Netto Het antwoord op al uw geldvragen
Advertentie

Ook hogere lonen krijgen hoger wettelijk pensioen

Samen met de verhoging van de minimumpensioenen voert de regering de komende jaren ook een verhoging van het loonplafond in. Dat leidt tot een hoger wettelijk pensioen voor wie meer verdient, al is de impact beperkt en vervult het plafond vooral een solidariteitsrol.
Advertentie
©ANP XTRA

Het is wachten tot december voor de regering- De Croo opnieuw de draad opneemt van de pensioenhervormingen die minister van Pensioenen Karine Lalieux (PS) in september op tafel legde. In de tussentijd zijn twee maatregelen al in voege, een verhoging van de minimumpensioenen en een verhoging van het loonplafond. Het loonplafond begrenst de stijging van de wettelijke pensioenen naarmate iemand meer verdient.

De regering-De Croo besliste dat het minimumpensioen tegen 1 januari 2024 geleidelijk wordt opgetrokken tot 1.585 euro bruto (1.979 euro per maand voor een gezinspensioen). Er is wel nog geen consensus over wie recht heeft op dat minimumpensioen. Vandaag is dat weggelegd voor wie minstens 30 loopbaanjaren op de teller heeft. Onder die loopbaanjaren vallen ook de gelijkgestelde periodes, zoals ziekte en werkloosheid. Alleen wie 45 jaar werkte - inclusief gelijkgestelde periodes - en wie dat voltijds deed, zal recht hebben op het volledige bedrag. Bij alle anderen die recht hebben op het minimumpensioen wordt het proportioneel berekend volgens tewerkstelling.

Wie meer verdient dan het loonplafond, betaalt hogere sociale- zekerheidsbijdragen zonder dat daar bijkomende rechten tegenover staan.

Daarnaast verhoogt de regering de komende vier jaar het loonplafond, wat vooral een impact heeft op de hogere inkomens. Het loonplafond wordt gebruikt voor de berekening van het wettelijk pensioen. Per loopbaanjaar bouwt een werknemer een deel van het wettelijk pensioen op. Daarvoor wordt het brutoloon als basis gebruikt. Hoe hoger dat loon, hoe meer wettelijk pensioen wordt opgebouwd. Maar die relatie wordt volledig verbroken op het moment dat het brutoloon een bepaald plafond bereikt. Vanaf dat loonplafond resulteert een hoger loon niet meer in een hoger wettelijk pensioen.

In 2020 lag het loonplafond op een brutojaarloon van 60.027 euro. Rekening houdend met een dertiende maand en vakantiegeld komt dat neer op een brutomaandloon van 4.617 euro. Het Koninklijk Besluit voorziet in vier opeenvolgende verhogingen van het plafond, in 2021, 2022, 2023 en 2024. Op die manier zal het plafond tegen 2024 met 12,06 procent gestegen zijn, exclusief indexaanpassingen.

Maar wat betekent die verhoging concreet? De Federale Pensioendienst becijferde de impact voor een werknemer die zijn loopbaan in 2000 begon en meer dan het loonplafond verdient. In het scenario waarin het loonplafond de komende 25 jaar op 60.026,75 euro zou blijven - dus zonder rekening te houden met indexeringen en welvaartsaanpassingen - zou die werknemer vanaf de wettelijke pensioenleeftijd maandelijks een brutopensioen van 2.775 euro krijgen. In het nieuwe scenario, waarin het plafond tot 2024 wordt verhoogd, loopt dat brutopensioen op tot 2.956 euro, 181 euro per maand extra.

Let wel, dat is een brutobedrag. De marginale belastingdruk op dat inkomen loopt al snel op tot 50 procent, wat betekent dat de gepensioneerde mogelijk minder dan de helft van de toename overhoudt. Ook belangrijk is dat de verhoging alleen geldt als de werknemer een voltijdse job met een loon boven het plafond kan behouden tot de pensioenleeftijd.

Impact gelijk

De verhoging van het loonplafond heeft alleen een impact op de lonen boven dat plafond. Voor lagere inkomens resulteert het hogere plafond niet in een hoger wettelijk pensioen. Het extra voordeel is ook hetzelfde voor alle werknemers met een loon boven dat plafond.

Dat blijkt uit het rekenvoorbeeld. Daarin tonen we het deel van het wettelijk pensioen dat iemand opbouwt door 25 jaar te werken aan een bepaald loon. We bekijken slechts 25 jaar omdat werknemers hun loopbaan doorgaans beginnen met een lager loon. De hogere lonen worden pas in het latere deel van de loopbaan verdiend.

We vergelijken een werknemer met een brutojaarloon van 45.000 euro met werknemers die tijdens de laatste 25 jaar van hun loopbaan hogere lonen hebben. We houden geen rekening met indexeringen en welvaartsaanpassingen.

Uit de tabel blijkt dat de toename van het wettelijk pensioen door het hogere plafond identiek is voor iemand die 75.000 euro per jaar verdient als voor iemand die 150.000 euro verdient. Het deel van het wettelijk pensioen, opgebouwd tijdens die 25 jaar, stijgt van 1.692 naar 1.873 euro. Het wettelijk pensioen van iemand met een brutojaarloon van 45.000 euro, wat onder het plafond ligt, stijgt niet door het hogere plafond.

Solidariteit

Met de verhoging van het pensioenplafond wordt niet geraakt aan de solidariteitsfunctie ervan. Zeker in het debat over het aanvullend pensioen, dat via de werkgever wordt opgebouwd, is solidariteit een hekel discussiepunt geworden. Minister van Pensioenen Lalieux verwees onlangs naar een studie van het Rekenhof waaruit bleek dat één vijfde van de uitbetaalde aanvullende pensioenen terechtkomt bij slechts 1 procent van de gepensioneerden. ‘Die situatie is onaanvaardbaar, zeker als je rekening houdt met wat de overheid in het systeem investeert’, reageerde Lalieux op de studie.

Het Planbureau becijferde dat het fiscaal voordeel van de aanvullende pensioenen de staat jaarlijks 3,5 miljard euro kost. Al gaf het Planbureau aan dat dat een overschatting is als loon en aanvullend pensioen gelijk belast zouden worden. In dat geval zouden werkgevers wellicht minder storten in dat aanvullend pensioen. De werkelijke kostprijs bedraagt daarom 2,8 miljard euro volgens het Planbureau.

Het fiscaal voordeel van aanvullende pensioenen kan niet los gezien worden van het loonplafond bij het wettelijk pensioen. Daarin zit al heel veel solidariteit.
Pieter Gillemon
Pensioenspecialist PwC

Het fiscaal voordeel van een aanvullend pensioen valt niet te ontkennen. ‘Een storting van 100 euro in een aanvullend pensioen levert de schatkist 35,49 euro aan (para)fiscale inkomsten op. Als de werkgever beslist de 100 euro niet als aanvullend pensioen, maar als extra loon te geven, dan levert dat de schatkist 85,2 euro aan parafiscale inkomsten op: 38,69 euro RSZ-bijdragen en 46,51 euro aan belastingen’, zegt Pieter Gillemon, pensioenspecialist bij PwC.

Het fiscaal voordeel voor aanvullende pensioenen is groter voor wie meer verdient. Omdat de premies in het aanvullend pensioen bij de meeste werkgevers als een percentage van het loon worden uitgedrukt, genieten hogere lonen van hogere premies in het aanvullend pensioen. Bovendien ligt het percentage bij hogere lonen ook vaak hoger. De overheid streeft naar een bijdrage van 3 procent van het loon. Voor een pak werknemers ligt dat vandaag veel lager, maar voor hogere lonen zijn premies die 8 procent van het loon uitmaken geen uitzondering. De redenering dat hogere lonen meer profiteren van het fiscaal voordeel is dan ook terecht.

Alleen mag dat voordeel volgens Gillemon niet los gezien worden van de solidariteit die in het wettelijk pensioen zit ingebakken. ‘Wie het fiscaal voordeel van de aanvullende pensioenen in kaart brengt, moet ook het wettelijk pensioen bij die oefening betrekken. Daarin zit door het loonplafond al heel wat solidariteit verwerkt’, zegt hij.

Duidelijk verband

De tabel hierboven verduidelijkt dat. Hoe hoger het loon, hoe hoger de socialezekerheidsbijdragen die werknemers betalen. Als we ervan uitgaan dat die dienen om het wettelijk pensioen te bekostigen, dan is er voor lonen tot het loonplafond een duidelijk financieringsverband. ‘Maar wie meer verdient dan het loonplafond, betaalt extra socialezekerheidsbijdragen zonder dat daar bijkomende rechten of een hoger wettelijk pensioen tegenover staan. Iemand die de laatste 25 jaar van zijn loopbaan 75.000 euro per jaar verdient, betaalt in die periode 103.740 euro aan socialezekerheidsbijdragen meer dan wie net het loonplafond verdient. Tegenover die extra bijdragen staat geen extra wettelijk pensioen’, zegt Dominique Vanhove, pensioenspecialist bij PwC.

Die extra bijdragen zetten we nu af tegen het extra fiscaal voordeel van de hogere lonen op hun aanvullend pensioen. Daarbij gaan we ervan uit dat de premies in het aanvullend pensioen procentueel hoger liggen voor hogere lonen. Voor werknemers met een loon dat niet hoger is dan het loonplafond wordt ervan uitgegaan dat 3 procent van het loon gestort wordt in het aanvullend pensioen. Voor het loon van 75.000 euro wordt gerekend met een premie van 4 procent, voor een loon van 100.000 euro gaan we uit van 6 procent en voor een loon van 150.000 euro nemen we een premie van 8 procent van het loon.

Uit het cijferwerk blijkt dat het fiscaal voordeel voor een werknemer met een loon van 75.000 euro 11.882 euro hoger ligt dan voor een werknemer met een loon dat gelijk is aan het loonplafond. Voor een werknemer met een loon van 150.000 euro is dat 111.662 euro.

Zetten we dat extra fiscaal voordeel af tegen de extra betaalde socialezekerheidsbijdragen, dan wordt duidelijk dat de extra voordelen niet opwegen tegen de extra betaalde socialezekerheidsbijdragen. Hoe hoger het loon, hoe groter de solidariteit. Een werknemer met een loon van 150.000 euro en substantiële premiestortingen in het aanvullend pensioen zal over die 25 jaar netto 717.515 euro extra solidariteit bijgedragen hebben vergeleken met iemand die exact het loonplafond verdient.

Uiteraard zijn de berekeningen exemplarisch, en zullen ze van situatie tot situatie verschillen. ‘Maar het is duidelijk dat de discussie over het aanvullend pensioen niet losgekoppeld mag worden van het wettelijk pensioen’, zegt Gillemon.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud