Advertentie

De kronkels van de meerwaardebelasting bij dakfondsen

©EPA

De Reynders-taks, waarbij sommige fondsen worden belast op de meerwaarde, is een zeer complexe taks waarop ook de banken hun tanden hebben stukgebeten. Onlangs publiceerde de fiscus een omzendbrief om de berekening ervan voor fondsen die beleggen in andere fondsen te verduidelijken.

De Reynders-taks zag het levenslicht in 2005, tijdens een nachtelijk begrotingsconclaaf. Na enkele bijsturingen blijft de belasting de fondsenwereld beroeren, niet het minst om zijn complexiteit.

De Reynders-taks is een roerende voorheffing van 30 procent die geheven wordt op de meerwaarde van sommige beleggingsfondsen bij de verkoop van het fonds. De taks geldt niet op de volledige meerwaarde. Enkel de inkomsten en meerwaarde die het fonds haalt uit de vastrentende effecten, zoals obligaties, komen in aanmerking. Twee elementen maken de toepassing van de taks complex. Ten eerste de bepaling of een fonds al dan niet onder de Reynders-taks valt. Ten tweede de berekening van het belastbare gedeelte van de meerwaarde.

De regels mogen dan complex zijn, ze laten weinig ruimte voor interpretatie. Behalve dan voor een specifieke groep van fondsen: de dakfondsen.

De taks is alleen van toepassing op fondsen die minstens 10 procent in vastrentende effecten beleggen. Het gaat dan om pure obligatiefondsen, geldmarktfondsen of gemengde fondsen. Pure aandelenfondsen ontspringen de dans. De taks slaat enkel op de kapitalisatievariant van een fonds. Dat is het deelbewijs dat geen dividenden uitkeert. Toch kunnen ook distributiefondsen - die wel dividenden uitkeren - onder de taks vallen. Dat is het geval als hun prospectus niet duidelijk vermeldt dat het fonds alle inkomsten uit het vastrentende gedeelte uitkeert in de vorm van een dividend. De meeste Belgische fondsenhuizen hebben die aanpassing in hun prospectus gedaan, maar bij buitenlandse fondsenhuizen is dat vaak niet het geval.

De Reynders-taks is een uitsluitend Belgische taks. Voor buitenlandse fondsenhuizen, waar de Belgische markt maar een fractie van hun activiteiten uitmaakt, is de taks vaak onvoldoende belangrijk om er een prospectusaanpassing voor door te voeren. Bij die spelers vallen ook de distributievarianten onder de Reynders-taks.

De geruisloze uitbreiding van de Reynders-taks

2006: lancering Reynders-taks. Fondsen die meer dan 40 procent in rentedragende beleggingen zitten, worden belast aan een roerende voorheffing van 15 procent op het intrestgedeelte van die rentedragende beleggingen.
2008: uitbreiding naar de volledige meerwaarde op het vastrentende gedeelte.
2011: aantal fondsen in scope groeit. De drempel wordt verlaagd van 40 procent naar 25 procent rentedragend.
2012: de roerende voorheffing stijgt van 15 naar 21 procent.
2013: de roerende voorheffing gaat naar 25 procent.
2013: ook fondsen zonder Europees paspoort vallen onder de Reynders-taks.
2016: de roerende voorheffing klimt naar 27 procent.
2017: de roerende voorheffing gaat naar 30 procent.
2018: de drempel wordt verlaagd van 25 naar 10 procent rentedragende activa.


Een tweede element is de berekening van de belastbare basis. Om te bepalen hoeveel een belegger belast wordt bij verkoop moet telkens kunnen worden vastgesteld hoeveel meerwaarde en inkomsten de belegger heeft opgestreken uit de vastrentende beleggingen in het fonds. In een gemengd fonds, waarin de proportie van vastrentende effecten voortdurend wijzigt, is dat geen evidente zaak.

Arbeidsintensief

Om het vaststellen van de taks eenvoudig te maken, berekenen verschillende fondsenhuizen naast de inventariswaarde ook elke dag een TIS-waarde (Taxable Income per Share). Dat is het deel van de inventariswaarde dat bestaat uit belastbare inkomsten. Ook die oefening laten verschillende, vaak buitenlandse, fondsenhuizen aan zich voorbijgaan omdat ze te arbeidsintensief is.

Als de TIS-waarde niet beschikbaar is, kan er ook gewerkt worden met een activatest die de fondsenhuizen periodiek moeten doen. Die test geeft aan hoeveel procent van het fonds belegt in vastrentende effecten. Met dat cijfer kan de belastbare basis bepaald worden. De volledige meerwaarde die de belegger heeft opgestreken, wordt dan vermenigvuldigd met het gemiddelde percentage vastrentende effecten in het fonds. Dat geldt dan als een aanvaardbare benadering voor de belastbare basis.

Is er ook geen activatest voorhanden, dan wordt de volledige meerwaarde als belastbare basis genomen, zelfs al kunnen daartoe meerwaarden van aandelen behoren.

Dakfondsen

De regels mogen dan complex lijken, ze laten weinig ruimte voor interpretatie. Behalve dan voor een specifieke groep van fondsen: de dakfondsen, fondsen die in andere beleggingsfondsen beleggen. Om de Reynders-taks correct te kunnen toepassen moet de beheerder van het dakfonds op elk moment volledige informatie over alle onderliggende fondsen hebben. En dat is niet altijd het geval.

De circulaire die de fiscus onlangs publiceerde, biedt verduidelijking op twee punten: de bepaling van het percentage vastrentende beleggingen en de bepaling van de belastbare basis. De basisregel is dat het gewicht van obligaties in elk onderliggend fonds wordt vermenigvuldigd met het gewicht dat het dakfonds belegt in het desbetreffende fonds. Stel dat een dakfonds voor 10 procent belegt in fonds A, dat zelf voor 10 procent belegt in obligaties, dan draagt dat fonds A bij voor 1 procent obligaties in het dakfonds (10% x 10%).

‘Als de informatie voor één fonds niet beschikbaar is, dan wordt voor dat onderliggende fonds een percentage van 100 procent toegepast’, zegt Denis-Emmanuel Philippe van het advocatenbureau Bloom. Al geldt wel een uitzondering. ‘Als het fonds uitsluitend belegt in andere beleggingen dan schuldvorderingen (bijvoorbeeld in aandelen), dan mag men uitgaan van een percentage van 0 procent. Dat betekent dat de cash die het fonds aanhoudt niet in rekening moet worden gebracht. Voor de praktijk is dat in mijn ogen de belangrijkste verduidelijking van de circulaire’, zegt Philippe.

Dividend

De circulaire bevat ook een verduidelijking over de opsplitsing tussen kapitalisatie- en distributiefondsen. ‘Als het dakfonds een distributievariant is en in zijn beleggingspolitiek aangeeft dat het alle inkomsten uitkeert in de vorm van een dividend, dan valt het dakfonds niet onder de Reynders-taks. Het maakt in dat geval niet uit of het dakfonds onderliggend in kapitalisatiefondsen of distributiefondsen belegt’, zegt Philippe.

Ten slotte wordt ook stilgestaan bij de belastbare basis. Als het dakfonds een Taxable Income per Share kent van alle onderliggende fondsen, dan kan het dakfonds ook zelf eenvoudig een TIS-waarde berekenen. Maar de kans is groot dat niet alle onderliggende fondsen een TIS-waarde hebben. ‘Het dakfonds kan dan het percentage obligaties ook vaststellen op basis van de activatesten van de onderliggende fondsen. Als het voor een van de onderliggende fondsen onbekend is, dan wordt een percentage van 100 procent gehanteerd. Dat betekent dat een stijging van de netto-inventariswaarde van het onderliggende fonds volledig belast zal zijn (als ‘19bis’-inkomen)’, zegt Philippe.

De verduidelijkingen nemen de twijfels weg voor alle fondsenhuizen, vooral voor de buitenlandse. Voor veel Belgische spelers is de impact van de circulaire beperkt. De marktleider KBC Asset Management, die 200 dakfondsen aanbiedt die instaan voor ongeveer 30 procent van het belegde vermogen in fondsen, ziet nauwelijks een impact. ‘De recente circulaire zal niet resulteren in een wijziging in fiscale behandeling omdat de voorgestelde bepalingen bij ons al in 2015 werden ingevoerd‘, luidt het bij de vermogensbeheerder. Van de 200 dakfondsen valt bij KBC ongeveer de helft onder de Reynders-taks.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud