Taxshift werkt, maar arbeid blijft duur

In België blijft het verschil ondanks de tashift tussen bruto- en nettoloon groot. ©Photo News

Dankzij de taxshift zijn de laagste lonen in België sinds 2015 met 20 procent gestegen. Toch knabbelen sociale zekerheid en belastingen nog altijd meer dan in veel andere Europese landen aan ons brutoloon.

Voor jaarinkomens tussen 25.000 en 125.000 euro zijn de werkgeverskosten in België dit jaar lichtjes afgenomen. Dat blijkt uit de salarisenquête die de consultancygroep Deloitte voor het negende jaar op rij publiceert. In 2015 stond België in de rangschikking van duurste landen nog op de tweede plaats. Dit jaar is ons land teruggevallen van de vijfde naar de zesde plaats, maar we zitten nog altijd bij de koplopers van de 19 landen die de enquête onder de loep nam.

Bekijk alle scenario’s van de enquête online

Deloitte werkt in zijn salarisonderzoek altijd meerdere scenario’s uit. Daarbij worden verschillende salarisniveaus (25.000, 50.000, 75.000, 125.000 en 250.000 euro) gecombineerd met diverse gezinssituaties: gehuwde tweeverdiener met twee kinderen ten laste, gehuwde eenverdiener met twee kinderen ten laste, een alleenstaande zonder kinderen ten laste en een alleenstaande met twee kinderen ten laste. In onze online tool kunt u zien hoeveel werknemers uit de onderzochte Europese landen in elk van die situaties netto van hun brutoloon overhouden. Ook is het mogelijk een vergelijking te maken voor het netto besteedbaar inkomen. Uit de scenario’s blijkt dat het grootste belastingvoordeel in België is weggelegd voor werknemers van wie de partner niet werkt en die kinderen ten laste hebben.

Bekijk alle scenario’s op www.netto.be/salaris

Net zoals vorig jaar vinden we Frankrijk, Zweden, Italië en Slovakije bovenaan in de top vijf van duurste landen voor werkgeverskosten. Nieuwkomer in de top vijf is Tsjechië. De laagste werkgeverskosten vinden we in Zwitserland, Malta en Denemarken.

De taxshift werkt

De licht verbeterde positie van ons land is te danken aan de taxshift die België in 2016 doorvoerde. De verschuiving van belastingen van arbeid naar vermogen heeft als onderliggend doel de koopkracht van de werknemers en de concurrentiekracht van de bedrijven aan te zwengelen. De federale regering heeft zich tot doel gesteld de werkgeverskosten in verschillende stappen naar 25 procent te brengen. Sinds 2015 daalde de gemiddelde werkgeversbijdrage voor de sociale zekerheid al van 34 naar 27,36 procent.

Als we de resultaten van de Deloitte-enquête per inkomenscategorie uitsplitsen, duikt België voor de werkgeverskosten toch weer op in de top vijf van duurste landen voor de inkomenscategorieën van 125.000 tot 250.000 euro. Voor de hoogste categorie neemt België zelfs de derde plaats in na Frankrijk en Zweden. ‘Maar voor die hoogste inkomenscategorie verwachten we in België eerder dat met een zelfstandigenstatuut wordt gewerkt’, stelt Patrick Derthoo, Taks Partner bij Deloitte België.

De taxshift heeft dan wel een positief effect, België blijft toch met een fundamenteel probleem zitten. In ons land zijn de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid onbegrensd, in tegenstelling tot in heel wat andere Europese landen. ‘Een belangrijke conclusie is dat landen met onbegrensde socialezekerheidsbijdragen, zoals België, het moeilijk hebben om de salariskosten onder controle te houden, waardoor ze inboeten aan competitiviteit,’ stelt Derthoo.

Lage inkomens stijgen met 20 procent

In Zwitserland, Tsjechië en Malta blijft het grootste nettobedrag over na belastingen en werknemersbijdragen voor de sociale zekerheid. België doet het heel wat minder goed in de rangschikking. Voor de inkomens van 25.000 tot 125.000 euro staat België op de 16de plaats, net vóór Zweden, Italië, Denemarken en Griekenland. Maar ook daar geldt dat het plaatje er anders uitziet als het resultaat per inkomenscategorie wordt bekeken.

In België houden we netto minder over van ons brutoloon dan in de meeste andere Europese landen.

‘De taxshift heeft in de eerste plaats een effect op de laagste lonen’, benadrukt Derthoo. Een Belgische werknemer met werkende partner en twee kinderen en een brutoloon van 25.000 euro ziet zijn positie in de Europese rangschikking stijgen ten opzichte van 2015 met liefst twaalf plaatsen naar een zevende plaats. Zijn nettojaarloon stijgt met 20,07 procent of 3.293,02 euro. Een alleenstaande zonder kinderen ziet zijn positie in de Europese rangschikking verbeteren van een 16de naar een tiende plaats. Die werknemer ziet zijn nettoloon ten opzichte van 2015 stijgen met 6,4 procent of 1.142,27 euro.

Meer verdienen loont niet

In de studie werd dit jaar berekend in welke mate het nettosalaris verhoudingsgewijs mee stijgt als het brutoloon wordt opgetrokken. Deloitte noemt dat de ‘polarisatiefactor’. Landen waar het brutoloon meer dan in andere landen wordt afgeroomd, hebben een lage score. Uit de cijfers blijkt dat België de laagste nettosalaris-polarisatiefactor heeft, gevolgd door Griekenland en Denemarken. Met andere woorden, in België houden we netto minder over van ons brutoloon dan in de meeste andere Europese landen.

©Mediafin

België scoort voor alle salarisniveaus het slechtst van de 19 onderzochte landen. Zwitserland heeft de hoogste nettosalaris-polarisatiefactor voor alle onderzochte salarisniveaus. ‘De polarisatiefactor is een belangrijke barometer om het ambitieniveau van uw werknemerspopulatie te meten’, verzekert Derthoo. ‘Hoe lager die is, hoe minder mensen gemotiveerd zijn om meer te werken en dus te verdienen.’

Dat we in België verhoudingsgewijs netto minder overhouden voor de hoogste bedragen moet worden toegeschreven aan het feit dat we in ons land al vrij snel tegen de hoogste aanslagvoet worden belast. Van de 19 landen die in de enquête werden doorgelicht, hebben er zes een maximale aanslagvoet van meer dan 50 procent. In België bedraagt de maximumbelasting - gemeentetaksen inbegrepen - 53,5 procent. Die aanslagvoet wordt al toegepast vanaf een belastbaar inkomen van 39.660 euro per jaar. Dat maakt van België nog altijd een van de duurste landen van Europa.

Kinderen hebben loont

Dankzij het huwelijksquotiënt wordt een gehuwde belastingplichtige met een partner die geen inkomen heeft, in België minder zwaar belast dan een alleenstaande belastingplichtige. België behoort tot de top vijf van landen die het grootste belastingvoordeel toekennen aan een niet-werkende partner.

De meeste onderzochte landen geven ook een fiscaal voordeel aan werknemers met kinderen ten laste. In dat opzicht scoort België ook goed. Nederland en Zweden maken opmerkelijk genoeg geen onderscheid op basis van de persoonlijke situatie van de belastingplichtige.

In 2015 hield een alleenstaande die 25.000 euro bruto verdiende netto 17.470 euro over. België stond daarmee op de 16de plaats van de 19 onderzochte Europese landen. In 2018 is dat nettobedrag gestegen tot 18.613 euro. Iemand die getrouwd is met een werkende partner en twee kinderen ten laste heeft, hield in 2015 maar 16.406 euro over, wat België naar de laatste plaats in de rangschikking duwde. In 2018 is dezelfde situatie goed voor een nettobedrag van 19.699 euro, wat een tiende plaats in de rangschikking oplevert.

Bij de hogere inkomens is de vooruitgang tussen 2015 en 2018 te verwaarlozen. Met een inkomen van 125.000 euro hield een alleenstaande drie jaar geleden 57.498 euro over, dit jaar 58.016 euro. In beide gevallen levert dat een voorlaatste plaats in de rangschikking op. De werknemer met een werkende partner en twee kinderen ten laste verdiende in 2015 netto 58.657 euro en in 2018 59.102 euro. België ging daarmee van plaats 18 naar plaats 17.

Belgisch leven relatief niet duur

De beste netto-inkomens mogen dan niet in België worden betaald, qua netto besteedbaar inkomen blijven we in de buik van het peloton. Het netto besteedbare inkomen is ons nettoloon plus het kindergeld, vervolgens gecorrigeerd voor de kosten van het levensonderhoud en wonen. In een land met relatief lage prijzen zal het netto besteedbare inkomen hoger liggen dan het nettoloon, omdat je er met je geld meer kan kopen dan in een duur land.

Op basis van de gegevens die Deloitte verzamelde, kunnen we concluderen dat België qua besteedbaar inkomen een goede middenmoter blijft en ongeveer op het niveau van Duitsland en Nederland zit. ‘Die positie hebben we niet zozeer te danken aan de lage levenskosten, maar aan de lage kosten voor huisvesting,’ preciseert Derthoo.

Voor het echt goedkope leven moet u naar Polen, Tsjechië, Slovakije, Spanje, Portugal en Griekenland. Helemaal aan de andere kant van het spectrum bevinden zich het Verenigd Koninkrijk en Denemarken. Terwijl de Denen in alle scenario’s al bij de laagste nettoverdieners zaten, heeft dat voor het Verenigd Koninkrijk vooral te maken met de levensduurte en hoge woonkosten. Opmerkelijk is dat de Zwitsers voor de laagste inkomsten het slechtst af zijn, maar het redelijk goed hebben naarmate het inkomen stijgt.

Belasting op beleggingen

De Europese salarisstudie gaat ook na hoe belastingbetalers verder worden belast nadat hun nettoloon op hun bankrekening is gestort. Voor de taxatie van passief inkomen (intresten, dividenden) bekleedt België een 13de plaats voor intresten en een twaalfde voor dividenden. In enkele jaren tijd is bij ons de roerende voorheffing voor spaarproducten verdubbeld van 15 naar 30 procent en voor dividenden van 25 naar 30 procent.

Het gemiddelde Europese belastingtarief voor intresten bedraagt 26,09 procent, voor dividenden 26,04 procent. Dat belastingtarief bleef over het algemeen stabiel in de afgelopen vijf jaar.

Ierland en Frankrijk verlagen dit jaar opvallend genoeg hun belastingen op intresten, respectievelijk van 39 procent naar 37 procent en van 24 procent naar 12,80 procent. In Frankrijk moet wel nog een aanvullende heffing van 17,2 procent worden betaald, ten opzichte van 15,5 procent vorig jaar.

‘De Franse regering doet veel inspanningen om de vermogens terug naar Frankrijk te halen. Niet alleen de belasting op intresten en dividenden is aangepast, de vermogensbelasting is enkel nog van toepassing op het onroerend vermogen’, aldus nog Derthoo. In België is sinds 2018 een vermogensbelasting ingevoerd van 0,15 procent op bedragen boven 500.000 euro op effectenrekeningen.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content