De tegencultuur, een halve eeuw later

Woodstock zit erop. De bezoekers hebben nog geen idee van de mytische proporties die het festival zal krijgen. ©Bettmann Archive

Het muziekfestival Woodstock was vijftig jaar geleden een vreedzaam verzet tegen het establishment. Wie zijn de bloemenkinderen van vandaag?

Bekeken door een hedendaagse bril circuleren talloze onwaarschijnlijke verhalen over Woodstock, het driedaagse popfestival dat dit weekend precies vijftig jaar geleden werd gehouden op het weiland van een melkveehouder op twee uur rijden van New York. Op het festivalterrein werden twee baby’s geboren en kregen vier vrouwen een miskraam. En een slapende festivalganger werd door een tractor overreden. We zien het niet meteen gebeuren op de wei van Pukkelpop of Werchter.

En dan was er de oceaan van chaos waarin Woodstock verdronk. In werkelijkheid duurde het muziekfestival vier in plaats van drie dagen. De headliner van zondagavond, Jimi Hendrix, stapte pas op maandagochtend om 9 uur het podium op. Rond halfelf tilde hij Woodstock naar zijn overbekende climax met een gemuteerde versie van het Amerikaanse volkslied. De gitaarheld uit Seattle was met 32.000 dollar de best betaalde van de 32 artiesten, een eis die naar verluidt in zijn contract was opgenomen en peanuts is vergeleken met wat hij vandaag zou kunnen vangen in het nostalgiecircuit.

Lees de volledige reeks

Naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van Woodstock gaat De Tijd deze zomer op zoek naar de tegencultuur van nu.

Welke bands mag u niet missen op de podia van Belgische festivals? Dat ontdekt u in het dossier 'Woodstock 50'.

Wat velen ook vergeten door de mythische status die het festival heeft verworven: veel bands en artiesten die de tegencultuur en het hippietijdperk belichaamden, waren niet op Woodstock. Bob Dylan, die nochtans ‘om de hoek’ woonde, had geen zin. The Doors wilden evenmin komen. De Canadese folkzangeres Joni Mitchell was uitgenodigd, maar haar management gaf de voorkeur aan een tv-optreden. Waren er gelukkig wel: Janis Joplin, The Grateful Dead, Creedence Clearwater Revival, Sly & The Family Stone, Joan Baez, Jefferson Airplane en The Band, de begeleidingsband van Bob Dylan.

De geschiedenis wordt meestal achteraf geschreven. Dat was bij Woodstock niet anders, zegt schrijver en essayist Geert Buelens, die vorig jaar een boek over de jaren zestig uitbracht. ‘De grote media besteedden amper aandacht aan Woodstock. The New York Times drukte op zijn cover een foto van de mensenmassa af, maar in de tekst ging het meer over de modder dan over de muziek.’

‘Welke cultuur durft zo’n kolossale puinhoop voort te brengen?’, vroeg de krant zich af. Ook de weinige Europese kranten die over Woodstock schreven, hadden het niet zozeer over de muziek. Ze schreven over de lange haren van de bezoekers en over de ravage. Die was inderdaad groot. Het terrein was tot een modderpoel herschapen. Mensen waren in de boeien geslagen wegens drugsgebruik. Er vielen drie doden.

Contradicties

Over de culturele draagwijdte viel amper een woord in 1969. Het mythische Woodstock is vooral een product van de gelijknamige film uit 1970 van Michael Wadleich en de soundtrack enkele weken later. Toen werd pas duidelijk wat Woodstock was geweest: een viering van de vrede door bijna een half miljoen bloemenkinderen met de meest getalenteerde Amerikaanse rock-, folk- en bluesmuzikanten van dat moment.

Woodstock kwam niet uit het niets. Elke dag sneuvelden tientallen jonge Amerikanen in het oorlogsgeweld in Vietnam. Steeds meer Amerikanen hadden hun buik vol van Vietnam en wilden dat het politieke establishment een einde maakte aan de zinloze oorlog. Naast het vredesmotief speelde voor de babyboomers ook het eigenbelang: Vietnam was een geldverslindende oorlog. De bloemenkinderen van Woodstock - allemaal gegoede blanke middenklassers - voelden dat de Golden Sixties op hun laatste benen liepen. Ze kregen gelijk: 1969 was het laatste jaar tot 1998 waarin de Amerikaanse regering haar begroting afsloot met een overschot.

De protestgeneratie kende geen armoede of massale werkloosheid. Het is een beeld dat vandaag nog altijd als een wolk over Woodstock hangt: dat het makkelijk is kritiek te geven als je het goed hebt. Jon Pareles, een muziekcriticus van The New York Times die er vijftig jaar geleden bij was, noemt het een van de contradicties van Woodstock. ‘Millennials’, schrijft hij, ‘hebben het volste recht om de babyboomers erop te wijzen dat Woodstock hun privileges in kristallijne vorm vertegenwoordigde. We kregen een quasi gratis all-star marathonconcert. We dachten dat we het centrum van het universum waren. We bestormden een ongerepte landbouwomgeving en lieten anderen de puinhoop opruimen. Global warming, iemand?’

Zo’n festivalwei die massaal ‘Karma Police’ van Radiohead meezingt, dat is toch niet zonder politieke betekenis.
Geert Buelens
Schrijver

Een andere tegenstrijdigheid is dat Woodstock het einde van de tegencultuur inluidde. Tegen 1969 was die eigenlijk al commercieel gekaapt. Drie weken na Woodstock werd het boek ‘The Making of Counter Culture’ een bestseller. Zeker niet elke artiest speelde bovendien voor de goede zaak op Woodstock. Tijdens het concert van The Who klom de vredesactivist Abbie Hoffman op het podium en vroeg hoe de band zo’n luide rock-’n-roll kon spelen terwijl zijn collega John Sinclair in de gevangenis zat. Een geagiteerde Pete Townshend, verblind door de eeuwige roem bij het zien van al dat volk, blafte de stonede hippie toe dat hij zich maar beter uit de voeten kon maken.

De rol van het festival in de verdere ontbolstering van muziek en entertainment als economische sectoren valt moeilijk te ontkennen, aldus Buelens. ‘Ik minimaliseer de politieke betekenis van Woodstock zeker niet. Maar de meeste bezoekers waren daar in de eerste plaats voor het samenzijn, voor de experience zoals dat nu heet. De cultuurindustrie heeft na Woodstock ontdekt dat jongeren een commercieel interessante doelgroep zijn. Platenfirma’s hadden al eerder LP’s met festivalopnames uitgebracht en over festivals in Newport 1958 en Monterey 1967 waren documentaires gemaakt. Maar de manier waarop Woodstock commercieel werd geëxploiteerd - een megafilm van drie uur, gevolgd door een driedubbele LP met de soundtrack van die film - was ongezien’

De punk was later een middelvinger naar die gewiekste industrie, maar ook naar het pompeuze dat vanaf Woodstock in de rockmuziek was geslopen. Terwijl punkmuziek in de seventies nog een harde vuist tegen de gevestigde orde maakte, druppelde het engagement vanaf de jaren tachtig uit de mainstreampopmuziek. ‘We zingen dezelfde protestliederen op betogingen als vijftig jaar geleden’, zei sixtiesicoon en vredesactiviste Joan Baez, die de eerste Woodstockdag afsloot, onlangs in De Tijd. ‘Waar zijn de anthems, de songs die verenigen, een vuist maken, aanzetten tot politieke actie?

Buelens gaat niet helemaal akkoord. ‘Zo’n festivalwei die massaal ‘Karma Police’ van Radiohead meezingt, dat is toch niet zonder politieke betekenis. Het gaat misschien niet over oorlog en vrede, maar wel over een duidelijk maatschappelijk ongenoegen. Het ware activisme zit vandaag in het hart van de zwarte cultuur. De performances van Beyoncé of Kendrick Lamar zijn doordesemd van het zwarte militantisme van de jaren zestig. Zowel muzikaal als visueel hebben zij dingen gedaan waarmee ze kwesties als politiegeweld en gender op de maatschappelijke agenda kregen. De Coachella-show van Beyoncé vorig jaar was een geschiedenisles for the millions. Is dat tegencultuur? Nee, de film is gemaakt door Netflix. Maar de impact was enorm.’

Heel burgerlijk

Maar dat de tegencultuur zoals die in de sixties werd begrepen vandaag niet meer bestaat, lijkt duidelijk. ‘In de jaren zestig telde de popmuziek met rock, psychedelica, folk en soul maar een handvol stromingen. Vandaag bestaan er zo veel subgenres dat het voor een artiest onmogelijk is geworden mensen te verenigen rond één muziektaal die een hele generatie aanspreekt’, zegt Buelens.

Daarbij komt dat het internet en de globalisering van de cultuur het onmogelijk maken iets onder de radar te laten sudderen. Buelens: ‘Voor wie nu jong is, lijken de jaren zestig de middeleeuwen. Het volledige culturele bestaan van jongeren speelt zich online af, staat in dienst van YouTube, Facebook en Spotify. Er ontsnapt amper iets aan het zicht van de cultuurindustrie. Dat maakt het ontzettend moeilijk om je een wereld voor te stellen die anders zou kunnen zijn. ’

Beluister de muziek uit de reeks

 

Dat de tegencultuur in de muziek een soort leitkultur is geworden, betekent niet dat we de term maar beter begraven. ‘Er bestaan nog vormen van tegencultuur,’, zegt Buelens, ‘maar dan meer in een brede maatschappelijke context. Het zijn de mensen die de status quo in de samenleving niet aanvaarden. De klimaatspijbelaars waren een vorm van tegencultuur. Letterlijk, zelfs. Ze lapten de officiële regels - de schoolplicht - aan hun laars.’

‘Je zou hen de bloemenkinderen van vandaag kunnen noemen. Ze stellen dezelfde niet-materiële waarden voorop als de hippies. Alleen is de manier waarop ze dat doen heel burgerlijk. Ze zoeken het hart van de democratie op. Ze gaan het gesprek aan met politieke leiders en wetenschappers om samen tot verandering te komen. Terwijl veel kinderen van Woodstock zeiden: ‘We stappen uit de samenleving.’’

Lees verder

Advertentie
Advertentie