Appetijt van financiële omnivoren niet te stillen

Er gaat haast geen week voorbij zonder dat een private-equityhuis een grote overname bekendmaakt. In alle industrietakken, in alle sectoren duiken de bedrijfsopkopers op. Of het nu gaat om een luchtvaartmaatschappij (Iberia), een drogisterijketen (Alliance Boots), een betaaltransactieverwerker (First Data), een elektriciteitsmaatschappij (TXU) of een wassenbeeldenmuseum (Madame Tussauds), maakt voor hen niet uit. Ze verorberen alles met hetzelfde gemak.

De grote private-equitybedrijven zoals KKR, Blackstone, Texas Pacific en Carlyle hadden vroeger hun favoriete investeringssectoren. Maar van die specialisatie lijken ze afgestapt te zijn. De jongste maanden wagen ze zich aan de meest uiteenlopende overnames.

De verklaring daarvoor is simpel. De grote private-equitybedrijven bulken van het geld. Vorig jaar hebben ze naar schatting 430 miljard dollar (320 miljard euro) opgehaald. Ongeveer 70 procent daarvan is terechtgekomen bij de grote fondsen. KKR lanceerde vorig jaar een nieuw fonds van 16,6 miljard dollar, Texas Pacific haalde 14,6 miljard dollar op. Blackstone staat op het punt een nieuw fonds te lanceren van 20 miljard dollar (15 miljard euro).

Rendement

Dat geld is hoofdzakelijk afkomstig van institutionele beleggers zoals pensioenfondsen die op zoek zijn naar 'alternatieve' activaklassen die een hoger rendement bieden dan gewone aandelen en obligaties. Ze komen dan uit bij vastgoed, grondstoffen, hefboomfondsen én private equity. De bestgeleide private-equityfondsen kunnen een jaarlijks rendement voorleggen van meer dan 25 procent, blijkt uit cijfers van het onderzoeksbureau Private Equity Intelligence. De megafondsen scoren gewoonlijk nog hoger. Daarin willen de institutionele beleggers dus hun geld beleggen.

Maar dat geld moet ook worden geïnvesteerd. Want als het private-equityfonds het gewoon op zijn bankrekening laat staan, brengt het nauwelijks iets op. Er is bovendien enige haast bij, want de meeste private-equityfondsen hebben een beperkte looptijd: na zeven of tien jaar worden ze vereffend en wordt het geld - met de gerealiseerde meerwaarde - opnieuw verdeeld onder de investeerders.

De private-equityfondsen maken bij hun overnames bovendien gebruik van een hoge mate van schuldfinanciering, wat hun financiële slagkracht verhoogt. De meeste banken zijn maar al te zeer bereid om de private-equityfondsen goedkope kredieten te geven. De weigering van de Zwitserse bank UBS om daaraan mee te doen, leidde onlangs tot een fikse ruzie in de top van de investeringsbank van UBS die aanvoerde dat de bank daardoor belangrijke klanten dreigde te verliezen.

Crescendo

De private-equitybedrijven bulken dus van het geld en kunnen daarenboven nog een beroep doen op goedkope schuldfinanciering. Ze hebben dus middelen zat om steeds grotere overnames te doen. De grootste private-equitydeal (schulden inbegrepen) in 2004 was de overname van Intelsat voor 5 miljard dollar, in 2005 was het de overname van autoverhuurder Hertz voor 15 miljard dollar. Vorig jaar betaalden private-equitygroepen 33 miljard dollar voor de overname van de Amerikaanse ziekenhuisgroep HCA. En het record voor dit jaar is voorlopig de 45 miljard dollar betaald voor de overname van de Texaanse energiegroep TXU. Het gaat dus crescendo.

Als een paar private-equityfondsen de handen in elkaar slaan, kunnen ze een overname doen van 72 miljard dollar, is onlangs berekend. Dat betekent dat ze nagenoeg alle bedrijven aankunnen, want wereldwijd zijn er maar 90 ondernemingen die meer dan 72 miljard dollar waard zijn.

Private-equityfondsen zijn op zoek naar bedrijven waarin waarde verborgen zit die ze denken tevoorschijn te kunnen halen, of naar bedrijven die door de beurs ondergewaardeerd worden. In welke sector die bedrijven actief zijn, maakt uiteindelijk niet zoveel uit. Een belangrijk criterium is wel dat de bedrijven een voldoende hoge en stabiele kasstroom moeten hebben. Want dat moet de middelen opleveren om de intresten op de schulden te betalen.

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect