‘Pensioenfondsen hebben geen depositogarantie nodig'

Philip Neyt ©BELGA

‘Tijdens de crisis van 2008 heeft de Belgische regering een depositogarantie voor pensioenfondsen voorgesteld. Ik heb dat principieel geweigerd. Pensioenfondsen beleggen op lange termijn. De voorbije 35 jaar hebben bewezen dat we zo’n garantie niet nodig hebben’, zegt Philip Neyt, de voorzitter van de vereniging van bedrijfspensioenfondsen.

Meer dan 3 miljoen Belgen storten via hun werkgever voor een aanvullend pensioen. Bij 1,7 miljoen Belgen gebeurt dat in een bedrijfs- of sectorpensioenfonds, niet te verwarren met een pensioenspaarfonds waarin iedere Belg jaarlijks tot 1.260 euro fiscaal voordelig kan storten. Vandaag zijn de pensioenfondsen in België goed voor 40 miljard euro. Hun belang zal de komende jaren fors groeien. ‘Door de aanhoudende budgettaire krapte zal een aanvullend bedrijfspensioen steeds noodzakelijker worden alsextraatje boven op het wettelijk pensioen’, zegt Philip Neyt.

Het werkgeverspension is een win-winsituatie voor werkgever én werknemer.
Philip Neyt
Voorzitter Pensioplus

De grootste troef van een pensioenfonds is volgens Neyt de lange horizon. Die neemt alleen maar toe omdat mensen langer werken en langer leven. ‘Pensioenfondsen kunnen geld beleggen voor 25 à 30 jaar. Dat is een enorme luxe. Maar de fondsen hebben ook een grote verantwoordelijkheid. Ze moeten een reëel rendement bieden, zodat pensioenspaarders zeker hun koopkracht behouden. Je kunt mensen niet vragen om 25 jaar lang spaargeld opzij te zetten en hen dan tot de conclusie laten komen dat ze erop achteruitgegaan zijn’, zegt Philip Neyt. 

Vandaag moeten werkgevers een rendement van 1,75 procent garanderen op de stortingen in een aanvullend bedrijfspensioen. Vindt u die drempel aanvaardbaar?

Philip Neyt: ‘Je kunt discussiëren over het niveau, maar ik vind zo’n rendementsgarantie een manier om de koopkracht te vrijwaren. Pensioen is een kwestie van vertrouwen. Als we mensen niet kunnen beloven dat hun koopkracht behouden blijft, hoe kunnen ze dan vertrouwen hebben in een aanvullend pensioen? Pensioenfondsen kunnen geld beleggen voor 25 à 30 jaar. Dat is een enorme luxe, maar ze hebben dus ook een grote verantwoordelijkheid. Ze moeten een reëel rendement bieden, zodat pensioenspaarders zeker hun koopkracht behouden. Je kunt mensen niet vragen om 25 jaar lang spaargeld opzij te zetten en hen dan tot de conclusie laten komen dat ze erop achteruitgegaan zijn. Een stabiel fiscaal klimaat is ook cruciaal om dat vertrouwen te houden. De grootste rem op de groei van het aanvullend pensioen is dat mensen weinig vertrouwen hebben in de eindbelasting. De vrees leeft dat ze binnen 20 à 30 jaar meer moeten betalen dan de huidige eindbelasting. Zodra men daaraan raakt, creëert men onzekerheid en is alle vertrouwen weg.’

Pensioenfondsen haalden sinds 1985 een reëel rendement, dus na inflatie, van 4,4 procent per jaar. Hoe slagen de fondsen er vandaag in beter te doen dan de inflatie?

Eigenlijk is beleggen oersaai. Gezond boerenverstand, meer dan dat is het niet.
Philip Neyt
Voorzitter Pensioplus

Neyt: ‘Omdat we op lange termijn beleggen, kan de strategische allocatie vrij stabiel blijven. We beleggen zonder emotie. Sla er de statistieken op na en je zal zien dat pensioenfondsen altijd tussen 30 en 40 procent in aandelen hebben belegd. De fondsen veranderen het geweer niet snel van schouder. Dat is de reden waarom we crisissen kunnen uitzitten. Het geheim is altijd in de markt te blijven, ook als het minder goed gaat. Eigenlijk is beleggen oersaai. Een goede spreiding en niet veel in- en uitstappen, zodat je de transactiekosten beperkt. Gezond boerenverstand, meer is het niet.’

Toch lijken weinig mensen die gezonde beleggingsprincipes na te leven, getuige de 274 miljard euro die op spaarboekjes staat.

Neyt: ‘De reden waarom er zoveel geld op een spaarboekje staat, heeft te maken met een voorzorgsmotief. Van een spaarboekje zijn mensen zeker. Het geld blijft op de rekening staan, is altijd opvraagbaar en het wordt niet of nauwelijks belast. Dat ze aan koopkracht verliezen vinden ze minder erg dan hun centen te stoppen in zaken waarin ze minder vertrouwen hebben.’

Hoe komt dat?

Iedereen zou zo snel mogelijk maandelijks 3 procent van zijn loon in een aanvullend bedrijfspensioen moeten storten.
Philip Neyt
Voorzitter Pensioplus

Neyt: ‘De regering moet beseffen dat sparen voor het pensioen gepaard gaat met veel risico. Je kan sparen vandaag niet vergelijken met sparen 20 jaar geleden. Toen had je risicovrije rentes van 4 procent of meer. Vandaag bestaat risicovrij beleggen niet meer. En wat nog erger is, door de structureel lage rente riskeren beleggers die op zoek zijn naar rendement een dubbele factuur te betalen. Want je investeert in bedrijven die zich met de lage rente goedkoop financieren. Wellicht zullen sommigen in projecten stappen die achteraf niet rendabel blijken te zijn. Als dat fout afloopt, riskeer je als spaarder ook nog eens de prijs van goedkoop krediet mee te betalen. Het kaf zal ooit van het koren gescheiden worden.’

Hoe proberen de pensioenfondsen extra rendement te halen?

Neyt: ‘Er wordt meer naar infrastructuur gekeken. Vandaag beleggen de fondsen nog geen 5 procent van hun vermogen in infrastructuur.Dat moet een stuk hoger. Pensioenfondsen moeten een belangrijke rol spelen in de financiering van de Belgische kerninfrastructuur, zoals de (spoor)wegen, telecom... Ze zijn er het uitgelezen vehikel voor. Bij infrastructuur is er een focus op de lange termijn, de investering is koopkrachtvast en er is een premie voor de geringe verhandelbaarheid. We moeten een voorbeeld nemen aan de Australische en Canadese pensioenfondsen. Die investeren ruim 25 procent in infrastructuur. Ze doen dat zelfs wereldwijd. Vandaag bieden ze mee op onze nationale luchthaven en op andere basisinfrastructuur in ons land.’

Beleggen pensioenfondsen nog veel in obligaties?

Neyt: ‘Ze beleggen nog evenveel in obligaties, maar er is een grote verschuiving van overheids- naar bedrijfsobligaties. Het rendement van de overheidsobligaties is 0 en toch neem je veel risico, want de vo-latiliteit van staatsobligaties is alleen maar toegenomen. Je belegt ook nog eens in de landen met de grootste overheidsschulden, zoals Italië. De pensioenfondsen beleggen wel nog in belangrijke mate in bedrijfsobligaties, maar dat gebeurt meestal gespreid via beleggingsfondsen. In totaal tekenen beleggingsfondsen voor 70 procent van de pensioenfondsen, vooral om voldoende spreiding te hebben.’

Hebben pensioenfondsen een voordeel op groepsverzekeringen, die wel nog in overheidsobligaties moeten beleggen?

De grootste rem op de groei van het aanvullend pensioen is dat mensen weinig vertrouwen hebben in de eindbelasting.
Philip Neyt
Voorzitter Pensioplus

Neyt: ‘De Europese kapitaalregels Solvency II zijn een ramp voor de klassieke tak21-producten van de verzekeraars. Die zitten voor dat product in een veel te strak keurslijf. Daardoor zijn ze nog steeds de grootste financiers van de overheidsschulden, vooral dan van landen met veel schulden. Niet omdat ze het willen, maar omdat ze door Solvency II bijna niet anders mogen.’

Vindt u het niet logisch dat met pensioenkapitaal heel omzichtig moet worden omgesprongen?

Neyt: ‘Ik ben absoluut voor controle en er moeten regels zijn, maar dan wel in het belang van iedereen. Je kan als pensioenfonds zeer solvabel zijn door 100 procent in Duitse overheidsobligaties te beleggen. Maar het probleem is: je hebt geen enkele continuïteit of rentabiliteit. Want elk jaar verlies je geld in reële termen. Een keurslijf is voor niets goed. Wie voor zijn pensioen belegt en de gezonde beleggingsprincipes hanteert, heeft geen bijkomend keurslijf nodig. Dergelijke langetermijnengagementen hebben geen depositogarantie nodig, zoals die in 2008 werd voorgesteld.’

Waarom lag die depositogarantie op tafel?

Pensioenfondsen moeten een belangrijke rol spelen in de financiering van de Belgische kerninfrastructuur.
Philip Neyt
Voorzitter Pensioplus

Neyt: ‘In 2008 in volle kredietcrisis zaten nogal wat pensioenfondsen onder water. De vrees was dat ze hun toekomstige verplichtingen niet waar konden maken. Ik werd bij Yves Leterme en Kris Peeters geroepen. Daar werd het voorstel gedaan om de pensioenfondsen van de bescherming van de depositogarantie te laten genieten. Daardoor zou tot 100.000 euro gegarandeerd zijn door de overheid. Ik heb dat principieel geweigerd, want we hadden helemaal geen liquiditeitsprobleem. Integendeel, een run op de pen-sioenfondsen is onmogelijk, want er komt meer geld binnen dan er buiten kan gaan aangezien je je geld niet kan opvragen voor de pensioenleeftijd. Ik heb toen gezegd: we zullen het probleem zelf oplossen, geef ons vijf jaar. Uiteindelijk heeft het zelfs geen vijf jaar geduurd.’

De ontslagnemende regering nam verschillende maatregelen om het aanvullend pensioen te versterken. Wat vindt u van die initiatieven?

Neyt: ‘We moeten nog veel verder gaan. Iedereen zou zo snel mogelijk maandelijks 3 procent van zijn loon in een aanvullend bedrijfspensioen moeten storten. Vandaag is dat voor de meesten absoluut niet het geval. Als je weet dat een maandelijkse storting van 1 procent van het loon vanaf de pensioenleeftijd resulteert in een aanvullend pensioen van100 euro per maand, dan begrijp je dat 3 procent een minimum is. Bij dat niveau krijg je - voor een gemiddeld loon en bij een reëel rendement van 2 procent - 300 euro per maand uit het aanvullend pensioen. Tel dat bij het gemiddelde wettelijk pensioen van 1.200 euro, en je komt aan 1.500 euro. Die oplossing is wel betaalbaar.’
‘Vergeet niet dat het aanvullend pensioen een win-winsituatie is voor de werkgever én de werknemer. Stel dat de werkgever 100 euro stort in uw pensioenplan, dan kost hem dat 113 euro, en dan levert u dat netto77 euro op. Welnu, als de werkgever u 100 euro brutoloon geeft, dan kost hem dat 125 euro en levert u dat netto 46 euro op. Zo eenvoudig is het. Voor eenzelfde loonkost van125 euro kan de werkgever u 110 euro pensioenbijdrage storten zodat86 euro in de pensioenpot gaat, tegenover 46 euro bij loon. Ik pleit zelfs voor een Engels systeem. Daar zijn de - vaak verplichte - bijdragen geleidelijk opgevoerd van 2 naar8 procent.’

Hoe snel gaan we die drempel van 3 procent bereiken voor iedereen?

Neyt: ‘Dat zal nog even duren. Al zijn er wel enkele evoluties die in het voordeel spelen, zoals het eenheidsstatuut voor arbeiders en bedienden.’

De groei van de inlagen in pensioenfondsen komt ook nog uit een andere hoek. Steeds meer pan-Europese pensioenfondsen strijken in ons land neer.

Neyt: ‘België speelt een steeds belangrijkere rol in de Europese markt van de pensioenfondsen. Ons land heeft als een van de eerste landen de Europese IORP II-richtlijn omgezet. Daardoor kan het voor een multinational interessant zijn om al zijn Europese pensioenplannen in België te centraliseren.’

Waarom is België een voorloper?

Neyt: ‘België heeft de richtlijn niet alleen snel omgezet, het heeft dat ook gedaan zonder extra beperkingen toe te voegen. In andere landen is de richtlijn vaak strenger geïnterpreteerd. Voorts heeft België nogal wat dubbelbelastingverdragen, wat de zaken voor multinationals vergemakkelijkt. En er is onze toezichthouder. Die is, als ik op Europees vlak vergelijk, heel pragmatisch te werk gegaan en werkt meer vanuit de principes dan vanuit de regels, zonder in te boeten op strengheid en de kwaliteit van de supervisie.’

Hoe komt het dat Nederland, dat veertig keer meer activa in pensioenfondsen heeft dan België, niet mee is met die evolutie?

Neyt: ‘Ik noem dat de wet van de remmende voorsprong. De Nederlandse pensioenfondsen zijn te log geworden om bij te sturen. Ze zijn te groot, met vaak te veel personeel. Bovendien kampt de Nederlandse pensioensector met een vertrouwenscrisis. In Nederland wordt het aanvullend pensioen in rente uitbetaald, dus via een maandelijks bedrag. Door de lage rente hebben pensioenfondsen moeten ‘korten’. Ze hebben brieven moeten sturen naar hun klanten om te zeggen dat hun maandelijks bedrag 2 procent lager uitkomt. Dat is een grote aanval op het vertrouwen van de mensen. Een Belgische werknemer is veel beter beschermd in zijn aanvullend pensioen. Nederland kan op dat vlak nog wel wat mosterd uit België halen.’

Lees meer in de Fondsenbijlage bij De Tijd op woensdag 15 mei 2019.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect