Meer geld maakt grotere deals mogelijk

33 miljard dollar betaalde Kohlberg Kravis Roberts (KKR), samen met twee andere fondsen, in juli voor de Amerikaanse ziekenhuisgroep HCA. Het is de grootste private-equitydeal tot nu.

(tijd) Maar dat record zal wellicht niet lang standhouden. Want er stroomt enorm veel geld naar de private-equityfondsen. Daardoor kunnen die ook steeds grotere overnames aan. Intussen staat al vast dat 2006 een topjaar is voor de private-equitywereld.

Is Microsoft beschut tegen een overname door private-equitygroepen? Of kunnen die ook een prooi van die omvang - een bedrijf met een beurskapitalisatie van 250 miljard dollar - aan? Die vraag stelde de Financial Times zich deze zomer, naar aanleiding van de overname van de ziekenhuisgroep HCA door KKR, Bain Capital en Merrill Lynch. Het antwoord luidde dat de private-equitygroepen best wel een lekkere brok zouden hebben aan Microsoft. Het softwarebedrijf heeft bijna geen schulden, zit op een hoop cash, en er is volop ruimte voor een operationele verbetering. Maar zelfs met een agressieve financiering zouden de private-equitygroepen minstens 25 miljard dollar eigen middelen in de overname moeten steken. Helemaal onmogelijk is dat niet. Maar voorlopig lijkt het toch wel wat hoog gegrepen.

Analisten menen echter dat deals tot 80 miljard dollar wel in het bereik liggen van private-equitygroepen, als die bereid zijn samen te spannen. Alleen bedrijven die groter zijn, moeten zich nog geen zorgen maken. Maar in de VS zijn er dat maar een zestigtal.

Blackstone, een van de grote spelers, heeft 30 miljard dollar onder beheer. De fondsen van KKR zijn goed voor 26 miljard. De private-equitygroepen hebben bovendien weinig moeite om nieuwe middelen aan te trekken. Integendeel, het geld stroomt toe.

Volgens het Britse onderzoeksbureau Private Equity Intelligence werd in de eerste helft van dit jaar 167 miljard dollar opgehaald door private-equitygroepen, 12 procent meer dan in 2005, al een recordjaar. Wellicht wordt dit jaar de drempel van 300 miljard dollar vers geld overschreden. In Europa werd vorig jaar 71,8 miljard euro opgehaald, tweeënhalf keer zoveel als in 2004. En in 2006 wordt het zeker meer. Ongeveer 20 procent van dat geld gaat naar venture capital en wordt geïnvesteerd in jonge groeibedrijven, de overige 80 procent wordt gebruikt voor buy-outs van grotere, mature bedrijven. Want heel wat private-equityspelers hebben een flinke kater - en zware verliezen - overgehouden aan het uiteenspatten van de internetzeepbel in 2000 en hebben zich daarom geheroriënteerd, weg van de risicovolle financiering van groeibedrijven in de technologiesector, naar de buy-outmarkt.

Rendement

Waar komt dat geld vandaan? Voor een stukje van vermogende particulieren. Maar vooral van banken, verzekeringsmaatschappijen, pensioenfondsen en andere institutionele beleggers. Die zijn wanhopig op zoek naar interessante beleggingsopportuniteiten. En die vinden ze niet op de obligatiemarkt - door de lage rentestand - en evenmin op de beurs - Wall Street heeft er ruim zes jaar over gedaan om opnieuw het peil van begin 2000 te halen. Ze worden aangetrokken door de hoge rendementen die met private equity kunnen worden gehaald.

Over het rendement van de buy-outfondsen bestaat nogal wat onduidelijkheid. Volgens een onderzoek in de VS realiseerden de best presterende buy-outfondsen tussen 1980 en 2001 een gemiddelde jaarlijkse return van 23 procent. Andere studies zouden dan weer aantonen dat private-equityfondsen op lange termijn geen betere rendementen opleveren dan de beurs: voor elk fonds dat het uitstekend doet, is er wel een ander dat slecht presteert.

Toch is private equity als beleggingscategorie erg in. Het is nog een vrij jonge activaklasse: de meeste grote private-equitygroepen zijn ontstaan in de tweede helft van de jaren 80 of het begin van de jaren 90. Het cowboy-imago, dat ze aanvankelijk meedroegen, zijn ze nu wel kwijt. Private equity heeft erkenning gekregen als een volwaardige beleggingscategorie. In de VS en Canada beleggen de grote institutionele beleggers gemiddeld 7 procent van hun activa in private equity, in Europa is dat 4,5 procent, blijkt uit een enquête van de Russell Investment Group uit 2005.

Het geld stroomt dus toe. Vooral naar de grote fondsen, die over het algemeen de beste prestaties kunnen voorleggen. Want voor de grote deals is er minder concurrentie. Daar kan nog tamelijk goedkoop worden ingestapt, wat een grotere meerwaarde oplevert bij de exit. En daaruit haalt een private-equitygroep toch het grootste deel van haar winst.

Door de toevloed van geld zijn de fondsen in staat zich aan steeds grotere prooien te wagen. In de top tien van de grootste private-equitydeals staan dan ook niet minder dan zes transacties die dit jaar beklonken zijn. Een nieuwe trend is bovendien dat private-equitygroepen voor heel grote deals samenwerken en een 'clubje' vormen. Voor de overname van de Nederlandse informatiegroep VNU dit voorjaar bijvoorbeeld, was een consortium gevormd met niet minder dan zeven private-equityfondsen, waaronder KKR, Blackstone en Carlyle.

Ook in de doelwitten van private-equitygroepen is er een hele verandering. Ze leggen zich nog altijd vooral toe op familiebedrijven, die ze naar een volgende groeifase kunnen optillen. Bij familieaandeelhouders is er steeds minder weerstand om een onderneming over te laten aan een private-equitygroep. Zelfs regeringen doen het, wanneer ze een overheidsbedrijf privatiseren.

Sirenenzang

Private-equitygroepen wagen zich ook steeds meer aan beursgenoteerde ondernemingen, als ze menen dat die ondergewaardeerd zijn of nog heel wat ruimte bieden voor een operationele verbetering. Voorbeelden in die zin zijn HCA in de VS, VNU in Nederland en de luchthavenexploitant BAA in Groot-Brittannië. In de VS worden de technologiebedrijven Sun Microsystems, Symantec, Texas Instruments en zelfs Dell en HP beschouwd als kandidaten om door private-equitygroepen te worden overgenomen.

Dat zou inhouden dat ze van de beurs verdwijnen. Daar hoeft geen overnamegevecht aan te pas te komen, want de operaties zijn meestal vriendschappelijk. Het management - en de aandeelhouders - van nogal wat beursgenoteerde ondernemingen zijn teleurgesteld in de ontwikkeling van de beurskoers, omdat die hen volgens hen onvoldoende de waarde van de onderneming weerspiegelt. Ze zijn het bovendien beu onder druk van beleggers en analisten elk kwartaal opnieuw betere resultaten te moeten presenteren. Een misstap is niet gepermitteerd. Een beursgenoteerde onderneming is bovendien aan strenge regels onderworpen in rapportering en transparantie. Een bedrijf dat niet op de beurs staat, heeft daar allemaal geen last van.

Het management wordt daar bovendien niet noodzakelijk slechter van. De topmanagers krijgen bij een buy-out meestal de kans mee in het kapitaal te stappen, en krijgen een meer dan evenredig deel in de meerwaarde die op het einde van de rit wordt gerealiseerd. KKR slaagde er deze zomer in David Calhoun, de vicevoorzitter van het concern General Electric en een van de meest beloftevolle managers in de VS, te overtuigen de leiding van VNU op zich te nemen. VNU heeft een omzet van 4,3 miljard dollar. Bij GE stond Calhoun aan het hoofd van een divisie van 47 miljard dollar. Maar bij VNU kan hij wel 100 miljoen dollar verdienen, een veelvoud van zijn wedde bij General Electric. 'Private-equitylui zingen een sirenenzang waaraan managers moeilijk kunnen weerstaan', luidt het.

De opmars van private equity de jongste jaren is ook te danken aan de gunstige economische omgeving. Door de lage rente kunnen de overnemingen goedkoop met schulden worden gefinancierd. Door de behoorlijke economische groei nemen de bedrijfswinsten fors toe, en dat levert de kasstromen op waarmee de bedrijven de schulden moeten oplossen. En ten slotte is ook het beursklimaat tamelijk positief, wat de private-equitygroepen de mogelijkheid biedt via een beursgang uit de ondernemingen te stappen waarin ze participeerden.

Azië

Private equity was oorspronkelijk vooral een Angelsaksisch fenomeen: de meeste overnamedeals vonden plaats in de VS en Groot-Brittannië. Maar de fondsen zijn volop bezig hun actieterrein uit te breiden tot continentaal Europa. Volgens cijfers van Candover bedroeg de waarde van private-equitytransacties in Europa in de eerste helft van dit jaar 77 miljard euro, een stijging met 34 procent tegenover dezelfde periode vorig jaar. En op termijn wacht Azië. KKR heeft al een kantoor in Singapore, Blackstone opende vorig jaar een vestiging in de Indiase stad Bombay. En CVC Capital Partners richtte al in 1999 een aparte divisie 'Asia-Pacific' op. Die verwierf intussen al 17 bedrijven, voor een totaal bedrag van 4,3 miljard dollar.

Door de sterke expansie van de jongste jaren kan nu nog moeilijk naast private equity gekeken worden. Het speelt een niet te onderschatten rol in het wereldwijde economische en financiële systeem. Toch mag het belang van private equity niet worden overdreven. Wereldwijd is er maar 900 miljard dollar in belegd, 1,4 procent van het totale bedrag van 63.000 miljard dollar beleggingsgeld. Bovendien nemen de private-equitygroepen slechts een beperkt deel van de overnamemarkt voor hun rekening. Van de Europese bedrijven die in de eerste helft van dit jaar werden overgenomen, kwam 83 procent in handen van een industriële speler. Slechts 17 procent kwam terecht bij een private-equitygroep of een andere financiële partij.

Michael Sephiha

Stefaan Michielsen

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud