De beurs en de rente

Een van de voornaamste factoren die de beurzen beïnvloedt, is de rente. Veel beleggers noemen het ook wel de 'intrest' die je op verschillende spaarproducten krijgt of die je moet betalen wanneer je een lening aangaat.

Lange- en kortetermijnrente

Elke dag op het laatavondjournaal en op de radio krijgen we te horen hoeveel de langetermijnrente bedraagt. De 'langetermijnrente' is het rendement dat beleggers krijgen wanneer ze een overheidsobligatie kopen met een looptijd van 10 jaar. Tegenover de lange rente staat de 'kortetermijnrente', die meestal betrekking heeft op een periode van 3 maanden. Voor de beurzen is vooral de langetermijnrente van belang: aandelen wedijveren immers met obligaties. Bovendien lenen bedrijven meestal op lange termijn, en zijn hun kredietlasten en winsten dus onderhevig aan de lange rente.

Centrale banken

Zowel de korte- als de langetermijnrente wordt grotendeels bepaald door de politiek van de centrale banken. Zij leggen de zogenaamde 'daggeldrente' vast, de rente die de commerciële banken aan de centrale bank moeten betalen wanneer zij geld voor één nacht ontlenen.

De centrale banken gebruiken de rente als een monetair instrument om de richting van de inflatie of de economie te beïnvloeden. Wanneer de prijzen van goederen en diensten in een land te snel stijgen, zal de centrale bank de rente verhogen als wapen om de inflatie een halt toe te roepen. De centrale bank maakt met andere woorden kredieten duurder: banken, bedrijven en gezinnen zullen niet meer zo goedkoop geld kunnen ontlenen. Dat remt de economische groei en de prijsstijgingen af.

Omgekeerd zal een centrale bank de rente verlagen indien ze de economie wil stimuleren, of indien ze de inflatie wil laten stijgen. De Amerikaanse centrale bank, de Federal Reserve, verlaagde na de aanslagen van 11 september 2001 de rente zelfs tot 1 procent, het laagste peil sinds de jaren 50 om een recessie te helpen vermijden.

Risicopremie

In het algemeen hebben beurzen baat bij rentedalingen: ze stimuleren de economie, ze laten bedrijven toe zich goedkoper te (her)financieren, en ze maken de dividendrendementen van aandelen interessanter. Nog niet zo lang geleden bedroeg de langetermijnrente in België minder dan 3 procent, terwijl de aandelen uit de Bel20-index een gemiddeld dividendrendement van 3,5 procent betaalden. Met een gemiddelde winstgroei van 10 procent voor de Bel20-bedrijven, belandde het totale beursrendement dus op 13,5 procent. In vakjargon spreken we van een aantrekkelijke 'risicopremie': dat is het extra rendement dat je van aandelen mag verwachten bovenop het rendement van risicoloze staatsobligaties.

Omgekeerd is een stijgende rente in theorie negatief voor aandelen: investeren wordt duurder, en de hogere coupons van obligaties doen mensen uit aandelen stappen. Wanneer je met een obligatie pakweg 8 procent zou kunnen verdienen, wordt het potentiële, maar onzekere beursrendement van 13,5 procent in het bovenstaande voorbeeld een stuk minder aantrekkelijk.

De beurs is echter geen wetenschap die zich in modellen laat gieten. Dikwijls stijgen de beurzen samen met de rente: de hogere rente is immers vaak het gevolg van een florerende economie, waardoor ook de bedrijfswinsten toenemen.

Sectoren

Vooral sectoren met stevige dividendrendementen verliezen hun aantrekkingskracht bij een stijgende rente, zoals nutsbedrijven of vastgoedbevaks. Veel beleggers beschouwen zulke aandelen als alternatieven voor obligaties. Doorgaans hebben ze ook een hoge schuldgraad, waardoor hun financieringslasten bij een stijgende rente zwaar toenemen.

Ook banken lijken allergisch aan renteverhogingen. Voor banken is niet zozeer de rentestand op zich van belang, maar wel het verschil tussen de korte- en de langetermijnrente. Banken ontlenen immers geld op korte termijn, bijvoorbeeld via spaarboekjes, om het uit te lenen op de lange termijn, bijvoorbeeld aan gezinnen die een woonkrediet aangaan. Hoe hoger die 'spread', hoe groter hun winst.

Serge Mampaey

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud