Renteniers likken hun wonden

De jongste jaren waren niet zo mooi voor renteniers. Van de hoge rentevoeten van tien jaar geleden konden ze alleen nog dromen. En met hun beleggingsfondsen liep het helemaal fout. Met verschillende procenten tegelijk donderden de koersen naar beneden. Het resultaat is om bij te huilen: renteniers moeten verder met een zwaar afgeslankte portefeuille. Wat nu?

Renteniers hebben twee bekommernissen. Hun eerste bezorgdheid is hun dagelijks brood. Renteniers houden er niet van dat hun inkomen zomaar een knauw kan krijgen, bijvoorbeeld omdat de beurs is gecrasht of omdat de rente op sommige obligaties plots niet meer wordt uitbetaald. Maar renteniers zijn ook bekommerd om hun kapitaal zelf. Hun inkomen is bedoeld om van te leven, maar hun kapitaal willen ze in stand houden.

Met een eenvoudige kas- of staatsbon bent u als rentenier zeker van uw inkomen én uw kapitaal. Maar spijtig genoeg ligt het rendement op die beleggingen erg laag. Het rendement van kasbons op vijf jaar is bij Dexia, de marktleider, teruggevallen tot amper 2,80 procent. Amper voldoende om de muntontwaarding van uw kapitaal bij te houden. Als de inflatie de komende jaren 2 à 2,5 procent bedraagt, wat de doelstelling is van de ECB, dan houdt u aan uw kasbon in reële termen nauwelijks nog iets extra over om van te leven.

Dan maar op zoek naar een andere belegging met een iets hoger rendement. Wilt u het volledig risicoloos houden, dan hebt u niet veel keuze. Maar met een mix van fondsen en risicoloze beleggingen kunt u een mooie renteniersstrategie in elkaar knutselen. Laten we die even bekijken aan de hand van een voorbeeld. Stel dat u een kapitaal van 100.000 euro heeft. Uit dat geld wilt u een aanvullend inkomen halen om van te leven. Maar u wilt ook uw 100.000 euro niet kwijt. Sterker nog: u wilt uw kapitaal zien aangroeien om de muntontwaarding bij te blijven. Zo bent u er zeker van dat uw aanvullend inkomen op termijn de stijgende levensduurte volgt. Of om bij ons voorbeeld te blijven: uw kapitaal van 100.000 euro moet over tien jaar aangegroeid zijn tot ongeveer 120.000 euro.

Splitst u uw kapitaal op in twee stukken, dan kunt u voor beide doelstellingen een afzonderlijke belegging zoeken. Enerzijds zoekt u een belegging om uw kapitaal over tien jaar te laten aangroeien tot 120.000 euro en anderzijds zoekt u een belegging die u een vast inkomen garandeert. Zet u beide naast elkaar, dan zit u helemaal goed.

Volgens het klassieke verhaal volstaat ongeveer 60 procent van uw kapitaal om uw beginkapitaal veilig te stellen, in ons voorbeeld dus 60.000 euro. Belegt u dat bedrag in een gespreid beleggingsfonds, waarin obligaties maar ook aandelen zitten, dan moet op lange termijn een gemiddeld jaarlijks rendement van 7 procent mogelijk zijn. Bij dat rendement zou uw beginkapitaal van 60.000 euro over tien jaar aangegroeid moeten zijn tot om en bij de 120.000 euro.

Het overige gedeelte van uw geld, in ons voorbeeld 40.000 euro, parkeert u op een risicoloze rekening waarvan u uzelf elk jaar een inkomen uitkeert om van te leven. Tak21-rekeningen, zoals de First-rekening (Omob), Crest (Axa), Safe Plus (Zurich) of Cash Invest (Federale Verzekeringen) zijn hiervoor geschikt. Bij een gemiddeld rendement van 4 procent per jaar kunt u van dat bedrag gedurende tien jaar elke maand ongeveer 410 euro opnemen, of 4.920 euro per jaar. Rekent u voorzichtigheidshalve liever met een gemiddeld rendement van 3 procent, dan bedraagt de maandelijkse opname 390 euro, hetzij 4.680 euro per jaar. Na tien jaar is dit kapitaal door deze maandelijkse opnames volledig opgebruikt. Maar u hebt dan nog wel uw fondsenkapitaal, dat door de jaren heen opnieuw is aangegroeid tot 120.000 euro. Of met andere woorden: met deze strategie verzekert u zich gedurende tien jaar van een rente van 4,7 à 4,9 procent en stelt u bovendien op lange termijn uw beginkapitaal veilig.

Dit is het klassieke verhaal, dat door de jaren heen zijn degelijkheid al vaak bewezen heeft. Wetenschappers, adviseurs en bankiers waren het er dan ook unaniem over eens dat renteniers met deze strategie hun rendement kunnen verhogen zonder de risico's al te hoog te laten oplopen. Bankiers pakten uit met renteniersproducten die op dit principe zijn gebaseerd. Op die manier kwamen er steeds meer beleggingsfondsen in renteniersportefeuilles terecht.

Na de barre beursperiode die we de laatste jaren hebben gekend, beginnen echter steeds meer fondsenbeleggers het benauwd te krijgen. Wie enkele jaren geleden in een aandelenfonds stapte, is - ondanks de stijgende koersen van de laatste maanden - nog altijd niet uit de rode cijfers. Nog steeds kijken sommigen aan tegen verliezen van 10, 20 of zelfs 30 procent. Zal het beursherstel sterk genoeg zijn om alles op tijd in de juiste plooi te laten vallen? Of wordt het stilaan tijd om een noodstop te maken?

Wie de strategie steeds nauwgezet heeft uitgevoerd, hoeft voorlopig nog niet in paniek te raken. Beursdalingen als die van de voorbije jaren kwamen al wel eens vaker voor en horen er nu eenmaal bij. Maar met een risicoloos belegde buffer waarvan u elke maand een renteniersinkomen opneemt, kunt u zo'n moeilijke periodes best overbruggen. Neem nu de zwarte jaren 70. Wie de pech had om in 1973 in aandelen te beleggen, moest maar liefst zes jaar wachten om weer uit de rode cijfers te geraken. Pas in 1979 evenaarde de beurs het koersniveau van 1973. Maar wat er daarna gebeurde, leek wel wonderbaarlijk. Vanaf 1982 begonnen de koersen te stijgen met sprongen van 20, 30 of zelfs 40 procent per jaar. En halfweg 1984 had de belegger zijn initieel belegde portefeuille verdubbeld. Of met een voorbeeld: de aandelen die hij in 1973 had gekocht voor 1.000.000 frank, waren in 1984 2.000.000 frank waard. Na elf jaar had hij zijn aandelenkapitaal dus verdubbeld. En eind 1985 was zijn beginkapitaal zelfs verdrievoudigd. Het zal nu wel duidelijk zijn dat de inhaalbeweging na zo'n zware berenmarkt erg explosief kan zijn. En dan is het leed weer gauw vergeten.

Natuurlijk blijft het de vraag of we de komende jaren een even krachtige inhaalbeweging mogen verwachten. Wie in 1998 in aandelen belegde, op het hoogtepunt van de beurs, kan dat best gebruiken. Want na vijf jaar geraakt het geduld van de meeste beleggers stilaan op. Maar één ding staat vast: als u genoeg tijd hebt, komt alles weer in orde. Want op lange termijn gaan de beurskoersen altijd weer omhoog.

Maar niet iedereen heeft evenveel tijd en geduld. Voor wie in fondsen heeft belegd zonder risicoloze buffer, zit er vaak maar één ding op: verlies nemen en verder gaan met een gehavend kapitaal. Wilt u het inkomensverlies beperken dat daarmee gepaard gaat, dan kunt u overwegen (een stuk van) uw kapitaal af te staan in ruil voor een lijfrente. Lijfrentecontracten leveren immers vaak mooie maandbedragen op. Het grote voordeel van zo'n contract is bovendien dat u op die manier zeker bent van een levenslang inkomen, hoe oud u ook wordt. Het nadeel is dan weer dat er van het afgestane kapitaal niets overblijft voor uw erfgenamen.

Zeker als u al wat ouder bent, kan zo'n lijfrentecontract echter royale lijfrentes opleveren. Hoe ouder u bent, hoe groter immers uw sterftekans en hoe meer de maatschappijen dus kunnen uitkeren per jaar voor een vast kapitaal. Met bijstaande tabel - gebaseerd op de huidige sterftetafels - kunt u uitrekenen welke jaarlijkse lijfrente overeenkomt met een welbepaald kapitaal bij een gegarandeerd rendement van 3,25 procent en in een wereld zonder kosten.

Laten we dat even illustreren met een voorbeeld. Stel dat u als 70-jarige vrouw een lijfrente wilt kopen in ruil voor een kapitaal van 100.000 euro. In de tabel ziet u hier als coëfficiënt het cijfer 12,72 staan. Door het kapitaal van 100.000 euro te delen door die coëfficiënt, krijgt u de jaarlijkse lijfrente waarop u recht hebt (zonder kosten en bij een rente van 3,25 procent). Dit komt neer op een jaarrente van 7.862 euro of 655 euro per maand.

In de praktijk worden uiteraard wel kosten aangerekend en werken ook niet alle verzekeraars met een gegarandeerd rendement van 3,25 procent. Sommigen bieden meer (bijvoorbeeld 3,75 procent), andere dan weer minder. Vandaar dat de werkelijke lijfrentes al wel eens kunnen afwijken van dit theoretisch berekende bedrag. Navraag bij een aantal banken en verzekeraars leverde volgende lijfrentes op voor vrouwen van 70 jaar die een kapitaal van 100.000 euro afstaan. Federale Verzekeringen is de koploper met een maandrente van 663,99 euro. Omob en Axa volgen met maandrentes van ongeveer 650 euro. Bij ING Insurance (de vroegere De Vaderlandsche) en KBC komen de maandrentes op ongeveer 617 euro. Fortis AG ten slotte hangt aan de staart met een maandrente van 571,99 euro. Daarmee krijgt u als 70-jarige vrouw een jaarrente uitgekeerd van 7 à 8 procent van het kapitaal dat u afstaat.

Voor wie ouder is dan 70, worden de jaarrentes nog mooier. Als 75-jarige kunt u rekenen op een jaarrente van om en bij de 10 procent van het kapitaal dat u afstaat. En wordt u nog ouder, dan lopen de rentes nog verder op, tot zelfs ongeveer 20 procent wanneer u als 85-jarige een lijfrente koopt.

Op die manier kunt u met uw gehavende kapitaal toch nog voor een mooi aanvullend inkomen zorgen. Laten we bijvoorbeeld even veronderstellen dat uw kapitaal van 100.000 euro door de beursverliezen is teruggevallen tot een kapitaal van 80.000 euro. Wanneer u als 75-jarige vrouw daarvan 50.000 euro afstaat als lijfrentekapitaal, mag u rekenen op een jaarlijks inkomen van 4.739 euro, of ongeveer 395 euro per maand. Daarmee komt u aan ongeveer hetzelfde maandinkomen als in het voorbeeld van de rentenier hierboven, die een startkapitaal van 100.000 euro bezat. De overige 30.000 euro houdt u als buffer voor uzelf.

Merk op dat op het klassieke lijfrenteproduct nog tal van varianten bestaan. Zo kunt u vragen de lijfrente jaarlijks met een welbepaald percentage te laten indexeren. Aanvankelijk krijgt u dan een kleiner bedrag, maar dat stijgt jaar na jaar. Vaak is zo'n indexatie echter overbodig omdat de meeste lijfrentecontracten voorzien in een winstdeelname, waardoor de lijfrente eveneens jaar na jaar toeneemt.

Daarnaast hebt u ook de mogelijkheid de lijfrente overdraagbaar te maken op een tweede hoofd. Bij overlijden van de eerste lijfrentegenieter wordt de lijfrente dan verder betaald aan de tweede begunstigde in het contract. Dat is voor paren uiteraard een aantrekkelijke optie. En dan hebt u ten slotte ook nog de mogelijkheid en tijdelijk lijfrentecontract van acht jaar af te sluiten. Na acht jaar krijgt u dan het gestorte kapitaal terug. Overlijdt u echter tijdens de lijfrenteperiode van acht jaar, dan gaat het kapitaal naar de verzekeringsmaatschappij.

Voor welke variant u ook kiest, met een lijfrente hebt u het voordeel dat uw maandelijkse rente een stuk hoger ligt dan met een gewone belegging. Zo kunnen zelfs zwaar getroffen renteniers hun inkomen op peil houden.

Frida Deceunynck

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud