Vijf vragen over een hogere pensioenleeftijd

©Photo News

De N-VA wil de wettelijke pensioenleeftijd koppelen aan de levensverwachting. Dat betekent niet dat we allemaal tot 67 jaar of zelfs langer zullen moeten werken.

En plots is er een campagnethema. Tijdens een debat in 'Terzake' wierp sp.a-voorzitter John Crombez zijn N-VA-collega Bart De Wever voor de voeten dat de Vlaams-nationalisten voorstander zijn van een verdere verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd. Hij baseerde zich daarvoor op een tot nog toe onderbelicht gebleven passage in het N-VA-programma.

De kiesgids van De Tijd

De Tijd doorploegde de 966 pagina's van de Vlaamse partijprogramma's. Geen stemtest, maar een overzicht in 100 relevante vragen .

Door de hervormingen van de regering-Michel stijgt die wettelijke pensioenleeftijd van 65 naar 66 jaar in 2025 en naar 67 jaar in 2030. Die maatregel moet helpen de vergrijzing te betalen. Doordat almaar meer mensen met pensioen gaan, stijgen de pensioenuitgaven de komende jaren fors.

Op termijn wil de N-VA zelfs verder gaan, gaf De Wever toe. Hij pleit voor een automatische koppeling van de pensioenleeftijd aan de levensverwachting. Als mensen gemiddeld ouder worden, moet ook de pensioenleeftijd omhoog. In tal van Europese landen, onder meer in Nederland en Denemarken, is er vandaag al een automatische koppeling.

Het plan van de N-VA botst op tegenkanting van zowat alle andere partijen. Voor Open VLD en CD&V volstaat de verhoging van de pensioenleeftijd tot 67 jaar, de sp.a wil die leeftijdsvoorwaarde zelfs terugbrengen naar 65 jaar.

1. Moeten we allemaal tot 67 jaar of zelfs langer werken?

Neen. De wettelijke pensioenleeftijd is het moment waarop iedereen mag stoppen met werken. De meeste werknemers en ambtenaren gaan evenwel vroeger met pensioen. Wie 63 jaar is en er een loopbaan van 42 jaar heeft opzitten, mag immers met vervroegd pensioen. Wie een langere loopbaan heeft, kan zelfs vroeger stoppen.

Voor die loopbaanvoorwaarde van 42 jaar tellen ook gelijkgestelde periodes zoals werkloosheid, ziekte en tijdskrediet mee. Wie op zijn 21ste begon te werken, kan dus doorgaans stoppen op 63 jaar. Wie later is begonnen, of zijn carrière heeft onderbroken, moet langer werken. Om recht te hebben op een volledig pensioen, is een carrière van 45 gewerkte jaren nodig.

Als de pensioenleeftijd stijgt van 65 naar eerst 66 jaar en later naar 67 jaar, blijft vervroegd pensioen mogelijk. De verhoging van de pensioenleeftijd heeft vooral tot doel mensen die een onvoldoende lange loopbaan hebben langer te laten werken.

Een eventuele verdere verhoging van de pensioenleeftijd, zoals de N-VA voorstelt, heeft eenzelfde doel. Wie op de langere termijn op zijn 67 jaar nog niet aan de voorwaarden van het vervroegd pensioen voldoet, zal langer aan de slag moeten blijven.

2. Hoeveel mensen werken tot de pensioenleeftijd?

Weinig mensen, zo blijkt uit cijfers van de Europese statistische dienst Eurostat. In ons land is maar 31 procent van de 60- tot 64-jarigen aan de slag, waarmee we bij de slechtst scorende Europese landen zijn. In Nederland is in die leeftijdscategorie 60 procent van de mensen aan het werk, in Zweden zelfs 70 procent.

De gemiddelde Belgische man stopt voor zijn 62ste verjaardag met werken, de gemiddelde vrouw zelfs kort na haar 60ste verjaardag. Opnieuw doen we het daarmee slecht in Europa. Veel van die mensen gaan nog niet met vervroegd pensioen, maar kiezen voor brugpensioen of vallen terug op een ziekte-uitkering.

Daar komt nog bij dat de Belgische loopbanen bij de kortste van Europa behoren. Tellen we gelijkgestelde periodes niet mee, dan blijkt de gemiddelde Belg bij zijn pensionering 33 jaar te hebben gewerkt. Ter vergelijking: in Nederland en Zweden duurt de gemiddelde carrière langer dan 40 jaar.

Tot slot zijn er in België gemiddeld genomen relatief weinig mensen aan de slag. Slechts 70 procent van de mensen tussen 20 en 64 jaar heeft een baan, in Nederland en Duitsland is dat haast 80 procent. Vlaanderen doet het met een werkzaamheidsgraad van 75 procent wel beter dan Wallonië en Brussel.

3. Zijn onze pensioenen te hoog of te laag?

Door onze korte loopbanen en het feit dat relatief weinig mensen werken, moet een vrij kleine groep mensen de pensioenen betalen. Om gepensioneerden toch een behoorlijk pensioen te kunnen geven liggen de belastingen in ons land behoorlijk hoog.

Maar zelfs met die hoge belastingen leert een Europese vergelijking dat onze pensioenen allesbehalve hoog liggen. Opnieuw is dat deels een gevolg van de korte loopbanen: wie weinig heeft gewerkt, heeft geen recht op een hoog pensioen. Uit cijfers van de OESO blijkt dat het Belgische pensioen zo’n 66 procent van het laatst verdiende nettoloon bedraagt. Daarmee zijn we een Europese middenmoter.

Wel zijn er door een andere berekeningswijze grote verschillen tussen de stelsels. Een ambtenaar heeft een gemiddeld brutopensioen van zo’n 2.600 euro per maand, een gemiddelde werknemer krijgt 1.200 euro per maand en een zelfstandige iets meer dan 800 euro. In nettobedragen zijn de verschillen kleiner en het aanvullend bedrijfspensioen zit niet in die cijfers vervat.

Zowat alle partijen willen het minimumpensioen verhogen naar 1.500 euro. Let wel, bij de meeste partijen is dat voor iemand met een volledige loopbaan van 45 jaar. De meeste mensen komen daar evenwel niet aan, waardoor ze het effect van zo'n verhoging niet zullen voelen.

4. Blijven de pensioenen betaalbaar?

Ons land besteedt vandaag 10,6 procent van het bruto binnenlands product (bbp) aan de pensioenen. In harde euro’s is dat zo’n 46 miljard. Volgens de Vergrijzingscommissie stijgen die uitgaven tegen 2040 naar 13 procent van het bbp, een stijging van 2,4 procentpunten.

Als we dat bedrag vandaag zouden moeten ophoesten, is dat een meeruitgave van zo’n 11 miljard euro. Dat is bijna het volledige budget voor het Vlaamse onderwijs, dat enkel en alleen moet worden gebruikt om de pensioenen te blijven betalen. Voor hogere pensioenen, wat bijna alle partijen voorstellen, is dan nog geen euro uitgetrokken.

Door de maatregelen van de regering-Michel werd de pensioenfactuur al kleiner dan voordien. Aan het begin van de legislatuur dacht de Vergrijzingscommissie nog dat de pensioenuitgaven zouden stijgen tot 14,9 procent van het bbp. De regering heeft de factuur dus met 1,9 procent van het bbp - meer dan 8 miljard in euro's van vandaag - kleiner gemaakt. Maar volgens zowat alle pensioenexperts zijn bijkomende maatregelen nodig om de factuur betaalbaar te houden.

5. Hoe lossen we het op?

Centraal in zowat alle oplossingen voor het pensioenvraagstuk staat meer en langer werken. Meer Belgen moeten aan de slag, hun effectieve loopbaan moet langer worden en ze moeten ook later stoppen. Dan krijgt de overheid meer inkomsten binnen, moet ze minder uitkeringen betalen en wordt de vergrijzingsfactuur behapbaarder.

Om daarin te slagen zijn tal van hervormingen nodig. Eerst en vooral zijn meer banen nodig, zeker voor groepen die vandaag moeilijk aan werk geraken, zoals laaggeschoolden. Daarom pleiten economen als Ive Marx en Frank Vandenbroucke voor gerichte lastenverlagingen voor de laagste lonen en een flexibelere arbeidsmarkt.

Daarnaast moet een volgende regering verder inzetten op de afbouw van vervroegde uittredingsstelsels, zoals het brugpensioen. Ze zal ook manieren moeten zoeken om werken werkbaarder te maken, zodat werknemers het langer kunnen volhouden.

Pensioenexperts zoals Vandenbroucke pleiten er ook voor om langer werken financieel te belonen, bijvoorbeeld met het herinvoeren van de pensioenbonus. Wie doorwerkt tot een loopbaan van 45 jaar, zou daardoor een hoger pensioen krijgen dan vandaag.

De vraag is dan of een koppeling van de pensioenleeftijd aan levensverwachting het sluitstuk van zo’n hervorming moet vormen. In Nederland en Denemarken vinden ze van wel, want daar stijgt die leeftijd nu al zeer voorzichtig als de levensverwachting omhoog gaat.

De N-VA heeft op dat vlak, nadat Crombez daarop had aangedrongen, kleur durven te bekennen. De partij stelt ook voor komaf te maken met vervroegde uittredingsstelsels zoals het brugpensioen.

Het is nu aan de andere partijen om duidelijk te maken hoe zij de pensioenen betaalbaar denken te houden. Linkse partijen zoals de sp.a mikken op meer inkomsten uit vermogen, al reiken hun doorrekeningen maar tot 2024, terwijl de echte pensioenfactuur later komt.

Lees verder

Advertentie
Advertentie