analyse

De datajackpot van indexbouwers en beurzen

De Dow Jones overschreed op 10 januari 2020 de grens van 29.000 punten. ©EPA

In een niche van de financiële markt woedt een strijd over data. Fondsbeheerders en banken beschuldigen een kliek indexleveranciers en beurzen ervan hun prijzen genadeloos op te trekken. De rekening komt deels bij de belegger terecht.

'Zodra data in het spel komen, probeert iemand er iets aan te verdienen’, zucht een Belgische fondsbeheerder. Hij plaatst het als coda bij een kwartier lang salvo tegen de hebzucht van grote indexbouwers als MSCI en S&P Dow Jones. Die leveren bekende beursbarometers als de MSCI World of de Amerikaanse S&P500, graadmeters waartegen professionele beleggers hun prestaties afmeten.

‘Tien jaar geleden kon je hun indexen en data nog gratis gebruiken’, vertelt de beheerder. ‘Zo bouwden ze marktaandeel en -macht op, wat ze nu vertalen in steeds hogere facturen voor hun indices. De kostprijs loopt de spuigaten uit.’ Concreet: wie een portefeuille van pakweg 40 miljard euro beheert, mag elk jaar meerdere miljoenen betalen aan indexleveranciers.

Het Angelsaksische trio MSCI, S&P Dow Jones en FTSE Russell is volgens critici niet het enige oligopolie dat dankzij een greep op cruciale data willekeurige prijsverhogingen kan opleggen aan de financiële markt. Ook de grote beurzengroepen in de VS en Europa lopen in het vizier, inclusief dat van de toezichthouders.

Gefaald

Die vragen beurzen als de New York Stock Exchange (NYSE) hun eindeloze prijsverhogingen voor marktdata te verantwoorden. Bij ons voorlopig zonder resultaat, want de Europese markttoezichthouder ESMA erkende onlangs dat een twee jaar oude hervorming om marktdata goedkoper te maken gefaald heeft. In sommige gevallen waren prijzen in enkele jaren tijd 400 procent gestegen. Een herevaluatie is nodig, stelt ESMA.

Beurzen zien een goudpot in hun data over koersen en handelsvolumes. Die leveren een steeds groter deel van hun inkomsten. Voor ICE, de groep boven de NYSE, zijn datadiensten al goed voor bijna de helft van de omzet.

Nu hun traditionele inkomsten uit aandelenhandel onder druk staan door de concurrentie van alternatieve handelsplatformen zetten beurzen in op het vermarkten van data voor professionele beleggers. Met succes, want ze zagen de omzet uit datadiensten tussen 2012 en 2018 met 13 procent per jaar groeien, becijferde de consultant Burton-Taylor.

Stabieler

Een ander cijfer dat mooi illustreert waar de prioriteiten van beurzen liggen, is 27 miljard dollar. Zoveel was de London Stock Exchange (LSE) vorig jaar bereid neer te tellen om de financiëledatagroep Refinitiv in te lijven.

Voor de Londense beurs hebben inkomsten uit data niet alleen het voordeel stabieler te zijn, de deal laat ook toe een verticaal geïntegreerd marktdatabedrijf te worden. De LSE kan zo haar eigen tradingdata verdelen en via de Eikon-terminals van Refinitiv tot op het bureau van professionele marktspelers brengen. Ook Euronext speurt intussen naar overnameopportuniteiten in de sector van marktdata.

Winstmarges

De indexbouwers zitten evenmin stil. Overnames hebben de concentratie in de sector opgedreven, met een marktaandeel van 71 procent voor de grote drie. In 2018 groeide de sectoromzet met 13 procent tot 3,5 miljard dollar. Winstmarges van 50 tot 60 procent zijn normaal. Dat ze goed boeren, leert een blik op de aandelenkoers van MSCI . Dat zag zijn aandeel bijna verzesvoudigen in de voorbije vijf jaar.

©Mediafin

In diezelfde periode stond de koers van vermogensbeheerders als Franklin Templeton onder druk. Continu afbrokkelende commissie-inkomsten dwingen hen stevig in de kosten te snijden, en dat op een moment dat indexleveranciers hen steeds meer aanrekenen.

Geen wonder dat fondsbeheerders zich kritisch uitlaten over de indexbouwers. ‘Indexkosten zijn een echt probleem. De leveranciers vormen een oligopolie. De prijzen die ze aanrekenen, zijn niet in overeenstemming met de waarde die ze leveren’, liet Amundi-CEO Yves Perrier zich ontvallen.

Dat het lot van fondsbeheerders en indexleveranciers met elkaar verbonden is, leert de indrukwekkende opmars van passief beleggen via goedkope trackers. Daarbij volgt een belegging slaafs een index, zij het de populaire S&P500 of een op maat gemaakte index van duurzame bedrijven. Passief beleggen kost minder dan de actieve variant, waarbij een fondsbeheerder de aandelen selecteert. Dat is goed nieuws voor beleggers, maar niet voor vermogensbeheerders die hun inkomsten zien wegsmelten.

Ook de indexbouwers varen wel bij de trend, want zij leveren de indexen waarop duizenden miljarden euro’s aan passieve beleggingen geënt zijn. Intussen circuleren wereldwijd al bijna 3 miljoen indexen.

Maar ook actieve fondsbeheerders kunnen niet zonder indexen. Behalve een vertrouwde referentie waartegen ze hun beleggingsprestatie afmeten, zijn indexen een nuttig instrument voor analyses en risicobeheer. ‘Vermogensbeheerders willen veel meten, en daarvoor zijn benchmarks nodig. Een kwestie van gezond financieel beheer’, zegt de fondsbeheerder.

Dwingend

Voor marktdata geldt eenzelfde dwingende dynamiek. Om te kunnen voldoen aan de verplichting klanten de beste prijs te geven moeten beursmakelaars bijvoorbeeld de marktdata van verschillende handelsplatformen kunnen vergelijken.

Het creëert een situatie waarin de aanbieders van indexen en marktdata een aanzienlijke prijsmacht hebben. De beschuldiging luidt dat de aangerekende prijzen niet in verhouding staan tot de werkelijke kosten om data te produceren en te verdelen.

Een commerciële logica regeert. Terwijl beurzen en indexen vroeger eerder publieke voorzieningen waren, gaat het vandaag om commerciële bedrijven die winst willen maken. De tijd dat de Dow Jones-index eind 19de eeuw door een krantenuitgever werd ontwikkeld om lezers feeling met het beursklimaat te geven, is ver weg.

Indexen moeten weer een publiek goed worden in plaats van big business.
Dan Lefkovitz
strateeg bij Morningstar

Fondsenanalist Morningstar laat er geen twijfel over bestaan dat de indexleveranciers van een ‘oligopolistische marktstructuur’ genieten. ‘Een industrie gedomineerd door enkele spelers die van hoge overstapkosten genieten, heeft de neiging haar prijsmacht te laten gelden’, schreef Morningstar-strateeg Dan Lefkovitz in een recent onderzoeksrapport.

De hoge overstapkosten - ofwel de neiging van klanten om vast te houden aan hun vertrouwde product - zijn volgens Lefkovitz vooral te wijten aan de merkmacht van de grote drie. Hun indexen klinken vertrouwd in de oren en zijn een gevestigde waarde. ‘Dat maakt het voor fondsbeheerders die willen overstappen naar goedkopere indexalternatieven niet gemakkelijk. Ze vragen zich af hoe hun beleggingsklanten daarop zullen reageren’, zegt Lefkovitz in een gesprek.

Een medewerker van een grote Europese fondsbeheerder bevestigt dat ‘grote institutionele beleggingsklanten de voorkeur blijven geven aan bekende indexen als referentie.’ Het Duitse Solactive, dat met veel goedkopere indexen de wurggreep van de top drie wil doorbreken, omschrijft het trio als ‘merkmanagers’. ‘Zij investeren fors in hun merk, en dat komt met een prijs’, zegt Timo Pfeiffer, hoofd markten bij het twaalf jaar oude Solactive.

De complexiteit van indexen bouwen vormt geen toetredingsbarrière, meent Lefkovitz. Hij erkent dat het ontwikkelen en onderhouden van een index ‘niet eenvoudig’ is - er is nood aan een uitgebreide en gezuiverde database met historische koersen en gegevens over bijvoorbeeld aandelensplitsingen - maar het eindproduct is perfect inwisselbaar, toch voor bredere marktindexen.

De Belgische fondsbeheerder zit op dezelfde golflengte. ‘Het gaat niet over het bouwen van een kerncentrale. Je hebt alleen een database nodig, een paar datawetenschappers en enkele juristen voor de compliance met de regelgeving.’

Toch rijzen de prijzen de pan uit. ‘De kostprijs voor het gebruik van indexen is nu soms hoger dan het bewaarloon dat je de custodian betaalt, en die laatste partij heeft toch een belangrijkere functie’, reageert de Belgische beheerder.

Een index is geen kerncentrale. Om er een te bouwen heb je alleen een database nodig, een paar datawetschappers en wat juristen.

Indexleveranciers en beurzen voeren op allerlei manieren de prijzen op, leert een rondvraag bij fondsbeheerders en mediabedrijven. Die laatste hebben evengoed koersdata en indexen nodig voor hun publicaties.

Een populaire manier om de factuur op te drijven is om voor steeds meer diensten en extra’s te laten betalen. ‘Indexleveranciers proberen op almaar meer zaken kosten in rekening te brengen. Als je berekeningen of analyses laat doen, loopt de teller. Een index op maat laten maken kost ook enkele extra basispunten’, getuigt de medewerker van de Europese groep.

De drie marktleiders rekenen typisch enkele basispunten (een honderdste van één procent) aan op het beheerde bedrag dat gelinkt is aan de index. 3 tot 5 basispunten is vrij courant, al hangt het af van de onderhandelingsmacht van de beheerder.

Niets ontgaat de indexleveranciers, zegt de Belgische beheerder. ‘Zodra ze merken dat je hun data hebt gebruikt - in een prospectus bijvoorbeeld - krijg je juristen over je heen met de vraag te betalen. Als je een index vermeldt in de resultaten die je naar je klanten opstuurt, moet je nog eens betalen.’

Niet meer gratis

Voor mediabedrijven is het ‘stilaan onbetaalbaar’ geworden, klinkt het. Voorbeelden van arbitraire prijsverhogingen zijn legio. De zogenaamde ‘after midnight’-koersen, die de grootste vertraging hebben en uren na het sluiten van de beurs getoond mogen worden, waren tot voor kort gratis voor de beurs van Milaan.

Niet langer: eigenaar LSE veranderde de licentieregels, zodat de prijs van ‘after midnight’ gelijk is aan die van de ‘uitgestelde’ koersen met een vertraging van typisch 15 minuten. Dat betekent een extra factuur van ruim 9.000 euro per jaar. Pér gebruikte webdomeinnaam, want de LSE besliste dat twee mediamerken binnen dezelfde groep elk apart moeten betalen.

Wie een historische grafiek van de Dow Jones-index wil tonen, moet intussen ook extra betalen, zelfs wie al een licentie heeft om de index te tonen. Voor historische Dow Jones-data, nodig om een grafiek te bouwen, geldt voortaan een extra licentie. Soms lukt het te onderhandelen, maar dat verloopt ‘heel stug’ en gaat gepaard met procedures en toegevingen, zoals gratis publiciteit voor een dataleverancier. De broker DeGiro besliste niet langer de Nasdaq100- of S&P500-index te publiceren, maar de USA Tech 100 en de USA 500. Andere naam, zelfde beestje. En veel goedkoper.

Toezichthouders

‘Beurzen lijken simpelweg monopoliewinsten te incasseren terwijl wij niet kunnen verifiëren of ze daadwerkelijk hoge kosten hebben’, concludeerde de Duitse vereniging van vermogensbeheerders BVI. Toezichthouders lijken tot dezelfde conclusie te zijn gekomen en vragen beurzen inzicht te geven in hun kosten. Beurzen mogen hun prijzen enkel optrekken als het om een ‘faire en redelijke’ verhoging gaat, besliste de Amerikaanse SEC.

Het blijft niet bij woorden, want de SEC blokkeerde eind 2018 een geplande prijsverhoging van NYSE en Nasdaq omdat ze niet konden aantonen dat hun kosten mee gestegen waren. De beurzen verdedigen zich met het argument dat de data-inkomsten hun gekrompen tradinginkomsten moeten helpen compenseren.

Voor een echte kentering is het wachten op disruptie, en die komt er volgens Morningstar aan. Althans aan de kant van de indexbouwers. ‘De enorme druk waaronder vermogensbeheerders staan, maakt disruptie onvermijdelijk. Zeker als de aandelenmarkten naar beneden gaan en de inkomsten verder onder druk komen’, voorspelt Lefkovitz.

Morningstar helpt de sector mee open te breken met zijn in 2016 gelanceerde ‘Open Indexes Project’, waarbij het een 125-tal marktindexen gratis ter beschikking stelt als benchmark. Wie er een beleggingsproduct aan wil koppelen, moet een ‘heel kleine’ vergoeding betalen. ‘Indexen moeten weer een publiek goed worden in plaats van big business’, stelt Lefkovitz. JPMorgan heeft enkele fondsen die een Morningstar-index schaduwen.

De beurswaakhond in de VS blokkeerde een prijsverhoging voor markt data omdat de NYSE en Nasdaq niet konden aantonen dat hun kosten mee gestegen waren.

Ook bij grote fondsbeheerders beweegt iets. Amundi ging in zee met Solactive voor de lancering van enkele spotgoedkope trackers. Solactive drukt de factuur door een vast bedrag per tracker aan te rekenen in plaats van met basispunten te werken. Eerder schakelde Vanguard over naar een goedkopere indexleverancier voor een deel van zijn fondsen, terwijl Fidelity met een eigen benchmark kwam om in 2018 een eerste volledig kosteloos fonds te lanceren.

Zogenaamd ‘zelf-indexeren’ moet de nieuwste nagel in de doodskist van de grote indexbouwers worden. Via zijn dochter Qontigo wil Deutsche Börse financiële partijen hun eigen index laten bouwen, waarna ze het onderhoud kunnen uitbesteden. BlackRock en State Street experimenteren al met zelf-indexeren.

Al kan de toezichthouder een struikelblok vormen, want die lijkt niet happig op een vermogensbeheerder of bank die een eigen index beheert en dus als scheidsrechter voor zichzelf optreedt. Zowel Morningstar als Solactive ziet daarin een potentieel belangenconflict.

Drempel

Pfeiffer gelooft dat zelf-indexering sowieso enkel weggelegd is voor een ‘datamonster’ als BlackRock. ‘Voor kleinere, Europese fondsbeheerders loont het de moeite niet.’ De noodzaak van een voldoende grote schaal werkt als een drempel, geloven ze ook bij de indexreus MSCI.

De Belgische fondsbeheerder vindt het jammer dat zijn sector er niet in slaagt op Europees niveau de handen in elkaar te slaan om een coöperatie op te richten voor de ontwikkeling van eigen indexen. ‘Er zou een minimale gratis toegang tot data moeten zijn, bijvoorbeeld voor de samenstelling van een index. Uiteindelijk is dat in het belang van de belegger. Als de kosten dalen, stijgt het rendement voor die belegger.’

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect