Meer rendement? Het verschil in centen en procenten!

Bij de ene bank krijgt u iets meer rente dan bij de andere. Maar hoe groot is een verschil in procenten in échte centen?

  • Stel dat u € 10.000 op een spaarboekje zet. Welk bedrag heeft u dan na vijf jaar bijeengespaard bij een rente van 3,50 procent en hoe groot is het verschil wanneer u slechts 3,20 procent rente krijgt? Met de berekeningsmodule " De toekomstige waarde van een geldsom " kan u dat eenvoudig berekenen. Bij een rente van 3,20 procent heeft u na vijf jaar € 11.706 bij elkaar, tegen een rente van 3,50 procent is dat € 11.877. Een verschil van ongeveer € 170 dus. Mooi, maar of u daarvoor ook de moeite doet om van bank te veranderen is nog een andere vraag.
  • Groter wordt echter het verschil wanneer u maandelijks aan het sparen gaat en u de tijdshorizon verlengt. Dat berekent u met de volgende berekeningsmodule:Vul in hoeveel u elke maand opzij kan zetten en welk rendement u krijgt en de module berekent welk eindkapitaal u daarmee mag verwachten. Spaart u bijvoorbeeld elke maand € 250, tien jaar lang, dan heeft u aan het einde van de rit € 35.301 bij elkaar bij een rente van 3,20 procent en € 35.851 bij een rente van € 3,50. Hier loopt het verschil al op tot € 550.
  • En wordt het renteverschil groter, dan lopen ook de eindbedragen verder uiteen. Dezelfde spaarinspanning van € 250 per maand levert na tien jaar maar liefst € 38.821 bij een rendement van 5 procent en zelfs € 43.271 bij 7 procent rendement. Of anders gezegd: bovenop het gespaarde bedrag ontvangt u na tien jaar bijna 2,5 keer zoveel rente wanneer de rente slechts het dubbel zo hoog ligt.
  • Dat komt door het wonder van de samengestelde interest. Laat u de interest staan, dan brengt die op zijn beurt mee interest op. En dat geeft op lange termijn verbluffende resultaten. Neem nu volgend voorbeeld: spaart u 25 jaar lang elke maand € 250 bij een rendement van 3,5 procent dan krijgt u een eindkapitaal van € 119.642. Bij een rendement van 7 procent geeft dat een kapitaal van 202.518 euro. Maar liefst meer dan € 80.000 verschil dus!

    U merkt meteen dat vooral voor spaarplannen op lange termijn elk verschil in procenten een groot verschil oplevert in centen. Vooral op lange termijn komt het er dus op aan het hoogste rendement te vinden. En dan kan u om aandelenbeleggingen bijna niet meer heen. Historisch is immers gebleken dat een mooi gespreide beleggingsportefeuille die uit aandelen en vastrentende beleggingen bestaat op lange termijn gemiddeld een rendement van 7 à 8 procent opbrengt. Tijdens korte periodes zijn de risico's echter niet te verwaarlozen en kunnen die het rendement wel eens stevig aantasten. Wie echter een tijdshorizon van minstens 20 à 25 jaar heeft, mag dit rendement als realistisch uitgangspunt nemen. Aan dat rendement komt u in de verste verte niet wanneer u het uw hele leven bij een spaarrekening houdt.
    Merk ook op dat hoe meer aandelen u opneemt in de portefeuille, hoe groter de kans is dat u op lange termijn een hoger rendement behaalt. Maar hoe sterker ook de schommelingen op korte termijn. Heeft u nog een hele lange spaarperiode voor ogen, dan mag u gerust wat meer aandelen in portefeuille nemen. Maar hoe korter uw tijdshorizon, hoe voorzichtiger u moet zijn. Op deze basisidee is ook de zogenaamde regel van 100 gebaseerd: neem het getal 100 en trek uw leeftijd daarvan af. Op die manier berekent u hoeveel aandelen u in portefeuille mag nemen. Als 30-jarige mag u volgens deze regel voor 70 procent in aandelen 'sparen'. Bent u 60 dan moet het aandelenpercentage inmiddels teruggebracht zijn tot 40 procent. Let wel op: het geld dat u aanhoudt als reserve, belegt u best helemaal risicoloos. Want anders zou u wel eens problemen kunnen hebben, wanneer u het geld plots blijkt nodig te hebben. Enkel voor uw pensioenspaarpot geldt de regel van 100!
    Hou er wel rekening mee dat de waarde van het geld door de tijd heen vermindert. Wanneer u gemiddeld een rendement behaalt van 8 procent per jaar, maar tegelijkertijd stijgt de levensduurte met gemiddeld 2 procent per jaar, dan is uw kapitaal in termen van koopkracht slechts met 6 procent per jaar aangegroeid. De overige twee procent is enkel een compensatie voor het koopkrachtverlies. U kan dus beter rekenen met het zogenaamde 'reëel rendement' dat u verwacht. Historisch blijkt een inflatie van 2 procent per jaar een realistisch uitgangspunt te zijn. Momenteel blijft de inflatie onder dit richtcijfer. Maar tijdens andere periodes stijgt de levensduurte dan weer sterker. Op lange termijn mag u van een gespreide portefeuille (aandelen en obligaties) dan ook minstens een reëel rendement verwachten van 5 à 6 procent. Belegt u enkel in vastrentend papier, dan is 2 à 3 procent een voorzichtige maar realistische langetermijnprognose.

    Frida Deceunynck

U merkt meteen dat vooral voor spaarplannen op lange termijn elk verschil in procenten een groot verschil oplevert in centen. Vooral op lange termijn komt het er dus op aan het hoogste rendement te vinden. En dan kan u om aandelenbeleggingen bijna niet meer heen. Historisch is immers gebleken dat een mooi gespreide beleggingsportefeuille die uit aandelen en vastrentende beleggingen bestaat op lange termijn gemiddeld een rendement van 7 à 8 procent opbrengt. Tijdens korte periodes zijn de risico's echter niet te verwaarlozen en kunnen die het rendement wel eens stevig aantasten. Wie echter een tijdshorizon van minstens 20 à 25 jaar heeft, mag dit rendement als realistisch uitgangspunt nemen. Aan dat rendement komt u in de verste verte niet wanneer u het uw hele leven bij een spaarrekening houdt.
Merk ook op dat hoe meer aandelen u opneemt in de portefeuille, hoe groter de kans is dat u op lange termijn een hoger rendement behaalt. Maar hoe sterker ook de schommelingen op korte termijn. Heeft u nog een hele lange spaarperiode voor ogen, dan mag u gerust wat meer aandelen in portefeuille nemen. Maar hoe korter uw tijdshorizon, hoe voorzichtiger u moet zijn. Op deze basisidee is ook de zogenaamde regel van 100 gebaseerd: neem het getal 100 en trek uw leeftijd daarvan af. Op die manier berekent u hoeveel aandelen u in portefeuille mag nemen. Als 30-jarige mag u volgens deze regel voor 70 procent in aandelen 'sparen'. Bent u 60 dan moet het aandelenpercentage inmiddels teruggebracht zijn tot 40 procent. Let wel op: het geld dat u aanhoudt als reserve, belegt u best helemaal risicoloos. Want anders zou u wel eens problemen kunnen hebben, wanneer u het geld plots blijkt nodig te hebben. Enkel voor uw pensioenspaarpot geldt de regel van 100!
Hou er wel rekening mee dat de waarde van het geld door de tijd heen vermindert. Wanneer u gemiddeld een rendement behaalt van 8 procent per jaar, maar tegelijkertijd stijgt de levensduurte met gemiddeld 2 procent per jaar, dan is uw kapitaal in termen van koopkracht slechts met 6 procent per jaar aangegroeid. De overige twee procent is enkel een compensatie voor het koopkrachtverlies. U kan dus beter rekenen met het zogenaamde 'reëel rendement' dat u verwacht. Historisch blijkt een inflatie van 2 procent per jaar een realistisch uitgangspunt te zijn. Momenteel blijft de inflatie onder dit richtcijfer. Maar tijdens andere periodes stijgt de levensduurte dan weer sterker. Op lange termijn mag u van een gespreide portefeuille (aandelen en obligaties) dan ook minstens een reëel rendement verwachten van 5 à 6 procent. Belegt u enkel in vastrentend papier, dan is 2 à 3 procent een voorzichtige maar realistische langetermijnprognose.

Frida Deceunynck

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud