Netto Het antwoord op al uw geldvragen

De meest gestelde vragen over uw belastingaangifte

De lezers van De Tijd konden hun belasting- vragen voorleggen aan de specialisten van PwC. Donderdag kregen ze een expert aan de lijn met een persoonlijk antwoord. Een overzicht van de vaakst voorkomende problemen.

Woonfiscaliteit

Mijn partner en ik sloten in 2000 een hypothecaire lening af, die in maart 2020 is afgelopen. In mei 2019 deden we een heropname voor verbouwingswerken. Daarvoor begonnen we vanaf september 2019 af te betalen. Het gaat om een eerste opname van ongeveer 30 procent, het overige bedrag van 70 procent nemen we in juni 2020 op. Kunnen we onze oude hypothecaire lening nog voor het inkomstenjaar 2019 aangeven? Of is het pas in 2020 mogelijk de heropname in te brengen?


Een heropname voor verbouwingswerken wordt fiscaal gezien als een heropname van de bestaande hypothecaire lening. Een heropname wordt als een nieuwe lening beschouwd en moet aan de voorwaarden voor het belastingvoordeel voldoen. Doorgaans wordt bij een heropname geen authentieke hypothecaire leningsakte bij de notaris verleden. De datum van de aanvaarding van het kredietaanbod telt dan als datum van de lening. Wordt wel een nieuwe leningsakte gemaakt, dan telt de datum waarop u tekent bij de notaris. Voor de oorspronkelijke lening met het resterende saldo blijft de oorspronkelijke startdatum behouden.

U hebt voor het inkomstenjaar 2019 (aanslagjaar 2020) twee leningen: de oude lening van 2000 en de heropname in 2019. Het is niet mogelijk een belastingvermindering voor beide leningen te krijgen. U moet kiezen tussen de Vlaamse belastingvermindering voor het bouwsparen voor de oude lening (code 3355/4355 en 3100 in vak IX van uw aangifte) of de geïntegreerde woonbonus voor de heropname (codes 3334/4334 en volgende).
Als u kiest voor de belastingvermindering voor het bouwsparen, is uw belastingvoordeel dit jaar groter dan als u kiest voor de geïntegreerde woonbonus. Omdat de lening in 2019 is heropgenomen, heeft dat contract 2019 als datum. U kunt er volgend jaar voor kiezen de oude lening te laten vallen en vanaf dan voor de geïntegreerde woonbonus te kiezen.

Tweede verblijf

Tot 5 november 2019 had ik mijn hoofdverblijfplaats in Bredene. Het kadastraal inkomen van dat huis bedraagt 750 euro. Nadat ik verhuisd ben naar een huurappartement in Antwerpen is het huis in Bredene mijn tweede verblijf geworden. Welk kadastraal inkomen moet in de aangifte?

Uw eigen woning - waar u effectief woont - is altijd vrijgesteld van personenbelasting. U moet dat vastgoed niet aangeven in vak III van uw belastingaangifte. In tegenstelling tot een tweede verblijf: daarvan moet u het niet-geïndexeerde kadastraal inkomen aangeven. Het belastbaar inkomen is dan het geïndexeerde kadastraal inkomen verhoogd met 40 procent.

Als u maar een deel van het jaar een tweede verblijf hebt, moet u het aan te geven kadastraal inkomen prorateren op dagbasis. In uw geval is het huis in Bredene niet meer uw eigen woning vanaf 6 november tot 31 december 2019, maar wel een tweede verblijf. U moet het niet-geïndexeerd kadastraal inkomen prorateren volgens de periode dat het uw tweede verblijf was: 750 euro x (25 + 31 = 56 dagen)/365 = 115,07 euro. Dat bedrag geeft u aan bij de code 1106/2106 in vak III.

Werkelijke beroepskosten

Als werknemer zou ik voor het eerst opteren voor het aangeven van werkelijke beroepskosten. Ik huur een tweede verblijf dicht bij mijn werk, omdat ik gedomicilieerd ben in Oost-Vlaanderen maar in Brussel werk. Ik heb onregelmatige uren, vaak tot na middernacht, waardoor dat tweede verblijf noodzakelijk is. Daarnaast volgde ik een bijkomende opleiding. Waar moet ik op letten? 

Werknemers hebben inderdaad de keuze tussen forfaitaire of werkelijke beroepskosten. Beroepskosten kunnen volgens de algemene principes maar fiscaal afgetrokken worden als u ze maakte tijdens het belastbare tijdperk (voor deze aangifte in 2019) om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. De echtheid en het bedrag moet u kunnen verantwoorden met bewijsstukken. Hou er rekening mee dat u geen aanspraak maakt op het wettelijk forfait als u werkelijke beroepskosten bewijst.

De verblijfkosten van een tweede woning zijn in principe een privé-uitgave en zijn niet fiscaal aftrekbaar. Maar een tweede woning kopen of huren om dichter bij uw plaats van tewerkstelling te verblijven kan in twee gevallen toch als werkelijke beroepskosten aanvaard worden. Een eerste is als de verhuizing verplicht is door de werkgever, bijvoorbeeld omdat u binnen een aantal minuten op het werk moet kunnen zijn als u wordt opgeroepen. Een andere reden is om een abnormaal lange of ongewoon moeilijke pendel te vermijden. Bovendien moet de eerste woning de hoofdverblijfplaats blijven van de werknemer. U mag uw eerste woonst dus niet verhuren. In de praktijk ontstaat over een tweede verblijf als beroepskosten vaak discussie met de belastingadministratie.

De kosten van een tweede verblijf die u kunt inbrengen als werkelijke beroepskost zijn onder andere de huurprijs, eventuele onderhoudskosten en kosten voor inboedel (eventueel af te schrijven). De kosten voor gas, water en elektriciteit die u maakt in de ene woning maar bespaart in de andere mogen in principe niet afgetrokken worden.

Hou er rekening mee dat in sommige huurovereenkomsten expliciet wordt bepaald dat de huurder het pand als zijn hoofdverblijf gebruikt. In dat geval kunt u tegenover de fiscus niet beweren dat die woning uw tweede verblijfplaats is. Daarnaast moet de huurovereenkomst een professioneel gebruik toelaten. U voegt bij uw belastingaangifte het best een kopie van de geregistreerde huurovereenkomst en een overzicht van de werkelijk betaalde huur.
Als u besluit een tweede woning te kopen, dan gelden in principe dezelfde regels. Maar in de rechtspraak en in diverse rulings wordt slechts een beperkte aftrek toegestaan: beperkt tot de huurlasten voor een gelijkaardig appartement of gelijkaardige woning.

Uw eigen woning is vrijgesteld van personenbelasting, maar van een tweede verblijf moet u altijd het niet-geïndexeerde kadastraal inkomen aangeven.

Bijkomend kunt u de wekelijkse vervoerskosten tussen uw hoofdverblijf en uw tweede verblijf, net als de dagelijkse verplaatsingskosten tussen uw tweede verblijf en uw plaats van tewerkstelling, als beroepskosten inbrengen. Als u die verplaatsingen met uw eigen auto aflegt, is dat een forfait van 0,15 euro per afgelegde kilometer zonder enige beperking op de afstand. Leende u voor de aankoop van uw auto, dan kunt u ook de betaalde intresten inbrengen. Ook als u met een bedrijfswagen rijdt, kunt u 15 cent per afgelegde kilometer inbrengen, zij het beperkt tot maximaal het belastbare voordeel van alle aard van de bedrijfswagen. Zodra u uw werkelijke beroepskosten bewijst, kunt u geen aanspraak meer maken op de forfaitaire vrijstelling van uw woon-werkverkeer ten belope van 410 euro (inkomstenjaar 2019).
Een bijkomende opleiding kunt u alleen inbrengen als er een link is met uw huidige beroepsactiviteit. Volgde u een opleiding om een carrièreswitch te maken, dan zal de fiscus die kosten verwerpen.

Om uw werkelijke beroepskosten in kaart te brengen, kunt u de rekenmodule gebruiken op www.netto.be/beroepskosten. U kunt er ook een document afdrukken dat u bij uw aangifte kunt voegen.

Kinderen ten laste

Wij hebben twee dochters. Op 1 september vorig jaar is de oudste alleen gaan wonen. Op het vooraf ingevulde belastingformulier dat we van de fiscus kregen, staat maar één kind ten laste voor 2019. Hoe en bij welke code kunnen we dat rechtzetten?

Kinderen kunt u maar fiscaal ten laste nemen als aan alle voorwaarden is voldaan. Een eerste is dat uw kind op 1 januari 2020 deel uitmaakt van uw gezin. Dat betekent dat uw dochter op die datum daadwerkelijk en op een duurzame wijze met u samenwoont. Omdat uw dochter al op 1 september 2019 is verhuisd, woonde ze op nieuwjaarsdag niet meer bij u. De fiscus heeft dus geen fout gemaakt: u hebt voor het inkomstenjaar inderdaad maar één kind ten laste. 

Daarnaast zijn er drie andere voorwaarden opdat een kind fiscaal ten laste genomen kan worden. Een vaak voorkomend struikelblok zijn de inkomsten van uw kind. De nettobestaansmiddelen mogen een bepaald plafond niet overschrijden. Het toegelaten maximumbedrag hangt af van de persoonlijke situatie. Voor gehuwde en wettelijk samenwonende ouders die samen een belastingaangifte invullen, is dat voor het aanslagjaar 2020 een nettobedrag van 3.330 euro (6.942,50 brutoinkomsten uit een (studenten)job). Als u alleenstaande bent of feitelijk samenwoont en uw kind wordt fiscaal niet als gehandicapt beschouwd, is dat 4.810 euro (8.792,50 bruto). Wordt u alleen belast en wordt uw kind fiscaal als gehandicapt beschouwd, dan is dat 6.110 euro (10.417,50 bruto euro).

Voorts mag uw kind geen bezoldigingen hebben ontvangen die u inbrengt als beroepskosten. Ten slotte zijn er voorwaarden als uw kind het statuut van student-zelfstandige heeft. Het mag dan maar beperkt bedrijfsleidersbezoldigingen hebben die een vennootschap waarvan u bedrijfsleider bent en waarover u controle uitoefent als beroepskosten inbrengt. De ontvangen bezoldiging mag niet meer dan 2.000 euro bruto bedragen en niet meer dan de helft van de belastbare inkomsten (zonder rekening te houden met onderhoudsuitkeringen) vormen van de student-zelfstandige.

Dividenden

Via mijn werkgever kon ik in een aandelenplan stappen. Het plan loopt vijf jaar en jaarlijks wordt een dividend uitgekeerd. Omdat het aandelenplan via een Franse rekening loopt, worden geen bronbelastingen en geen roerende voorheffing ingehouden. Moet ik die dividenden aangeven of zijn ze vrijgesteld?

Voor het inkomstenjaar 2019 (aanslagjaar 2020) is 800 euro aan welbepaalde dividenden vrijgesteld van Belgische roerende voorheffing. De vrijstelling geldt voor zowel Belgische als buitenlandse dividenden.

Werd op een buitenlands dividend geen roerende voorheffing ingehouden, dan moet u dat niet aangeven zolang het ontvangen bedrag onder de vrijstellingsgrens van 800 euro blijft en u niet voor andere dividenden een vrijstelling vraagt. Int u meer dan 800 euro buitenlandse dividenden, dan moet u het surplus aangeven vak VII bij de code 1444/2444. U mag dan geen vrijstelling van de dividenden vragen bij de code 1437/2437.
Als u bijvoorbeeld 1.000 euro dividend ontvangt uit Frankrijk en daarnaast geen andere dividenden int, dan geeft u 200 euro aan bij de code 1444/2444. Daarop zult u het normale tarief van 30 procent roerende voorheffing betalen.

Alles wat u moet weten om uw belastingaangifte 2020 in te vullen

Heeft u hulp nodig bij het invullen van uw belastingaangifte? Check dan onze Belastinggids online op https://www.tijd.be/netto/belastingen/aangifte2020.html

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud