Duurzame fondsen staan voor examen

©Belgaimage

De bankenfederatie Febelfin werkt aan een duurzaamheidslabel. Wie zich duurzaam, maatschappelijk verantwoord of ethisch wil noemen, zal dat label moeten verdienen.

Europa wil dat een groter deel van het spaargeld richting duurzame beleggingen vloeit. Vandaag is dat nog zeer beperkt. In België ligt het marktaandeel van duurzame beleggingen tussen 5 en 10 procent, afhankelijk van de definitie.

‘Burgers die hun spaargeld willen beleggen, moeten de mogelijkheid krijgen te beleggen in portefeuilles die hun duurzame voorkeuren weerspiegelen’, klonk het in januari bij een expertengroep van de Europese Commissie. Zo wil Europa dat beleggingsadviseurs hun klanten vragen naar hun voorkeuren qua duurzaamheid, dat financiële producten transparanter worden over duurzaamheidseffecten en, last but not least, dat fondsen die zichzelf duurzaam noemen aan een minimumnorm voldoen.

De bankenfederatie Febelfin werkt aan zo’n minimumnorm voor financiële producten. Beleggingsfondsen vormen daarin een voorname groep. De fondsenfederatie Beama, die al sinds 2001 streeft naar een kwaliteitsstandaard, neemt actief deel aan de consultatieronde van Febelfin. De norm steunt op vijf pijlers.

1. Duurzaamheidsstrategieën

Wie zich duurzaam noemt, sluit niet-duurzame bedrijven uit en integreert ESG-factoren (ecologisch, sociaal & goed bestuur) in het beleggingsproces. Het is belangrijk dat alle factoren aanwezig zijn. Een ‘groen fonds’ dat zich uitsluitend richt op het milieu, is bijvoorbeeld onvoldoende. Daarenboven is er nog minstens één bijkomende strategie, bijvoorbeeld best-in-class (de duurzaamste bedrijven in een sector) of impactbeleggen.

2. Uitsluitingen

Wapens, tabak, steenkool en niet-conventionele olie en gas (teerzanden, schalie-olie) hebben geen plaats in een duurzaam fonds. Bedrijven die minstens 10 procent van hun omzet uit die activiteiten halen, zijn uitgesloten. Hetzelfde geldt voor bedrijven die het Global Compact van de VN overtreden (mensenrechten, ernstige milieuschade, grove corruptie...).

Duurzame fondsen hoeven klassieke olie- en gasproducenten niet uit te sluiten. Als ze dat wel doen, krijgen ze een tweede label ‘fossielvrij’. En wie dat niet doet, is verplicht een actief aandeelhouderschap - ‘engagement’ - te voeren. Het idee is dat beheerders oliebedrijven via dialoog kunnen begeleiden naar een tijdperk zonder fossiele brandstoffen.

3. Transparantie

Wie in een duurzaam product stapt, moet het beleid van de beheerder kennen over talrijke controversiële onderwerpen, van kernenergie tot de mijnsector, van palmolie tot houtpulp, van belastingontduiking tot buitensporige verloning.

4. Informatie

Beleggers moeten duurzame producten kunnen vergelijken. De informatie over het duurzame karakter van het product komt daarom in een gestandaardiseerd ‘Duurzaamheid ID’.

5. Toezicht

Een certificeringsagentschap controleert de naleving van de minimumnorm en kent het label toe.

Febelfin houdt een publieke consultatieronde over de minimumnorm voor duurzame producten. Iedereen mag tot 13 mei zijn bemerkingen geven op de website van Febelfin (www.febelfin.be).

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud