Speel op veilig

Waar krijgt u het hoogste rendement, zonder risico en liefst ook nog zonder kosten ? Dat is een vraag die heel wat beleggers de jongste jaren stellen. Want de schade in onze aandelenportefeuilles loopt almaar op. En ons vertrouwen in de 'lange termijn' ebt daarmee stelselmatig weg. Dus spelen we voorlopig liever op veilig. Enkele strategieën.

Rendabel beleggen willen we allemaal. Dat is van alle tijden. Maar terwijl de meeste beleggers er enkele jaren geleden geen moeite mee hadden daarvoor een stevige portie aandelen in portefeuille te nemen, is onze risico-appetijt met het afkalven van de koersen nagenoeg volledig verdwenen. Zelfs al weten we in ons achterhoofd nog altijd dat het op lange termijn altijd weer goed komt op de beurs. Niemand weet immers hoe lang die 'lange termijn' nog duurt. Massaal verkiezen de beleggers vandaag dan ook het zekere heden boven een onzekere toekomst. Want 'in the long run, we are all death', waarschuwde de gerenommeerde belegger-econoom J.M. Keynes ons decennia geleden al.

Wil dat zeggen dat we uit veiligheidsoverwegingen dan maar alle aandelenbeleggingen links moeten laten liggen ? Niet noodzakelijk. Want met aandelen kan ook voorzichtig worden omgesprongen. Laten we dat even bekijken aan de hand van een voorbeeld. Stel dat u 10.000 euro te beleggen heeft. U wil daarmee helemaal geen risico lopen. Over vijf of tien jaar wil u nog altijd met zekerheid uw 10.000 euro bezitten. Maar liefst van al wil u daar uiteraard nog een mooi rendement bovenop.

Neemt u een minimale portie aandelen in portefeuille, dan hoeft u die zekerheid niet op te geven. Maar tegelijk krijgt u toch het vooruitzicht op een iets hoger rendement. Met ons voorbeeld wordt dat snel duidelijk. Stel dat u 80 procent van uw kapitaal, hetzij 8.000 euro, belegt in staatsobligaties, verzekeringsbons of een gelijkaardige risicoloze belegging met een looptijd van tien jaar. Het rendement schommelt de jongste weken net boven de 4,5 procent. Houdt u deze belegging tien jaar aan en herbelegt u de uitgekeerde intresten telkens mee (tegen hetzelfde rendement) dan heeft u over tien jaar 12.400 euro. Daarmee bent u zeker van uw beginkapitaal en zelfs nog iets meer.

Veronderstel verder dat u voor de overige 2.000 euro deelbewijzen koopt van een mooi gespreid aandelenbeleggingsfonds. Daarmee haalt u natuurlijk heel wat meer risico in huis. Maar hoe faliekant het de volgende jaren ook verder gaat op de beurs, van uw beginkapitaal bent u helemaal zeker. Dat heeft u immers gewaarborgd met de obligatie die u kocht. Wat u met de aandelen verdient, krijgt u er gewoon bovenop.

Laat ons eerst uitgaan van een doemscenario en veronderstellen dat uw aandelenbelegging over tien jaar gehalveerd is in waarde. Die kans is uiteraard uiterst klein, maar laat ons daar toch even over nadenken. U kan immers maar best op alles voorbereid zijn. Van uw 2.000 euro houdt u er dan over tien jaar nog 1.000 over. Samen met de vastrentende belegging beschikt u dan over een eindkapitaal van 13.400 euro. Daarmee komt uw actuarieel rendement uit op 3 procent per jaar. Had u uw 10.000 euro op een spaarboekje geplaatst, dan had u ongeveer evenveel gehad.

Maar de kans is veel groter dat uw eindresultaat er beter uitziet. Het is immers erg onwaarschijnlijk dat de waarde van het aandelenfonds dat u vandaag koopt over tien jaar met 50 procent gedaald is. De voorbije 200 jaar kwam het slechts hoogst uitzonderlijk voor dat de beurs na een tienjarige periode substantieel lager stond dan aan het begin ervan. Vandaar dat een tienjarige periode op de beurs algemeen als een 'veilige' tijdshorizon wordt beschouwd. En al beweegt de beurs de komende tien jaar niet, voor uw rendement is dat al voldoende. Wanneer u het bekijkt in combinatie met uw vastrentende obligatie komt u aan een eindkapitaal van 14.400 euro (12.400 euro plus 2.000 euro). Dat betekent dat u gemiddeld een rendement boekt van 3,7 procent per jaar. En daarmee doet u het beter dan het spaarboekje.

Maar uiteraard is de kans het grootst dat de beurs over tien jaar een pak hoger staat dan vandaag. Gemiddeld over alle tienjarige periodes bekeken, boekte de beurs in het verleden een rendement van om en bij de 8 procent per jaar. Stijgen de koersen op de beurs ook over de komende tien jaar gemiddeld met 8 procent per jaar, dan is uw 2.000 euro in aandelen over tien jaar 4.300 euro waard. Opgeteld bij uw vastrentend geplaatst kapitaal komt u dan aan een eindtotaal van 16.700 euro. En dat brengt uw rendement gemiddeld op 5,3 procent per jaar. Mét kapitaalgarantie.

Spectaculaire resultaten zijn dat niet echt. Maar u houdt tenminste de risico's onder controle. En dat is vandaag de dag erg belangrijk voor de meeste beleggers. En niet alleen voor de kleine beleggers, maar ook voor de grote. Een gelijkaardige, voorzichtige aandelenstrategie wordt daarom ook toegepast door tal van professionele beleggers, zoals verzekeraars, fondsbeheerders, enzovoort. En met succes. Zo is bijvoorbeeld het beheer van zogenaamde tak21-rekeningen (dat zijn verzekeringsrekeningen als First, Crest, Safe Plus,...) ook op deze filosofie gestoeld. Het ingezamelde geld wordt voor het overgrote deel belegd in een professioneel beheerde obligatieportefeuille. Die wordt aangevuld met een kleine portie aandelenbeleggingen en een restant liquiditeiten. Op die manier werden de voorbije jaren bijzonder mooie rendementen behaald.

Neem nu de Crest-rekening. Het gewaarborgde minimumrendement van deze rekening bedraagt 3,25 procent. Maar inclusief de winstbonus werd in het begin van dit jaar (berekend over het vorige jaar) een rendement van 5,55 procent uitbetaald. En de jaren daarvoor lag het rendement nog hoger. De First-rekening van OMOB deed het vorig jaar nog beter. Hier kreeg de belegger een rendement van 6,50 procent uitgekeerd (waarvan 3,75 procent gegarandeerd). Safe Plus van verzekeringsmaatschappij Zürich lag tussen beide in met een rendement van 5,75 procent (waarvan eveneens 3,75 gewaarborgd). De Federale Verzekeringen ten slotte kenden over datzelfde jaar een rendement van 4 procent toe aan de Cash Invest-rekening en 6,50 procent aan Diamant Invest. Het verschil tussen beide tak21-rekeningen is voornamelijk de tijdshorizon. Wie kiest voor Diamant moet de eerste tien jaar kosten betalen bij geldopnames (van minstens 10 procent per jaar) en moet bij elke storting 1 procent neertellen als instapkostprijs. Cash Invest is helemaal vrij van in- en uitstapkosten.

In- en uitstapkosten worden ook bij andere verzekeringsrekeningen toegepast. Zo betaalt u bij Crest een onderhandelbare instapkostprijs tussen 0,5 tot 5 procent en moet u bij geldopnames (van meer dan 15 procent per jaar) eveneens kosten betalen (3,6 procent tijdens de eerste maand te verminderen met 0,10 procent per verstreken maand).

Bij Zürich betaalt u een onderhandelbare instapkostprijs van maximaal 2 procent. First is wat dat betreft een stuk flexibeler. Naast de jaarlijkse beheerskosten van 12,39 euro betaalt u er enkel uitstapkosten wanneer u minder dan 750 euro opneemt. Deze maatregel moet de spaarders ontmoedigen de rekening te gebruiken als een gewone spaarrekening, waar om de haverklap kleine bedragen worden opgezet of afgehaald. En ook bij de andere verzekeraars zijn de kosten bedoeld om de liquiditeit van de rekening te beperken. De onderliggende beleggingsstrategie maakt het immers niet mogelijk dat op korte termijn al te veel geld wordt opgevraagd.

De rendementen van deze rekeningen zijn niet min. In vergelijking met het resultaat van de voorzichtige beleggingsportefeuille uit ons voorbeeld zijn ze zelfs ronduit schitterend. Tijdens een rampzalig beursjaar werden immers nog resultaten behaald van om en bij de 6 procent, terwijl de langetermijnobligatierente beneden de 5 procent stond. Hoe is dat mogelijk?

Julien e Landsheer van Crest wijst erop dat deze mooie resultaten voor een stuk worden behaald door oude obligaties met hoge rentevoeten die nog in de portefeuille zitten. Obligaties die jaren geleden werden aangekocht met rentevoeten van 6 procent of meer krikken het rendement van de portefeuille aardig omhoog. Naarmate de tijd verstrijkt en er meer nieuwe middelen (en dus ook obligaties) bijkomen, dooft dit effect verder uit. Maar de voorbije jaren konden de beleggers hiervan nog profiteren.

'Ook het professionele beheer draagt zijn steentje bij tot het mooie rendement', stelt Jean Paul Parmentier van OMOB. 'Hoewel de rentevoeten momenteel laag staan, kunnen de rentecurves sterk bewegen. Onze beheerders spelen via arbitrage in op anomalieën in de rentecurve en kunnen op die manier de winst opkrikken. Ook durven wij al wel eens kijken naar bedrijfsobligaties met interessante spreads en passen we al wel eens voorzichtige hedgingtechnieken toe. Op die manier kunnen we mooie rendementen behalen.'

Ten slotte profiteren we wellicht ook nog voor een stukje mee van de beurswinsten van enkele jaren geleden. Bij de Federale Verzekeringen geeft men toe dat op het einde van de jaren 90 een reserve werd vastgelegd van aandelenwinsten die toen niet meteen werden uitgekeerd. Op die manier worden de winsten enigszins genivelleerd over de jaren heen.

Maar kunnen deze rekeningen de komende jaren nog even mooie rendementen voorleggen? De kans is groot dat het de volgende jaren allemaal wel wat minder zal zijn. Het effect van de 'oude' hoogrentende obligaties in de portefeuille raakt stilaan uitgewerkt. Sterker nog. Wanneer de rentevoeten weer aan het stijgen gaan, zullen deze fondsen daar in eerste instantie slechts in beperkte mate baat bij hebben. De obligaties met lage rentevoeten die vandaag worden aangekocht, worden immers nog jaren meegesleept. En net zoals deze fondsen vandaag nog profiteren van het restant hoogrentende obligaties in portefeuille, zullen ze bij aantrekkende rentevoeten nog een tijdlang hinder ondervinden van de laagrentende obligaties die nu worden aangekocht.

En dan is er nog de beurs die de komende jaren voor nare verrassingen kan zorgen. De koersverliezen op de aandelen in portefeuille werden wellicht immers nog niet allemaal genomen. Deze fondsen zijn namelijk pas verplicht hun minwaardes (net zoals hun meerwaardes) te boeken wanneer ze effectief worden gerealiseerd. Met andere woorden: papieren verliezen hoeven niet gereflecteerd te worden in het rendement zolang ze niet effectief worden genomen. Wanneer de fondsbeheerder van mening is dat de koersdaling 'fundamenteel' is, heeft hij evenwel de mogelijkheid deze minwaarde al vroeger in de boeken, en dus in het rendement, op te nemen. Maar het hoeft geen betoog dat het vanuit concurrentiële overwegingen aantrekkelijk is zoveel mogelijk minwaardes niet te boeken voor het nodig is (en hopelijk zal het ook nooit nodig zijn).

Ook de verzekeraars geven toe dat het rendement dit jaar wellicht een stukje minder hoog zal liggen dan de voorbije jaren. 'Het is nog te vroeg om uitspraak te doen over de resultaten van dit jaar, want we hebben nog bijna vier maanden te gaan', stelt Julien de Landsheer (Crest). 'Maar dat het niet hoger zal liggen dan vorig jaar, is wel zo goed als zeker. Daarvoor zou er dit jaar nog een wonder moeten gebeuren. Wij verwachten uit te komen op een rendement van om en bij de 5 procent dit jaar.' Maar ook dat is in het huidige klimaat nog altijd best de moeite. Het is alleen nog maar de vraag hoe lang die mooie resultaten nog aanhouden.

Frida Deceunynck

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud