Netto Het antwoord op al uw geldvragen

Krijgt u een volwaardig pensioen?

Niet iedereen die met pensioen gaat, ontvangt een volledig pensioen. Omdat veel Belgen niet lang genoeg aan de slag blijven en omdat ze te weinig werken in de jaren dat ze wel een job hebben.

Ongeacht hoelang u gewerkt heeft, kunt u op uw 65ste met pensioen gaan. Dat is tot eind 2024 de wettelijke pensioenleeftijd. Vanaf 2025 wordt de wettelijke pensioenleeftijd opgetrokken tot 66 jaar. En in 2030 komt er nog een jaartje bij: vanaf 67 jaar.

Overleeft uw pensioen deze onzekere tijden?
  • Zo berekent u hoeveel u nodig hebt om rond te komen
  • Hoeveel jaar werken voor een volledig pensioen?
  • Hoe uw wettelijk pensioen aanvullen?
De Pensioengids, zaterdag 28 maart gratis bij De Tijd

Velen wachten echter niet tot de wettelijke pensioenleeftijd en kiezen voor een vervroegd pensioen. Dat kan vanaf uw 63ste na een carrière van 42 jaar, op 61 na een loopbaan van 43 jaar of op 60 jaar na een loopbaan van 44 jaar. Op mypension.be kunt u nagaan wat uw vroegste pensioendatum is. 

 

 

 

Een volledig pensioen is er pas na 45 jaar werken

Behalve het moment waarop u kunt stoppen met werken, hangt ook het pensioenbedrag dat u tijdens uw pensioen zal ontvangen, af van hoeveel jaren u aan de slag was. In ons land bedraagt de gemiddelde loopbaanlengte (inclusief gelijkgestelde periodes) voor mannen 42 jaar en voor vrouwen 36,6 jaar.

Maar alleen een loopbaan van 45 jaar (45 jaren x 312 dagen of 14.040 voltijdse dagequivalenten in het jargon van de pensioendiensten) levert een volledig pensioen op. Wie bijvoorbeeld 42 jaar heeft gewerkt, ziet zijn pensioenbedrag proportioneel berekend worden. Met andere woorden: hij of zij ontvangt 42/45ste van het bedrag dat hij gekregen zou hebben als hij wél 45 jaar aan de slag zou zijn geweest.

Niet iedereen zal op zijn 65ste een loopbaan van 45 jaar neergezet hebben. Wie bijvoorbeeld tot zijn 22ste studeert, raakt maximaal aan 43 loopbaanjaren op de huidige pensioenleeftijd van 65 jaar. Als uw baas daarmee akkoord gaat, bent u echter niet verplicht om op de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar met pensioen te gaan. Wie studeerde tot 22 en doorwerkt tot zijn 67, kan zo wel aan een loopbaan van 45 jaar raken en zal vanaf dan een volledig pensioen ontvangen.

Langer werken loont

Omgekeerd zijn er ook mensen die heel vroeg zijn beginnen te werken, bijvoorbeeld op hun 18de. Ook al hadden zij op hun 65ste een loopbaan van 47 jaar achter de rug, toch werden de loopbaanjaren voor de pensioenberekening vanwege het principe van ‘eenheid van loopbaan’ tot voor kort afgetopt op 45 jaar. De twee jaar extra op de werkvloer leverden dus geen extra pensioen op.

Dat heeft de vorige regering, onder leiding van Charles Michel (MR), veranderd: tegenwoordig wordt voor wie na een loopbaan van 45 jaar blijft doorwerken, wel rekening gehouden met alle gewerkte jaren. Dus krijgt wie op zijn 18de aan de slag is gegaan vanaf zijn 65ste een pensioen van 47/45ste.

Een op het eerst gezicht gunstige ingreep in de pensioenberekening. Maar er is een kanttekening. De eenheid van loopbaan is alleen afgeschaft voor wie effectief aan de slag was tot de dag dat hij met pensioen ging. Voor wie zijn loopbaan eindigt als bruggepensioneerde of werkloze, wordt het pensioen voortaan berekend op basis van de eerste 45 jaren van de loopbaan. Dat zijn meestal de jaren waarin het minst verdiend wordt, wat een negatieve impact heeft op het pensioenbedrag. Want vroeger werd de carrière weliswaar ook afgetopt op 45 loopbaanjaren, maar werden wel de 45 ‘beste’ jaren in rekening gebracht, namelijk de jaren waarin hij of zij het meest verdiende.

Niet werken slaat een gat in uw pensioen

 

 

Een pensioen als werknemer wordt opgebouwd per kalenderjaar. Voor elk jaar dat u hebt gewerkt, wordt een pensioendeel berekend dat afhangt van het jaarloon dat u in dat jaar kreeg. Aan het eind van uw loopbaan worden die pensioendelen samengeteld. Het resultaat van die optelsom is gelijk aan het jaarlijkse brutopensioen.

Gaten in uw loopbaan vertalen zich door die berekeningswijze onverbiddelijk in een lager wettelijk pensioen. ‘Uw pensioen zal ook pas later kunnen ingaan wegens onvoldoende loopbaan voor vervroeging’, vult Pieter Stallaert van de Federale Pensioendienst aan. Daardoor zal iemand die er zelf voor kiest niet te werken, geen pensioenrechten opbouwen in de jaren dat hij of zij niet werkt.

Ook wie deeltijds werkt, zal nooit evenveel pensioen ontvangen als zijn voltijdse collega. Deeltijds werken heeft ook gevolgen voor de leeftijd waarop u met pensioen kunt gaan. Want een gewerkt jaar telt maar mee als u minstens een derde ervan aan de slag was als werknemer. Voor zelfstandigen telt een jaar maar mee als er voor minstens 2 kwartalen pensioenvormende bijdragen werden betaald.

Wist u dat?
  • De zogenaamde ‘gelijkgestelde periodes’ (periodes waarin iemand niet werkt, maar die voor de pensioenberekening wel meetellen alsof hij of zij wel aan de slag was) zijn allesbehalve marginaal in België. Bij mannen bestaat 30 procent van hun carrière uit gelijkgestelde periodes, bij vrouwen is dat zelfs 37 procent.
  • Voor wie blijft doorwerken na een loopbaan van 45 jaar, wordt rekening gehouden met alle gewerkte jaren. Wie op zijn 18de begint te werken, krijgt vanaf zijn 65ste dus een pensioen van 47/45ste.

 

 

 

Pech leidt niet tot een lager pensioen

Niet werken is echter niet altijd een persoonlijke keuze. Denk aan iemand die de pech heeft om ziek of ontslagen te worden. Of iemand die zijn carrière op een laag pitje of zelfs tijdelijk volledig on hold zet om gezinstaken op zich te nemen (waardoor eventueel de partner wel volop voor zijn carrière kan gaan) of om te zorgen voor een ziek familielid.

Om mensen te beschermen tegen dergelijke ‘sociale risico’s’ is in de pensioenberekening het concept ‘gelijkgestelde periodes’ ingevoerd. Dat zijn periodes waarin iemand niet werkt, maar die voor de pensioenberekening wel volledig of beperkt meetellen alsof hij of zij wel aan de slag was en sociale bijdragen heeft betaald. Zodat ‘pech’ niet nog eens afgestraft wordt met een lager pensioen. Een gelijkgestelde periode kost u in principe niets. De staat betaalt al die tijd in uw plaats pensioenbijdragen.

Die zogenaamde gelijkgestelde periodes zijn allesbehalve marginaal, zo blijkt uit een studie van het Planbureau uit 2016 op vraag van de toenmalige minister van Pensioenen. Bij mannen bestaat 30 procent van hun carrière uit gelijkgestelde periodes, bij vrouwen is dat 37 procent. De meest gebruikte gelijkgestelde periodes bij werknemers zijn werkloosheid en werkloosheid met bedrijfstoeslag

Wie (langdurig) ziek of zwanger is, krijgt een pensioengelijkschakeling op basis van zijn laatste werkelijk verdiende loon.

Tot 2012 telde werkloosheid eveneens onbeperkt mee in de tijd voor het latere pensioen op basis van het laatste loon dat de ontslagen werknemer werkelijk verdiende. Maar tegenwoordig wordt het principe van ‘loon naar werken’ gepredikt. Daarom worden de pensioenrechten vandaag voor iedereen – behalve vijftigplussers die meer dan een jaar werkloos zijn – berekend op een fictief loon van maximaal 25.833 euro. Wie meer verdiende, zal dus wel minder pensioen krijgen als hij langdurig werkloos wordt.

Ook de gelijkschakeling van het brugpensioen - dat ook al minder toegankelijk en minder aantrekkelijk werd gemaakt - is in een aantal gevallen al teruggeschroefd tot het fictieve begrensde loon.

Aan het einde van de loopbaan minder werken met behoud van pensioenrechten kan tegenwoordig ook pas vanaf 60 jaar in plaats van 55 jaar zoals vroeger. Ook tijdskrediet zonder motief, bijvoorbeeld om een wereldreis van drie maanden te maken, levert geen pensioenrechten meer op.

Bij zelfstandigen blijven de gelijkgestelde periodes beperkt tot respectievelijk 3 procent van de loopbaan bij mannen en 5 procent bij vrouwen. De meest gebruikte gelijkgestelde periodes door zelfstandigen zijn ziekte en invaliditeit, waaronder ook zwangerschapsverlof valt. Dat lagere percentage is vooral te verklaren doordat bij zelfstandigen alleen legerdienst, zwangerschap en ziekte en invaliditeit kosteloos gelijkgesteld worden voor het pensioen, op voorwaarde dat uw ziekenfonds u tijdens die periode arbeidsongeschikt verklaart.

25.833
euro
Wie meer dan 25.833 euro verdiende en daarna langdurig werkloos wordt, krijgt minder pensioen

Bovendien kan een zelfstandige die stopt met werken voor hij met pensioen kan gaan, opteren voor de ‘voortgezette verzekering’. Dat houdt in dat hij vrijwillig gedurende maximaal twee jaar sociale bijdragen blijft betalen. Is de zelfstandige na die twee jaar ouder dan 59, dan kan hij die periode zelfs met nog eens vijf jaar verlengen om de periode tot aan de wettelijke pensioenleeftijd te overbruggen. De bijdragen voor die voortgezette verzekering zijn vergelijkbaar met de bijdragen die de zelfstandige betaalde vóór zijn stopzetting. Een nadeel is natuurlijk dat hij die bijdragen moet blijven ophoesten terwijl hij geen beroepsinkomen meer heeft.

Niet werken en toch pensioen opbouwen?

Het kan. Voor werknemers en ambtenaren gelden ook tijdskrediet, thematische verloven en loopbaanonderbreking onder bepaalde voorwaarden als gelijkgestelde perioden. Wie daarvoor kiest, speelt geen pensioenrechten kwijt op voorwaarde dat hij tijdens zijn tijdskrediet een uitkering ontvangt van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA). Heeft u geen recht op een uitkering, dan bouwt u ook geen pensioenrechten op.

Een extra pensioen opbouwen doet u niet door te kiezen voor die gelijkgestelde periode als u minder wilt werken. Maar u kunt wel heel wat verliezen door er geen rekening mee te houden. Wie deeltijds werkt, bouwt namelijk minder pensioenrechten op. Maar wie tijdelijk niet of minder werkt via tijdskrediet, een thematisch verlof of loopbaanonderbreking en een premie van de RVA krijgt, behoudt zijn pensioenrechten op basis van zijn laatst verdiende loon.

Niet iedereen komt in aanmerking voor een minimumpensioen

Blijkt bij de berekening dat het pensioen dat u krijgt op basis van uw loopbaan lager ligt dan het minimumpensioen, dan wordt dat in bepaalde gevallen opgetrokken tot dat minimum. Voor werknemers en zelfstandigen bedraagt het minimumpensioen sinds maart 2020 1.291,69 euro (1.614,10 euro voor een gezinspensioen) en 1.392,95 euro voor een ambtenaar (1.741,15 euro voor een gehuwde ambtenaar). Ook dat bedrag is alleen weggelegd voor wie een loopbaan van 45 jaar presteerde. Was uw carrière korter, dan wordt uw minimumpensioen berekend in verhouding tot het aantal jaar dat u aan de slag was.

Overigens komt niet iedereen in aanmerking voor het minimumpensioen. Daarvoor is 30 jaar in eenzelfde stelsel vereist. Het maakt niet uit of het gaat om werkelijk gewerkte dagen dan wel om gelijkgestelde periodes, zoals werkloosheid. Een werknemer die na tien jaar ontslagen wordt en vervolgens 21 jaar werkloos is, heeft dus recht op het minimumpensioen. Maar een werknemer of zelfstandige die 29 jaar effectief gewerkt heeft, grijpt naast het recht op het minimumpensioen. 

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud