analyse

Pensioenbom is nog niet onschadelijk gemaakt

©REUTERS

De stand van het land | De regering-Michel beloofde België uit het sociaal-economische moeras te trekken. Vandaag onderzoeken we wat ze gerealiseerd heeft van haar belofte om de sociale zekerheid grondig te hervormen. Aflevering 3: is ons pensioen verzekerd?

‘Elke maand gaan in ons land 10.000 mensen met pensioen. In een jaar tijd zijn dat 120.000 mensen. In zeven jaar tijd is het budget voor de pensioenen gestegen van 25 naar 37 miljard euro.’ Die confronterende cijfers gebruikte premier Charles Michel (MR) tijdens zijn regeringsverklaring in 2014 om de geplande pensioenhervormingen te verantwoorden. De achterliggende gedachte was dat maatregelen nodig waren om de pensioenen betaalbaar te houden. De komende jaren wordt door de vergrijzing een nog sterkere stijging van het budget verwacht.

Aan het begin van de legislatuur namen de publieke sociale uitgaven een hap van 26 procent uit het bruto binnenlands product (bbp). Met andere woorden: een vierde van de welvaart die in België wordt gecreëerd, wordt in de sociale zekerheid gestopt. Toen Michel in 2014 aantrad als premier was de verwachting dat de sociale uitgaven in 2040 zouden oplopen tot 32,2 procent van het bbp. In geld van vandaag is dat een duizelingwekkende meeruitgave van 26 miljard euro. Dat is het budget van de federale gezondheidszorg.

De hervorming van de ambtenarenpensioenen was een slag in het water door de koppeling aan het dossier van de zware beroepen.

Stel dat we dat geld vandaag zouden moeten ophoesten, zijn er gigantische besparingen of belastingverhogingen nodig. Omdat dat niet realistisch is, koos de regering-Di Rupo er in 2012 als eerste regering in decennia - het Generatiepact van de regering-Verhofstadt bleek een lege doos - voor om een aantal pensioenhervormingen in gang te steken. De regering-Michel schakelde een versnelling hoger. Hoewel alle coalitiepartners tijdens de campagne nog bezwoeren nooit de wettelijke pensioenleeftijd te verhogen, werd die beslissing toch genomen. In 2025 stijgt die leeftijd van 65 naar 66 jaar, in 2030 naar 67 jaar.

Tegelijk verstrengde de regering de voorwaarden voor het brugpensioen en het vervroegd pensioen. Vervroegd pensioen kan nu, met uitzonderingen voor mensen met een zeer lange loopbaan, pas vanaf 63 jaar, terwijl dat enkele jaren geleden nog 60 jaar was. De regering wilde het brugpensioen, officieel werkloosheid met een bedrijfstoeslag (SWT), tegen 2017 pas invoeren vanaf 60 jaar. Bruggepensioneerden moeten ook vaker beschikbaar blijven voor de arbeidsmarkt.

Bovendien kwam er een einde aan de jarenlange forse stijging van de uitgaven in de gezondheidszorg. Die mogen sinds 2014 jaarlijks nog maar met 1,5 procent boven op de inflatie stijgen, terwijl in het vorige decennium de jaarlijkse stijging rond 4 procent schommelde. Door de onvermijdelijke kostenstijging als gevolg van de vergrijzing en de almaar innovatievere en daarom duurdere geneesmiddelen moesten artsen, ziekenfondsen en ziekenhuizen de buikriem aanhalen.

De hervormingen botsten op de zwaarste golf van sociaal protest sinds de jaren 80. In november 2014 kwamen 120.000 mensen op straat om te betogen tegen het regeringsbeleid. Een maand later rolde een stakingsgolf over het land. Onder druk van de straat en na de sociale akkoorden die de bonden met de werkgeversorganisaties hadden gesloten werden enkele hervormingen meer gespreid in de tijd. Zo is brugpensioen voor 60 jaar in bepaalde omstandigheden nog altijd mogelijk en werd de verstrenging van de landingsbanen, waarbij oudere werknemers minder werken, afgezwakt.

28,7%
Volgens de Vergrijzingscommissie zal de overheid in 2040 zo’n 28,7 procent van het bruto binnenlands product in de sociale zekerheid steken. Dat is 3 procentpunten meer dan vandaag.

Een terugblik leert ons dat in enkele jaren tijd toch stappen vooruit zijn gezet. Toen Ford in 2012 aankondigde dat het zijn autofabriek in Genk zou sluiten, kon het personeel nog op 52 jaar met brugpensioen vertrekken. Vandaag kan dat ten vroegste op 58 jaar. Het aantal bruggepensioneerden daalde dan ook snel. Van gemiddeld 107.000 mensen aan het begin van de legislatuur tot 74.000 vorig jaar.

Besparing van 15 miljard

Dankzij de hervormingen van Michel en co. zullen de sociale uitgaven volgens de Vergrijzingscommissie tegen 2040 nog 28,7 procent van het bbp kosten. Dat is een besparing van 3,5 procentpunten tegenover de verwachting aan het begin van de legislatuur. In geld van vandaag is dat een besparing van 15 miljard euro, zowat twee keer het huidige budget voor de werkloosheid. En hoewel experts oproepen om die cijfers met een korrel zout te nemen omdat ze vrezen dat de uitgaven uiteindelijk toch hoger zullen liggen, staan de verwezenlijkingen in fel contrast met de acties uit het verleden.

Toch is de pensioenbom nog niet ontmanteld. De kostprijs van de vergrijzing loopt tegen 2040 nog altijd op tot meer dan 10 miljard euro. Het gevoel blijft dat het de afgelopen legislatuur allemaal te weinig was. En dat langs twee kanten: voor veel experts had de regering radicaler mogen hervormen. De vakbonden en de linkse oppositie wijzen er dan weer op dat de pensioenen relatief laag liggen en op dat vlak niets is veranderd. Minister van Pensioenen Daniel Bacquelaine (MR) had het, onder meer door zijn gebrekkige kennis van het Nederlands, moeilijk om zijn beleid verkocht te krijgen. Eind vorig jaar maakten duizenden mensen dat nog eens duidelijk met een betoging in Brussel.

Een tweede probleem voor de regering was dat Bacquelaine verschillende belangrijke hervormingen niet kreeg doorgevoerd. Zo was de hervorming van de ambtenarenpensioenen grotendeels een slag in het water, want de pensioenen van veel ambtenaren worden nog altijd op een gunstige manier berekend. Plannen om dat te wijzigen haalden het niet omdat die gekoppeld waren aan de invoering van het gunstregime voor zware beroepen en dat bleef steken in het moeras van het sociaal overleg.

Ons land creëert te weinig laagbetaalde jobs omdat die niet als ‘volwaardig’ worden beschouwd.

De volgende regering wacht dus nog een hoop werk om de sociale zekerheid en dus de pensioenen betaalbaar te houden. Hoe lossen we dat op? Het antwoord is eenvoudig: nog veel meer mensen aan het werk krijgen. Hoe meer mensen aan het werk, hoe meer mensen bijdragen en hoe meer inkomsten om de pensioenen te betalen. De voorbije legislatuur kwamen er, door de aantrekkende economische conjunctuur en de impact van de taxshift, zo’n 230.000 jobs bij, waardoor eind vorig jaar meer dan zeven op de tien Belgen aan de slag waren. Nooit kwamen er in één legislatuur meer banen bij, wat de werkzaamheidsgraad 3 procentpunten hoger stuwde dan aan het begin van de legislatuur.

650.000 meer werkenden

Toch blijkt uit een vergelijking met de buurlanden Nederland en Duitsland, waar de werkzaamheidsgraad rond 80 procent piekt, dat op de arbeidsmarkt nog winst te boeken is. Als we evenveel mensen aan het werk kunnen zetten als onze noorderburen - waarvoor er nu 650.0000 meer mensen zouden moeten werken - worden de vergrijzingskosten plots behapbaar. Bij drie groepen valt nog veel winst te boeken: laaggeschoolden, mensen met een migratieachtergrond en - ondanks de vooruitgang van de voorbije jaren - de 50-plussers.

55-plussers en de arbeidsmarkt.

Amper de helft van de laagopgeleiden en mensen met een migratieachtergrond zijn aan de slag. In Europa is er nauwelijks een land dat slechter scoort, terwijl we voor de tewerkstelling van hooggeschoolden net heel goed scoren. Het probleem is dat er in ons land maar weinig banen zijn voor laagopgeleiden. Laagbetaalde arbeid is maar goed voor 4 procent van de jobs. In Nederland is dat 17 procent en in Duitsland zelfs 22 procent.

Dat is een gevolg van de beleidskeuze om niet in te zetten op flexibele en laagbetaalde banen omdat ze niet als ‘volwaardige’ jobs worden beschouwd, waardoor in ons land meer mensen dan elders van een uitkering leven. Economen als Ive Marx stellen nochtans dat inzetten op laagbetaalde arbeid - met weliswaar voldoende omkaderende maatregelen die mensen uit de armoede moet houden - een absolute must is. Ze kunnen, veel meer dan werkloosheid, een opstap bieden naar vast en voltijds werk. Daardoor is een gerichte loonlastenverlaging voor de laagste lonen en meer flexibilisering nodig.

De voorbije legislatuur werd, bijvoorbeeld met de wet op werkbaar en wendbaar werk, alleen lippendienst bewezen aan meer flexibilisering. De budgettaire druk om dat de komende vijf jaar anders te doen is groot, maar het is de weg van de meeste weerstand want de vakbonden zijn allergisch aan soepele regels. Ook op tal van andere vlakken - de koppeling tussen de anciënniteit en de lonen, het activeren van zieken, de kwaliteit van de opleidingen en de activering - moeten taboes sneuvelen om meer mensen aan het werk te krijgen. Ondanks het werk van de regering-Michel om de vergrijzing betaalbaar te houden, en wellicht heeft geen enkele regering daar meer aan bijgedragen, is het hervormingswerk nog lang niet af.

Reeks | De stand van het land 

De regering-Michel stelde zich bij haar aantreden tot doel ons land uit het sociaal-economische moeras te trekken. Is ze in haar opzet geslaagd? De Tijd maakt de balans op van vijf jaar Michel I. 

Wie deed het volgens u het beste, Di Rupo of Michel? Probeer het uit op tijd.be/standvanhetland

Lees verder

Advertentie
Advertentie