Ingewikkelde structuren voor grote vermogens

Wie een groot vermogen bezit, kan ook grote structuren opzetten om alles fiscaal vriendelijk na te laten aan het nageslacht. Patrimoniumvennootschappen en burgerlijke maatschappen kunnen dan in aanmerking komen.

Het gedoodverfde voordeel van een patrimoniumvennootschap bestaat erin dat u via zo'n vehikel uw onroerende eigendommen vrij van successie- of schenkingsrechten kan overdragen aan uw nageslacht. U bent immers niet meer rechtstreeks eigenaar van uw onroerende goederen, maar wél via de tussenstap van de vennootschap. Of anders gezegd: uw vennootschap is - als gevolg van uw inbreng - eigenaar geworden van uw onroerende goederen en u bent op uw beurt eigenaar van de aandelen van de vennootschap. Het voordeel hiervan is dat aandelen per definitie roerende goederen zijn. En roerende goederen kunnen via een handgift vrij van successie- of schenkingsrechten worden doorgegeven aan uw erfgenamen. Voorwaarde voor de belastingvrijstelling is wél dat u na de schenking nog drie jaar blijft leven (zie ook "Gegeven is gegeven... maar terugvragen niet altijd dieven"). Maar ook als u de aandelen pas op uw sterfbed wegschenkt, kan de fiscale kostprijs in Vlaanderen beperkt blijven (zie ook "Verlaagde schenkingsrechten in Vlaanderen").
Tegenover dit fiscaal voordeel staat echter ook een fiscaal nadeel. Bij de inbreng van uw onroerende goederen in een patrimoniumvennootschap, bent u een inbrengrecht van 12,5 procent verschuldigd. Of met andere woorden: wil u uw eigendommen onder zo'n belastingvriendelijke stolp plaatsen, dan moet u eerst een hoog entreegeld betalen.
Zetten we het fiscale nadeel - namelijk het registratierecht bij de inbreng - tegenover het fiscale voordeel - met name de mogelijkheid om successierechten te ontwijken - dan wordt meteen duidelijk dat u al een groot vastgoedpatrimonium moet bezitten voor u belastingen kan besparen. Voor een vastgoedpatrimonium met een waarde van minder dan € 750.000 zal het oprichten van een vennootschap zelden interessant zijn.

Aan een patrimoniumvennootschap zijn bovendien ook nog andere kosten en nadelen verbonden. Zo moet de oprichting altijd voor de notaris gebeuren, wat relatief hoge oprichtingskosten meebrengt (minimum € 1.000). Om de waarde van de ingebrachte goederen te bepalen moet u bovendien beroep doen op een bedrijfsrevisor, en die werken evenmin gratis. Verder moet u de vennootschap beheren en de boekhouding voeren, de jaarrekening publiceren, enzovoort. Per jaar moet u hiervoor, zelfs voor een kleine vennootschap, minstens € 2.000 à € 2.500 aan kosten rekenen.
Brengt u ook de gezinswoning in de patrimoniumvennootschap in, dan moet u er bovendien rekening mee houden dat de rechten van de langstlevende echtgenoot op de woning afnemen. In een privé-situatie beschikt de langstlevende echtgenoot normaal over het volledige vruchtgebruik van de gezinswoning. Zit de woning in de vennootschap, dan beschikt de langstlevende echtgenoot enkel over het vruchtgebruik van de aandelen van de vennootschap. De kinderen, die de naakte eigenaars van de aandelen zijn, kunnen dan gebruik maken van hun zogenaamde 'zittingsrecht', waardoor de bescherming van de langstlevende echtgenoot grotendeels wegvalt.
Alles bij elkaar zijn er heel wat elementen waarmee u rekening dient te houden wanneer u overweegt een patrimoniumvennootschap op te richten. Raadpleeg dus zeker een specialist voor u deze stap zet.

In wezen is een burgerlijke vennootschap veel eenvoudiger van opzet dan een patrimoniumvennootschap. U- gaat gewoon met uw kinderen (of andere erfgenamen) rond de tafel zitten en gezamenlijk richt u een vereniging op met als doel uw geld te beheren, een soort van beleggingsclubje dus. De tussenkomst van een notaris om een oprichtingsakte op te maken is hierbij niet vereist. En de statuten van de vereniging mag u gewoon zelf opstellen, van een datum voorzien en door alle vennoten laten ondertekenen.
In de statuten van de vereniging stelt u zichzelf aan als zaakvoerder, met de meest uitgebreide volmachten, zodat u zelf het recht behoudt om het geld te beheren. Zo lang u leeft behoudt u dan als voorzitter van de club de zeggenschap over uw geld. Door de vennootschapsstructuur wordt het beheerde vermogen echter al wel van bij de oprichting mee eigendom van de andere vennoten, meestal de kinderen. De juridische vermogensoverdracht gebeurt dus bij de oprichting, maar zolang u leeft, blijft u de baas.
Een essentiële vereiste van zo'n burgerlijke maatschap is dat er winst moet worden nagestreefd. Bovendien moeten alle vennoten delen in de winst en het verlies. Dat sluit echter niet uit dat in de statuten bepaald kan worden dat de opbrengsten in de vennootschap blijven en verder beheerd worden door de zaakvoerder. Maar ook andere modaliteiten zijn mogelijk. Zo kan u bijvoorbeeld ook stipuleren dat de inkomsten van het beheerde vermogen aan de zaakvoerders worden uitgekeerd.
Hoewel alles vrij eenvoudig lijkt, is het toch belangrijk dat de statuten van zo'n maatschap doordacht worden opgesteld. Alleen goede statuten kunnen er immers voor zorgen dat u als zaakvoerder niet kan worden ontzet uit uw functie, dat de leden de club niet eenzijdig kunnen ontbinden, dat het maatschapsvermogen pas daadwerkelijk in handen komt van uw erfgenamen na het overlijden van u en uw partner, enzovoort... De hulp van een vermogensadviseur is daarbij best welkom.

Tenslotte zijn er nog de trusts en familiestichtingen. Hierbij wordt het vermogen officieel overgedragen naar een derde, meestal een buitenlandse stichting, die het beheer van het familievermogen op zich neemt. Hierdoor worden de vetpotten aan de rechtstreekse beschikkingsmacht van de familieleden onttrokken. Zelfs na het overlijden van de pater familias blijft het beheer van vermogen toevertrouwd aan de stichting, die dat doet volgens de oorspronkelijke wensen van de stamvader. Zo wordt als het ware een dode hand gecreëerd die zelfs na de dood van vader en moeder verder regeert vanuit het graf.

Frida Deceunynck

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud