EU-akkoord over spaarfiscaliteit op de helling

Vorig jaar bereikten de EU-ministers van Financiën na een marathononderhandeling een princiepsakkoord over de EU-spaarfiscaliteit. Dat akkoord bepaalt dat de EU-landen vanaf 2003 informatie moeten uitwisselen over het spaargeld dat inwoners van andere lidstaten in hun land beleggen. Door het opgeven van het bankgeheim weten de belastingadministraties van de EU-landen hoeveel spaargeld hun inwoners in de overige EU-landen hebben en kunnen ze de intresten belasten.

Volgens het akkoord mogen België, Luxemburg en Oostenrijk hun bankgeheim langer behouden. Ze krijgen een overgangsperiode van zeven jaar vooraleer ze informatie moeten doorspelen naar buitenlandse belastingadministraties. Tijdens de eerste drie jaar van die overgangsperiode moeten de drie landen een roerende voorheffing van 15 procent heffen op spaargeld uit een andere lidstaat van de EU. De rest van de periode moeten ze een voorheffing van 20 procent heffen. Na zeven jaar moeten ook die landen informatie beginnen uitwisselen.

Dat akkoord moest nog in een tekst gegoten worden. De Europese Commissie stelde daarom in juli een ontwerprichtlijn voor. Gisteren poogden de EU-ministers van Financiën over die tekst een akkoord te bereiken. Dat lukte niet.

De belangrijkste struikelblokken zijn het beëindigen van de overgangsperiode en de toepassing van 'gelijkwaardige' maatregelen door derde landen. De EU onderhandelt met de VS, Zwitserland, Liechtenstein, Monaco, Andorra en San Marino opdat die landen 'gelijkwaardige maatregelen' zouden toepassen. Met andere woorden: het spaargeld van EU-burgers in die landen moet ook belast worden. Maar dat is niet vanzelfsprekend. Zwitserland wil bijvoorbeeld niets horen over informatie-uitwisseling omdat het bankgeheim er heilig is.

De Luxemburgse en Oostenrijkse ministers, respectievelijk Jean-Claude Juncker en Karl-Heinz Grasser, eisen spijkerharde garanties dat die derde landen gelijkwaardige maatregelen toepassen. Daarom vragen ze een bepaling die stelt dat ze de richtlijn niet in nationale wetgeving moeten omzetten als de derde landen geen gelijkwaardige maatregelen nemen.

Luxemburg en Oostenrijk willen evenmin dat ze na de overgangsperiode van zeven jaar automatisch moeten overschakelen naar een systeem van informatie-uitwisseling. Ze vinden dat de vijftien daarvoor eerst unaniem moeten beslissen of de maatregelen die derde landen toepassen, al dan niet gelijkwaardig zijn. De overige EU-landen zien de Luxemburgse en Oostenrijkse eisen niet zitten omdat ze vrezen dat ze het akkoord verwateren en de overgangsperiode oneindig dreigen te verlengen.

JL

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud