Hoeveel aandelen hebt u nodig voor uw portefeuille?

Als belegger wilt u dat uw effecten opbrengen, maar dat is helaas niet zonder risico. Om het risico te beperken, doet u er goed aan uw beleggingsportefeuille te spreiden over aandelen, fondsen, obligaties, cash, enzovoort. Uw aandelenportfolio zélf bestaat uiteraard ook uit verschillende aandelen. Maar hoeveel aandelen hebt u eigenlijk nodig? Bestaat er een minimum en misschien ook wel een maximum? En hoe bouwt u die aandelenportefeuille het best op?

De Belgische belegger zondigt traditioneel tegen het spreiden van aandelen. Zo bevat zijn effectenportefeuille gemiddeld tussen 3,5 en 4,5 verschillende aandelen. Aandelenspreiding is nochtans van essentieel belang om onaangename verrassingen in een portefeuille te vermijden. Maar wat houdt die diversificatie precies in? Betekent dit dat u in zoveel mogelijk verschillende kwaliteitsaandelen moet beleggen?

Er bestaat een oude volkswijsheid die zegt: 'Leg niet al uw eieren in één mand.' Deze stelling kunnen we illustreren aan de hand van een voorbeeld. Stel, een jaar geleden had u 50.000 euro ter beschikking om te investeren. Twee aandelen leken u op dat moment een belegging waard: de lingeriefabrikant Van de Velde en de chemiereus Solvay. Als u toen het volledige kapitaal geïnvesteerd had in Van de Velde, dan was uw kapitaal vandaag aangedikt tot zo'n 57.500 euro. Dit aandeel zette in een jaar tijd een koersstijging van ongeveer 15 procent neer. Had u destijds echter gekozen voor Solvay, dan keek u vandaag aan tegen een verlies van 15 procent. Uw kapitaal was in een jaar tijd dus geslonken tot 42.500 euro.

Had u in bovenvermeld voorbeeld uw risico kunnen verminderen? Ja, want u had het bedrag kunnen verdelen over de twee aandelen, door bijvoorbeeld 25.000 euro in elk aandeel te beleggen. Een jaar later was uw totale opbrengst dan 0 procent geweest: met de winst die u realiseerde op Van de Velde had u het verlies op Solvay goedgemaakt. Toegegeven, geen groots resultaat, maar u zou in elk geval geen verlies geleden hebben. Door de spreiding van uw kapitaal over twee aandelen kon u het risico van uw aandelenportefeuille dus aanzienlijk beperken.

Door de spreiding van uw aandelen nu systematisch op te voeren, moet u er in slagen het risico van uw portefeuille sterk te verminderen, terwijl u toch een mooi rendement behaalt. Misschien hebt u - in tegenstelling tot de gemiddelde belegger - wél begrepen dat diversificatie essentieel is, zodat uw portefeuille opgebouwd is uit een goede selectie van verschillende aandelen. Maar wie weet is die in de loop der jaren wel uitgegroeid tot een allegaartje van bijvoorbeeld 4 technologiewaarden, 3 farmaceutische en 2 chemieaandelen, een zestal bank- en verzekeringswaarden en dan nog een aantal aandelen in de distributie- en voedingssector? In totaal dus misschien wel een 25-tal verschillende bedrijven, waarvoor u 25 keer aankoopkosten heeft betaald, en die u alle 25 even zorgvuldig wilt opvolgen. Bent u niet té ijverig geweest? Hebt u werkelijk zoveel aandelen nodig om tot een goed beleggingsresultaat te komen?

Diverse onderzoekers (onder meer Wagner en Lau, Praetz, Lee en Byrne) hebben hier al sinds het begin van de jaren '70 onderzoek naar uitgevoerd. De conclusies van al deze studies kunnen we als volgt samenvatten: het risico binnen de portefeuille neemt af naarmate het aantal aandelen toeneemt, maar het verschil in risico is veel kleiner tussen bijvoorbeeld 5 en 10 aandelen dan tussen 25 en 30. Onderzoeken hebben aangetoond dat u het risico van uw portefeuille met zo'n 65 procent kunt verminderen als u belegt in een tiental verschillende aandelen in plaats van in slechts één aandeel. Bij 15 aandelen wordt uw risico al beperkt met ongeveer 80 procent. Als u echter nóg meer aandelen opneemt, dan vermindert het risico nog wel, maar in een veel trager tempo. Kortom: het loont niet meer de moeite.

Zo'n 15 à 20 aandelen - verdeeld over verschillende bedrijven, sectoren en regio's - zijn dan ook ruim voldoende voor een goed gespreide portefeuille. Uiteraard hoeven die 15 of 20 aandelen niet continu dezelfde te zijn. Afhankelijk van het beursklimaat, de opportuniteiten in de markt en de koerswinsten of -verliezen die u geboekt heeft, kunt u aandelen in en uit uw portefeuille halen. De bovengrens van 20 aandelen hoeft u overigens niet strikt toe te passen, maar vanaf 30 aandelen wordt het gevaarlijk. Zo'n groot aantal jaagt immers niet alleen uw aan- en verkoopkosten de hoogte in, maar weegt ook op de bewaarlonen. Daarnaast komt de overzichtelijkheid in het gedrang: meer dan 30 aandelen behoorlijk opvolgen is een hele klus - zeker als u weet dat een professionele financieel analist in een bank vaak slechts een 20-tal aandelen volgt, en dan nog wel meestal uit één sector of één land. Uiteraard geldt deze maximumgrens enkel als u zelf in individuele aandelen belegt. Wanneer u via beveks of sicavs werkt, hoeft u uiteraard niet wakker te liggen van de opvolging en de kosten van de onderliggende aandelen.

Bovenstaande regel dekt u in tegen het zogenaamde 'niet-systemisch risico', ook wel 'bedrijfsrisico' genoemd. Dit risico is eigen aan een bepaald bedrijf. Voor een technologisch bedrijf kan zo'n risico tot uiting komen wanneer bijvoorbeeld een concurrent met een betere of snellere technologie voor de dag komt. Voor een distributeur komt dit risico op de voorgrond wanneer twee concurrenten fuseren en hierdoor hun marktaandeel vergroten.

Naast het bedrijfsrisico bestaan er nog een aantal factoren die niet één aandeel treffen, maar die een invloed hebben op de volledige aandelenmarkt. We spreken hier van het zogenaamde 'systemisch risico' of 'marktrisico'. Denken we bijvoorbeeld maar aan een stijging van de rente, waardoor alle aandelenkoersen gaan dalen (door een aantrekkende rente gaan heel wat beleggers hun aandelen immers verkopen om er hogerrenderende obligaties mee te kopen). Tegen het marktrisico kunt u zich echter niet indekken met een spreiding over verschillende aandelen, omdat dit nu net de hele markt in haar geheel treft. Wat wél helpt, is - naast een diversificatie van uw beleggingen over andere effecten zoals obligaties en cash - het spreiden van uw aankopen over verschillende instapmomenten in de tijd.

Spreiding in de tijd wordt in de praktijk maar al te vaak over het hoofd gezien, maar is wel degelijk noodzakelijk. Ook dit illustreren we het best met een voorbeeld. We beschouwen de periode 1992-2002, die overeenkomt met een representatieve beleggingstermijn van 10 jaar. Als referentie nemen we de MSCI Word-index, die de aandelenbeurzen wereldwijd vertegenwoordigt. Stel dat u in het begin van deze periode opnieuw beschikte over een 'belegbaar' bedrag van 50.000 euro. We overlopen met u enkele scenario's.

Eerste scenario: allerbest. U belegde het volledige bedrag op het absolute beursdieptepunt in de periode 1992-2002, namelijk in november '92. Het spreekt voor zich dat het een utopie is te veronderstellen dat u zoiets in de praktijk perfect kunt timen. Zelfs de allerknapste beursgoeroe is hier zelden in geslaagd. Maar laten we even veronderstellen dat het u toch gelukt is. Op het einde van 2002 zou uw kapitaal van 50.000 aangegroeid zijn tot 81.000 euro. U zou dus 31.000 euro rijker zijn, goed voor een winst van 62 procent, of - gemiddeld over 10 jaar gesproken - 6,2 procent per jaar.

Tweede scenario: allerslechtst. Stel, u belegde de volledige som net voor de serieuze beurscorrectie van april 2000. Erg pijnlijk, want dat zou betekenen dat u maar liefst 21.500 euro armer bent geworden. Uw beginkapitaal is eind 2002 dus geslonken tot 28.500 euro, goed voor een verlies van 43 procent of gemiddeld 4,3 procent per jaar.

Derde scenario: veiligst. Stel, u belegde ieder jaar - in het begin van januari - 5.000 euro. Niet alles in één keer dus, maar mooi gespreid over tien gelijke delen. Het resterende geld plaatste u intussen op een spaarboekje: het eerste jaar dus 45.000 euro, het tweede jaar 40.000 euro, enzovoort. In de periode 1992-2002 bracht een spaarboekje gemiddeld 3,3 procent per jaar op. Resultaat: op het einde van de rit zou uw aandelenkapitaal iets meer dan 4.550 euro in waarde gestegen zijn. Dit komt overeen met een bescheiden winst van 9,1 procent over de periode van 10 jaar, of een gemiddelde van nog geen 1 procent per jaar. Een zwak resultaat dus, maar gelukkig heeft uw spaarboekje in totaal bijna 7.680 euro opgebracht. In totaal bent u op het einde van de rit 12.230 euro rijker en is uw beginkapitaal dus aangedikt tot 62.230 euro. Dit komt neer op een stijging van 24,5 procent over de hele periode of op een gemiddeld jaarrendement van 2,45 procent.

Het eerste scenario is duidelijk het beste scenario, maar is helaas zo goed als onmogelijk te realiseren in de praktijk. Scenario 2 is dan weer het absolute rampscenario, waar u hopelijk nooit mee te maken krijgt. En toch, als u wilt beleggen in aandelen, moet u in principe op het ergste voorbereid zijn. Daarom doet u er goed aan het derde scenario te volgen: u beperkt immers het risico door op verschillende tijdstippen in te stappen. Voor deze veiligheid geeft u - in dit voorbeeld - wel een aanzienlijk stuk rendement op: gemiddeld 2,45 procent per jaar is verre van schitterend te noemen. Maar in dit scenario hebt u - in tegenstelling tot scenario's 1 en 2 - een grote vrijheid die u de kans biedt uw rendement op te krikken.

In bovenstaand voorbeeld zijn we er immers van uitgegaan dat u elk jaar systematisch 5.000 euro heeft belegd op de beurs, ongeacht de prestaties van die beurs op dat moment. In de periode 1992-2002 hebben de financiële markten echter een zeer grillig parcours afgelegd: tot het voorjaar van 2000 gingen zowat alle koersen de hoogte in, maar vanaf dan kwam er een uitgesponnen maar zeer uitgesproken correctie die de beurzen op het einde van 2002 een verlies van 43 procent deed optekenen. Wellicht zou u - zoals het merendeel van de beleggers - er dan ook voor gekozen hebben de laatste twee jaar geen geld meer op de beurs te beleggen, en dus het resterende bedrag van 10.000 euro op het spaarboekje hebben laten staan. In dat geval had u op uw aandelen een winst geboekt van 7.580 euro, goed voor 15,2 procent op 10 jaar of gemiddeld 1,52 procent per jaar. Tel hierbij het resultaat van het spaarboekje - 8.180 euro - en we komen uit op een totale winst van 15.760. Conclusie: door tijdig in te spelen op de marktsituatie is het rendement gestegen tot 31,5 procent of 3,15 procent op jaarbasis. Achteraf bekeken had u uw geld wel beter integraal op een spaarboekje geplaatst (met een gemiddeld rendement van 3,3 procent over de beschouwde periode). Maar dat kon u uiteraard niet van tevoren inschatten. U koos nu eenmaal om op de beurs te beleggen, met alle risico's vandien. Maar die risico's kunt u dus aanzienlijk beperken via scenario 3.

De flexibiliteit van dit scenario laat u bovendien toe in te grijpen bij andere onvoorziene omstandigheden. U hebt immers steeds geld op het spaarboekje ter beschikking voor het geval dat u plotseling wat nodig heeft: een onverwachte aankoop, een herstelling, een ziekte, enzovoort. Wanneer u onmiddellijk het volledige bedrag in aandelen had gestopt, ligt dit een stuk moeilijker: de beurs legt immers vaak een schommelend parcours af. Op het moment dat u plots geld nodig hebt, zou het wel eens slecht kunnen gaan met de beurs, zodat u verplicht bent uw aandelen te verkopen met verlies.

Roel van Espen

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud