Belastingen, taksen en fiscale amnestie

Aandelenbeleggers kunnen op twee manieren geld verdienen: via de dividenden en door het stijgen van de koers. De gerealiseerde meerwaarde - zeg maar de koerswinst - is in ons land vrij van belasting. Maar op de uitgekeerde dividenden moet u roerende voorheffing betalen. Soms zelfs tot twee keer toe...

  • Aandelenbeleggers hopen op stijgende koersen, want dat is met aandelen dé manier bij uitstek om winst te boeken. Bovendien is de geboekte meerwaarde belastingvrij voor particulieren. Koopt u een pakket aandelen voor 10.000 euro en verkoopt u het later opnieuw voor 12.000 euro, dan moet u op de winst van 2.000 euro geen belasting betalen. Datzelfde principe is ook van toepassing bij de aankoop van een aandelenbevek of -sicav. Op de gerealiseerde meerwaarde is geen belasting verschuldigd.
  • De meeste beursgenoteerde bedrijven keren jaarlijks een deel van hun winst uit aan hun aandeelhouders onder de vorm van een dividend. Op die dividenduitkering is wél belasting verschuldigd, namelijk 25 procent roerende voorheffing. Voor de belegger in Belgische aandelen verloopt alles heel eenvoudig. Van het brutodividend wordt bij de uitkering meteen 25 procent roerende voorheffing ingehouden door de uitbetalende instelling (bank of beursvennootschap). Die zal de ingehouden voorheffing meteen doorstorten naar de fiscus. De ingehouden voorheffing is 'bevrijdend'. Dat wil zeggen dat het dividendinkomen niet meer moet worden opgegeven in de belastingaangifte, en dat u er dus ook geen gemeentelijke opcentiemen meer op verschuldigd bent.
  • Kan u als belegger een zogenaamde 'VVPR-strip' van uw aandeel voorleggen, dan wordt de roerende voorheffing op het dividend gereduceerd tot 15 procent. VVPR is de afkorting voor 'verminderde voorheffing - précompte réduit'. Van het brutodividend wordt dan slechts 15 procent belasting ingehouden door de uitbetalende bank of beursvennootschap. De VVPR-strips - die net als de aandelen zelf verhandeld worden op de beurs - zijn echter niet voor alle aandelen voorhanden. Bovendien zijn ze niet allemaal even interessant. Soms ligt de koers van een VVPR-strip hoger dan het belastingvoordeel dat u ermee boekt. In zo'n geval zijn de strips enkel interessant wanneer u het aandeel langer dan één jaar bijhoudt, zodat u de strip voor meer dividenduitkeringen kan gebruiken.
  • Het dividendinkomen van buitenlandse aandelen wordt zwaarder belast dan dat van Belgische. Eerst roomt de fiscus van het land van herkomst het dividendinkomen af, en vervolgens houdt de Belgische fiscus nog eens 25 procent af van het resterende deel. Het percentage van de buitenlandse bronbelasting op dividenden verschilt van land tot land. In Nederland, Frankrijk en Canada bijvoorbeeld bedraagt het percentage 25 procent. In Luxemburg 20 procent, in Duitsland 21,1 procent, in Italië 27 procent, in de Verenigde Staten 30 procent en in Japan 10 procent. Om de fiscale pijn te verzachten, sloten verschillende landen onderling een dubbelbelastingverdrag af, waardoor een deel van de verschuldigde belasting wegvalt. Meestal zorgt dat ervoor dat de buitenlandse belasting beperkt blijft tot 15 procent. De Belgische belasting van 25 procent blijft evenwel altijd bestaan. Om de dubbele belasting (gedeeltelijk) te kunnen recupereren, moeten de nodige formulieren ingevuld worden. Sommige banken doen dat voor hun klanten. Informeer wel altijd vooraf welke kosten daarvoor aangerekend worden, want soms kunnen die kosten wel eens oplopen tot 60 euro per recuperatie. Op www.fisconet.be vindt u onder de rubriek 'directe belastingen-wetgeving-internationaal-overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting' een overzicht van de landen waarmee België zo'n dubbelbelastingverdrag heeft afgesloten. De formulieren die u moet invullen om de belasting te recupereren, moet u aanvragen bij het Centraal Taxatiekantoor te Brussel - Buitenland, in het North Galaxykantoor, Koning Albert II-laan 33, 1030 Brussel. Tel. 02/336.89.43

Nieuwe belastingen op obligatiebeveks en verzekeringsbeleggingen

In het najaar van 2005 toverde de regering twee nieuwe belggingsbelastingen uit haar hoed. Ten eerste werd een roerende voorheffing van 15 procent ingevoerd voor meerwaardes van obligatiebeveks. En tweede werd een verzekeringstaks van 1,1 procent in het leven geroepen.

  • Aan de fiscaliteit van obligatiefondsen mét couponuitkering moest niets worden gewijzigd. De uitgekeerde coupons van die fondsen zijn al sinds jaar en dag onderworpen aan de roerende voorheffing. Voor beveks bedraagt die belasting 15 procent, voor sicavs is dat 25 procent.
  • Voor obligatiefondsen zonder couponuitkering werd een meerwaardebelasting van 15 procent ingevoerd. Tot 1 januari 2008 wordt enkel het rentebestanddeel van de meerwaarde belast. Dat is het deel van de meerwaarde dat afkomstig is van coupons die door de bevek werden geïncasseerd, dus zonder rekening te houden met eventuele meerwaarden van de obligaties in portefeuille. De banken zullen dat moeten berekenen. Enkel de rentemeerwaarde die sinds 1 juli 2005 gecreëerd werd, is onderworpen aan de belasting. Voor wie kan bewijzen dat hij of zij de deelbewijzen later aankocht, is alleen de rentemeerwaarde sinds de aankoop belastbaar. Die regeling geldt enkel voor fondsen met een Europees paspoort. In de praktijk zijn dat bijna alle fondsen, uitgezonderd die met kapitaalbescherming op de einddatum.
  • Vanaf 1 januari 2008 zal de volledige gerealiseerde meerwaarde belastbaar zijn. Of anders gezegd: Vanaf dan wordt de roerende voorheffing gewoon berekend op het verschil tussen de inventariswaarde van de deelbewijzen bij de verkoop, en die bij de aankoop ervan. Voor deelbewijzen die werden aangekocht voor 1 juli 2005, geldt die datum altijd als startwaarde voor de berekening van de meerwaarde.
  • Vanaf 1 januari 2006 wordt de beurstaks bij de verkoop van fondsen zonder couponuitkering opgetrokken van 0,5 procent tot 1,1 procent. Deze verhoogde beurstaks zal ook geldig zijn wanneer wordt overgestapt van een fonds zonder couponuitkering naar een ander fonds (met of zonder couponuitkering). Deze verhoogde beurstaks geldt voor alle kapitalisatiefondsen, dus niet enkel voor de obligatiefondsen. Vanaf 1 januari 2008 wordt de beurstaks teruggebracht naar 0,5 procent, tenzij de regering daar tegen die tijd anders over beslist.
  • Om beleggers aan te moedigen om te beleggen in fondsen met couponuitkering, waarop zoals gezegd jaarlijks roerende voorheffing wordt betaald, heeft de regering beslist om tijdelijk de beurstaks te laten vallen bij de overstap van kapitalisatiefondsen naar fondsen mét couponuitkering. Deze maatregel geldt enkel in januari en februari 2006. Hieraan is wel één voorwaarde verbonden: de omgezette deelbewijzen moeten gedurende minstens één jaar aan gehouden worden op een effectenrekening. Om dit te controleren werd gekozen voor een systeem waarbij de beurstaks in eerste instantie wél wordt ingehouden maar na een jaar kan worden teruggevorderd.
  • Door deze nieuwe regeling wordt de fiscale druk op obligatiefondsen zonder couponuitkering buitensporig hoog. Niet alleen is voortaan 15 procent roerende voorheffing verschuldigd op de rentemeerwaarde van de deelbewijzen, maar bovendien moet bij de verkoop van de deelbewijzen ook 1,1 procent beurstaks worden betaald op de volledige verkoopwaarde. Obligatiefondsen mét couponuitkering zullen vanaf 2006 dan ook sterk te verkiezen zijn. Overstappen tijdens de 'koopjesperiode' van januari-februari 2006 is dan ook de boodschap!

Verzekeringstaks van 1,1 procent
Beleggers die geld storten voor een beleggingsverzekering zullen vanaf 1 januari 2006 een taks van 1,1 procent moeten betalen op de gestorte premie. Hoewel de minister in eerste instantie suggereerde dat die taks betaald zou moeten worden door de verzekeringsmaatschappijen, blijkt uit het uiteindelijke wetsontwerp dat het wel degelijk de beleggers zijn die voor de taks zullen moeten opdraaien. Als belegger zal u dus voortaan bovenop de premie een premietaks van 1,1 procent moeten betalen.
De premietaks van 1,1 procent zal zowel gelden voor verzekeringen met een gewaarborgd minimumrendement (tak 21) als voor verzekeringen die gekoppeld zijn aan beleggingsfondsen (tak 23). Daaronder vallen zowat alle populaire beleggingsverzekeringen, denk aan verzekeringsrekeningen zoals First, Crest,_ en aan tak 23-spaarplannen.
Verder zal de taks ook gelden voor meer 'klassieke' vormen van levensverzekeringen, zoals schuldsaldoverzekeringen en levensverzekeringen die in aanmerking komen voor de fiscale aftrek tot 1.860 euro. Ook wanneer u een kapitaal omzet in een lijfrente, zal u voortaan die verzekeringstaks moeten neertellen.
Er bestaan echter drie uitzonderingen op de algemene regel. Ten eerste zal de taks niet verschuldigd zijn voor de premies van pensioenverzekeringen die vallen onder de regeling van de fiscale aftrekbaarheid tot 780 euro. Ten tweede is een vrijstelling voorzien voor stortingen in het kader van het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen (VAPZ). En ten derde zal de taks niet verschuldigd zijn bij de omzetting van groepsverzekeringskapitalen in een lijfrente.

Beurs- en leveringstaks: afgeschaft maar niet volledig weg

In juli 2004 werd de Belgische staat door Europa veroordeeld tot de afschaffing van de beurs- en leveringstaks op nieuwe effecten. Maar helemaal verdwenen is die gewraakte taks daarmee nog niet...

Beurs- en leveringstaks mogen niet worden aangerekend voor nieuwe effecten. Maar bij de verhandeling van bestaande effecten mag die belasting nog wél geheven worden. Laat ons even bekijken wat dat concreet betekent voor de belangrijkste beleggingsvormen.

Bij de aankoop van deelbewijzen van een beleggingsfonds, sicav of bevek mogen geen beurs- en leveringstaks meer worden aangerekend. Wanneer een belegger intekent op een fonds worden immers altijd nieuwe deelbewijzen gecreëerd door de bank. Bij de omzetting van deelbewijzen in deelbewijzen van een ander compartiment of bij de terugkoop van de deelbewijzen door de bank kan echter nog wel beurstaks worden aangerekend. Bij kapitalisatiesicavs en -beveks (dus zonder couponuitkering) geldt sinds één januari 2006 een tarief van 1,1 procent bij verkoop of verandering van compartiment. Bij fondsen mét couponuitkering is de taks volledig afgeschaft.
Om alles lekker ingewikkeld te maken, werd hierop toch weer een uitzondering gecreëerd: beleggers die tijdens de maanden januari en februari (2006) overstappen van een kapitalisatie-obligatiefonds naar een obligatiefonds met couponuitkering kunnen de betaalde beurstaks een jaar later recupereren wanneer ze de deelbewijzen het hele jaar door aanhouden op een effectenrekening. Na februari bedraagt de beurstaks bij verkoop of overstap van alle fondsen zonder couponuitkering 1,1 procent. Vanaf 2008 geldt opnieuw een beurstaks van 0,5 procent, tenzij de regering daar tegen dit tijd anders over beslist. laatste twee zinnen vallen weg.

Bij kas- en staatsbons zijn sinds 16 juli 2004 de beurstaks (0,14 procent) en de leveringstaks (0,60 procent) bij aankoop bijna volledig verdwenen. Staats- en kasbons worden immers meestal 'nieuw' aangeboden, meteen bij de uitgifte. Voor kasbons gebeurt die uitgifte doorlopend door de banken, voor staatsbons tijdens vier vaste periodes per maand. Wie zijn stukken weer wil verkopen voor de vervaldag, kan de effecten echter niet rechtstreeks opnieuw aanbieden bij de uitgever, maar moet daarvoor langs de beurs - de secundaire markt dus - passeren. Voor de kopers van die halfverlopen stukken op de beurs blijft de beurstaks (0,07 procent) dan ook bestaan. Vaak zijn die kopers geen particulieren maar professionele beleggers.

En dan zijn er nog de obligaties. Op het vlak van obligaties zijn zowel primaire uitgiftes als transacties op de beurs gebruikelijk. Voor de aankoop van obligaties meteen bij de uitgifte is de beurstaks van 0,14 procent afgeschaft. Dat maakt dat primaire uitgiftes nu kosteloos aangekocht kunnen worden, vermits hier ook geen extra commissielonen aan te pas komen. Voor de materiële levering van primaire obligaties is ook de leveringstaks weggevallen, maar blijven de bankkosten evenwel bestaan. Voor de aankoop van bestaande obligaties op de beurs is alles bij het oude gebleven. De beurstaks bedraagt 0,07 procent, de eventuele leveringstaks 0,60 procent, en daarbij komt ten slotte nog het commissieloon en eventueel de leveringskost van de bank of beursvennootschap die de transactie uitvoert.

Voor aandelentransacties ten slotte is er nagenoeg niets veranderd op het vlak van beurs- en leveringstaks. Aandelen worden immers op de beurs verhandeld, tussen beleggers onderling (mits een bank of beursvennootschap bemiddelt). De beurstaks van 0,17 procent die op het aankoopborderel wordt aangerekend, is dus ook nu nog van kracht. Ook de leveringstaks blijft overeind voor beleggers die de aangekochte aandelen nadien fysiek geleverd willen krijgen.
Enkel wanneer een bedrijf nieuwe aandelen uitgeeft, bijvoorbeeld bij een kapitaalsverhoging, gaat het om nieuwe effecten en is er geen beurstaks meer.

Vanaf 1 januari 2006 is een nieuwe fiscale amnestieregeling van kracht. Met de Eenmalige Bevrijdende Aangifte (EBA) van twee jaar geleden heeft die niets meer te maken. Hoe zien de krachtlijnen van de nieuwe regeling eruit?

  • Wie berouw heeft over zijn fiscale zonden van het verleden kan voortaan op een eenvoudige manier weer in het reine komen met de fiscus. Er werd een nieuwe regeling gecreëerd die de mogelijkheid biedt om ontdoken BTW te regulariseren, evenals de belasting op beroepsinkomsten en zogenaamde 'diverse inkomsten'. Tot derde laatste categorie behoren alle inkomsten die niet in één van de beide andere categorieën thuishoren, zoals interesten en dividenden, huurgelden en diverse inkomsten. In de praktijk blijkt de regeling vooral geschikt voor het regulariseren van ontdoken belastingen uit deze derde categorie, zoals roerende voorheffing, successierechten, enzovoort... Enkel bij de regularisatie van 'diverse inkomsten' is namelijk discretie gewaarborgd en blijven de fiscale naheffingen relatief beperkt.
  • Wie gebruik wil maken van de 'fiscale regularisatie' moet zich rechtstreeks richten tot een contactpunt binnen de Federale Overheidsdienst Financiën, dat hiervoor specifiek wordt opgericht. Bij de regularisatie van beroepsinkomsten en BTW-verrichtingen wordt na de regularisatie een kopie van het attest overgemaakt aan de plaatselijke controledienst van de belastingplichtige. Bij de regularisatie van 'diverse inkomsten' is confidentialiteit gewaarborgd en blijft alles binnenskamers.
  • Bij de regularisatie zijn in een eerste fase geen boetes verschuldigd. Om de verschuldigde naheffing te bepalen, berekent het contactpunt gewoon welke 'normale' belastingen verschuldigd waren op de aangegeven inkomsten, rekening houdend met de aard van de inkomsten en de periode waarin ze werden geïnd. Of met een voorbeeld: op niet-aangegeven obligatiecoupons uit 2002 zal een naheffing van 15 procent verschuldigd zijn, verhoogd met de gemeentelijke opcentiemen die van toepassing waren in 2002. Bij de regularisatie van beroepsinkomsten wordt geen rekening meer gehouden met de aftrek van beroepskosten, fiscale vrijstelling, fiscaal aftrekbare uitgaven enzovoort.
  • Voor aangiftes die gedaan worden na 30 juni 2006 wordt een belastingverhoging van 5 procent toegepast. Of met een voorbeeld: bij de regularisatie van niet-aangegeven rente-inkomsten zal naast de roerende voorheffing van 15 procent (plus gemeentelijke opcentiemen) een surplusbelasting van 5 procent worden aangerekend, zodat de totale belasting op 20 procent (plus opcentiemen) komt. Die belastingverhoging wordt opgetrokken tot 10 procent voor de aangiftes die plaatsvinden vanaf 1 januari 2007.
  • Een 'fiscale regularisatie' veegt volledig de spons over de gepleegde fiscale fraude, ook strafrechtelijk. Dat wil zeggen dat de belastingplichtige ook voor de rechtbank niet meer kan vervolgd worden voor de gepleegde fiscale misdrijven. Daar zijn wel enkele uitzonderingen op: De strafrechtelijke immuniteit geldt enkel voor de periode waarin de ontdoken belastingen werden geregulariseerd (en dus niet voor eventuele belastingontduiking in de jaren ervoor, die fiscaal verjaard is en dus niet meer geregulariseerd wordt). Verder geldt de strafrechtelijke immuniteit evenmin voor ernstige en georganiseerde fiscale fraude en voor misdrijven die voorkomen op de lijst van de preventieve witwaswet, zoals terrorisme, georganiseerde misdaad, illegale drughandel, illegale handel in wapens, goederen en koopwaar, handel in clandestiene werkkrachten, mensenhandel, exploitatie van prostitutie enzovoort.

Frida Deceunynck

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud