Centraal-Europese aandelen halen risico portefeuille naar beneden

Beleggers in Europese aandelen zijn gebaat met een diversificatie naar Centraal-Europese stukken. Het kan niet alleen een extra return opleveren, maar ook het risico van hun portefeuille omlaag halen.

Hongarije (op de foto de hoofstad Boedapest) is een van de landen die vorig jaar een sterke economische groei kende.

(tijd) - In 2005 legden de acht grote Centraal-Europese landen (Polen, Hongarije, Tsjechië, Slovakije, Slovenië en de drie Baltische staten) een reële groei van hun bruto binnenlands product (bbp) van bijna 5 procent voor. Dat is een veelvoud van de 1,4 procent die in de eurozone werd geboekt. De nieuwe EU-lidstaten waren niet aan hun proefstuk toe: over de afgelopen tien jaar bedroeg de economische groei er gemiddeld een kleine 3,5 procent. Dat is ruim 1 procent boven het groeiritme van de oorspronkelijke EU-landen.

De Centraal-Europese landen waren de voorbije jaren succesvol in het aantrekken van buitenlandse investeerders. Daardoor bouwden ze een stevige exportbasis op. Op de markten van de oude EU-landen nemen ze nu een gezamenlijk marktaandeel van bijna 4 procent in, ruim een verdubbeling tegenover tien jaar geleden.

Daar zijn verschillende redenen voor. De nabijheid van en de vlotte toegang tot de Europese afzetmarkten is er een. Ook de erg lage loonkosten (gemiddeld zowat een vijfde van het niveau in de 15 oude EU-landen) en een aantrekkelijk fiscaal systeem (het gemiddelde tarief in de vennootschapsbelasting blijft beperkt tot 20 procent) misten hun effect niet. De buitenlandse investeringen bedroegen er de voorbije jaren gemiddeld meer dan 3 procent van het bbp. Opvallend is trouwens dat Centraal-Europa op dat vlak heel wat succesvoller is dan de Zuid-Europese landen in de aanloop naar hun EU-toetreding.

Die toevloed aan buitenlandse investeringen zorgde voor een transformatie van de lokale economie. De productiviteit ging er de afgelopen jaren spectaculair op vooruit, wat zich uitte in stijgende inkomens en een steeds bredere basis voor de lokale consumptie. Ook de inflatiecijfers kwamen gevoelig naar beneden en behoren ondertussen tot de laagste in Europa.

Ruimschoots

Dat economische succes werd ruimschoots weerspiegeld in de financiële markten. De renteverschillen met de eurozone liepen gevoelig terug en de aandelenmarkten in de regio (vooral die in Polen, Hongarije en Tsjechië zijn belangrijk) behoorden de afgelopen jaren zonder meer tot de sterkste in de wereld. De gemiddelde return (uitgedrukt in euro) in de grootste drie Centraal-Europese markten (gelijk gewogen) bedroeg de afgelopen twaalf jaar zo'n 12 procent per jaar. In West-Europa was dat 8 procent, in Latijns-Amerika een kleine 7 procent en in Azië zelfs een negatieve return.

Zoals de afgelopen maanden nog werd bewezen, stond tegenover die mooie beursreturn een hoger risico. De gemiddelde koersvolatiliteit lag in die markten hoger dan in de klassieke Europese markten. Wordt echter een korf van de drie markten gemaakt, dan blijft het verschil (zeker met de markten in Euroland) echter verrassend klein.

Opvallend is voorts dat de schommelingen aanzienlijk kleiner zijn dan op andere groeimarkten. Daar zijn een paar redenen voor. Vooreerst zijn die markten vrij defensief van sectorsamenstelling. De financiële sector, telecomoperatoren en nutsbedrijven vormen een groot stuk van de markt. Dat steekt schril af tegen bijvoorbeeld Azië, waar de technologiesector een belangrijke plaats inneemt en Latijns-Amerika en Rusland, waar grondstoffenproducenten domineren. Een tweede belangrijke factor is de inbedding in het orthodox monetair beleid in de landen van de Europese Muntunie. Met elk een verschillende timing zijn die landen immers op weg naar een toetreding tot de eurozone.

De Maastricht-criteria vormen een belangrijk onderdeel van het economisch beleid. Het voldoen aan die criteria voor prijsstabiliteit, budgettair evenwicht, overheidsschuld, rente en wisselkoersstabiliteit is niet vanzelfsprekend en de Europese Commissie delibereert streng. Vooral de recente opsprong van de inflatiecijfers onder druk van hogere olieprijzen vormt een struikelblok voor landen die op andere criteria al sterk voor de dag komen, zoals de Baltische staten.

Geen haast

Sommige landen, zoals Tsjechië en Slovakije, voldoen aan de meeste criteria maar tonen dan weer geen haast om snel toe te treden. Voor de grotere landen, Polen en vooral Hongarije, vormt het begrotingstekort het grootste struikelblok. Politieke instabiliteit bemoeilijkt het beleid in Polen.

Groter nog zijn de problemen in Hongarije. Toen Eurostat in september van vorig jaar vaststelde dat een aantal uitgaven onterecht uit de begroting werden gehouden, liep het begrotingstekort in een klap op tot meer dan 6 procent van het bbp. De maatregelen die de nieuw verkozen socialistische regering sindsdien aankondigde, konden nog niet overtuigen. Kortom, de toetreding tot de euro is zeker nog niet voor morgen. Belangrijk is echter dat de doelstellingen van evenwichtig economisch beleid overeind blijven wat het risico voor (buitenlandse) beleggers aanzienlijk beperkt.

Ondanks het mooie groeiparcours van de voorbije jaren blijft de economische achterstand in de meeste landen vrij aanzienlijk. Het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking haalt gemiddeld nauwelijks meer dan 50 procent van het gemiddelde van de oude EU-lidstaten.

De verschillen tussen de landen zijn wel groot. Zo benadert het relatief rijke Slovenië met drie vierde van het EU-inkomensniveau ongeveer de rijkdom van Griekenland, terwijl Polen amper op iets meer dan 40 procent van de inkomens in de oude EU-landen uitkomt. Een eenvoudige berekening leert dat het Polen, in de huidige groeiritmes, nog meer dan twintig jaar zal kosten om op 75 procent van het gemiddelde Europese inkomen per hoofd uit te komen.

Aanhouden

Hoewel de loonkloof de afgelopen jaren is verkleind, blijft het verschil nog voldoende groot opdat de vloed aan buitenlandse investeringen kan aanhouden. Dat groeipotentieel is op dit ogenblik niet verdisconteerd in de beurskoersen. Met uitzondering van Tsjechië liggen de koers-winstverhoudingen in de regio lager dan in de eurozone.

Een diversificatie naar Centraal-Europese aandelen kan dus toegevoegde waarde bieden voor beleggers die zich klassiek vooral op Europese aandelen richten. Het risico is aanzienlijk kleiner dan een vergelijkbare belegging in andere groeimarkten. Toch treedt een diversificatie-effect op: de correlatie met de returns op de brede Europese markt bedraagt ongeveer 50 procent.

Het toevoegen van een gediversifieerde portfolio van Centraal-Europese aandelen aan een Europese aandelenportefeuille zorgt dus niet alleen voor extra return, maar brengt ook het risico van de portefeuille wat naar omlaag. Simulaties op historische koersgegevens van de jongste twaalf jaar wijzen uit dat met 10 procent Centraal-Europese aandelen in portefeuille de jaarlijkse opbrengst al gauw 0,5 procent hoger kan liggen. De gemiddelde schommeling van de portefeuille valt dan zelfs meer dan 0,6 procent kleiner uit.

Voor beleggers die de stap naar de lokale markt niet willen doen, is er een alternatief. Zij kunnen beleggen in West-Europese bedrijven die een belangrijk deel van hun winst en groei in de regio realiseren. Dat soort bedrijven vind je vooral terug in de financiële sector en bij de telecomoperatoren.

Bij de telecomspelers zijn vooral de Scandinavische operatoren Telenor, TDC en Teliasonera vrij actief, maar ook voor France Télécom en Deutsche Telekom zijn respectievelijk Polen en Hongarije belangrijke groeimarkten. In de banksector zijn vooral de Oostenrijkers, Erste Bank en Raiffeisen, maar ook de Italianen Unicredito en Banca Intesa sterk vertegenwoordigd.

Dirk Thiels (Hoofd Aandelenfondsen KBC Asset Management)

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud