoor kiezen de btw op elektrische auto’s te verlagen, zou dat een paar duizend euro schelen. Dat zal mensen ertoe aanzetten om over te schakelen.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie