Zuinig met water en toch een hoge factuur

©ANP XTRA

De nieuwe waterfactuur moet zuinig gebruik aanmoedigen. Maar wat betekent de aangepaste berekeningswijze in de praktijk? Vooral alleenstaanden blijken niet beter af te zijn.

Drinkwater is wereldwijd een schaars goed geworden. Om de consument daarvan bewust te maken voerde de Vlaamse overheid enkele jaren geleden een factuurberekening in die overvloedig waterverbruik zwaar aanrekent. Zuinig zijn met water zou dus moeten lonen voor het gezinsbudget.

Maar ons verbruik bepaalt de waterfactuur maar voor een deel. Het water dat we gebruiken, moet worden afgevoerd en het rioleringsnetwerk vraagt aanleg- en onderhoudskosten. Het afvalwater kan ook niet zonder meer in de natuur worden geloosd. Het moet worden gezuiverd en ook daar zijn belangrijke kosten aan verbonden.

+11%
Alleenstaanden betalen dit jaar al gemiddeld 11 procent meer voor hun water dan in 2015.

Al die kosten zijn zeer bepalend voor onze jaarlijkse waterfactuur. Een gezin uit Merelbeke met een doorsnee waterconsumptie betaalt in 2018 294 euro voor de productie en de levering van water, 195 euro voor de afvoer en 139 euro voor de zuivering.

Gezinnen die boven het normale gebruik van water uitkomen - en dus een extra milieulast vormen - betalen meer dan een doorsnee gebruiker. Niet alleen voor het surplus aan water, maar ook voor de extra inspanning die moet worden geleverd om het afvalwater te verwerken. Boven een afgesproken drempel - 30 m³ per woning plus 30 m³ per bewoner - wordt het tarief voor zowel het water, de riolering als de zuivering verdubbeld.

Twee tarieven

Tot eind 2015 kreeg elke wooneenheid in Vlaanderen 15.000 liter water gratis. Alles wat meer werd verbruikt, moest worden betaald. Daar bovenop kwam de gemeentelijke heffing voor de afvoer van het afvalwater en de bovengemeentelijke heffing voor de zuivering van het water.

Sinds 2016 wordt geen gratis water meer geleverd. Voor drinkwater zijn er twee tarieven: het basistarief en het comforttarief. Het basistarief geldt voor 30 m³ per wooneenheid plus 30 m³ per gedomicilieerde persoon. Voor een gezin van vier wordt het basistarief dus aangerekend voor de eerste 150 m³. Al het water dat boven op die 150 m³ verbruikt wordt, valt onder het comforttarief, dat dubbel zo hoog is als het basistarief. Voor 2018 ligt dat basistarief afhankelijk van de waterleverancier tussen 1,20 en 2 euro.

Los van dat tarief in functie van het verbruik bevat de waterfactuur ook een vastrecht van 50 euro, met een korting van 10 euro per gedomicilieerde persoon. Een gezin van vier betaalt dus 10 euro per jaar.

Verwerking afvalwater

Als waterverbruiker moet u ook betalen voor het afvoeren van uw afvalwater. Het wegsluizen via de riolen is een bevoegdheid van de gemeenten. De watermaatschappijen bepalen jaarlijks met de gemeenten de maximumtarieven van de gemeentelijke vergoeding. Net als voor de watertarieven wordt een onderscheid gemaakt tussen het basis- en het comforttarief, waarbij het tweede dubbel zo duur is als het eerste. Voor 2018 gaat het om respectievelijk 1,3538 en 2,7076 euro per kubieke meter.

©Mediafin

Zowat 80 procent van de gemeenten rekent het maximumtarief aan. ‘De verschillen tussen de gemeenten worden verklaard door de verschillen in kosten voor het gemeentelijk transport van het afvalwater’, legt Katrien Smet van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) uit. ‘Die variëren naargelang van de kosten voor het onderhoud en de verdere uitbouw van het rioleringsstelsel. Er zijn ook gemeenten die een deel van het rioolbeheer financieren uit eigen middelen.’

Ook hier betaalt u los van de variabele kosten een vastrecht. Dat bedraagt jaarlijks 30 euro per woning en wordt verminderd met 6 euro per bewoner. Voor een gezin van vier personen betaalt u dus 6 euro per jaar.

Op uw waterfactuur staan ten slotte ook de kosten voor de waterzuivering. Dat bedrag wordt door de watermaatschappij aangerekend als een bovengemeentelijke bijdrage. Het tarief voor die bijdrage voor gezinnen is wettelijk bepaald en geldt voor heel Vlaanderen. Opnieuw wordt een onderscheid gemaakt tussen een basis- en een comforttarief. Voor 2018 bedragen die respectievelijk 0,9670 en 1,9340 euro per kubieke meter.

Boven op het variabele tarief komt ook weer een vastrecht. Dat bedraagt 20 euro per woning en mag worden verminderd met 4 euro per bewoner.

Effect nieuwe factuur

Voor gezinnen van vier miste de aanpassing van de waterfactuur in 2016 aanvankelijk haar positieve effect niet. Wie niet al te kwistig met water omsprong, kon met een verbruik van pakweg 140 m³ per jaar binnen het basistarief blijven en betaalde uiteindelijk enkele tientallen euro’s minder. In verhouding tot 2015 ligt hun waterfactuur voor 2018 in de meeste gemeenten nog altijd lager. Maar in Maasmechelen, waar De Watergroep drinkwater levert, komt de prijs alweer 1,5 procent boven het niveau van 2015 uit.

©Mediafin

De prijsdaling in 2016 bleek echt wel een eenmalig effect te zijn. Sinds de aanpassing van de tariefstructuur in 2016 is het prijsvoordeel voor een gemiddeld gezin alweer voor een groot deel weggevaagd. Uit een aantal simulaties die we deden met de berekeningsmodule op de website van de VMM blijkt dat de facturen over de hele lijn gestegen zijn. Zoals uit de tabel op deze pagina blijkt, is een stijging van 10 procent tussen 2016 en 2018 meer regel dan uitzondering.

Gezinnen die kwistig de kraan opendraaien - 250 m³ per jaar in onze simulatie - zagen hun factuur behoorlijk stijgen. Sinds 2015 betalen ze 20 tot 35 procent meer. Dat strookt volledig met het principe dat bovengemiddeld verbruik gepenaliseerd wordt.

Voor alleenstaanden liggen de zaken anders. In zekere zin zijn zij de echte dupe van de nieuwe tariefstructuur. Want zelfs al blijven ze met een gemiddeld verbruik van 40m³ netjes binnen het basisverbruik, toch worden ze door het nieuwe facturatiesysteem bestraft. Dat komt doordat ze voor het vastrecht voor water, afvoer en zuivering maar een aftrek voor één persoon hebben, waardoor die component van de factuur hoger uitkomt dan bij een gezin van vier (zie grafiek). Hun factuur ging in 2016 al meteen de hoogte in en vergeleken met het bedrag dat ze in 2015 voor hun water uitgaven, betalen ze in 2018 al gemiddeld 11 procent meer.

Water kost niet overal evenveel
Water kost niet overal evenveel

De verbruikstarieven zijn niet hetzelfde voor alle watermaatschappijen. ‘De prijsverschillen zijn te verklaren door het verschil in kosten die watermaatschappijen hebben om drinkwater te produceren en te leveren’, zegt Katrien Smet, de woordvoerster van de Vlaamse Milieumaatschappij. ‘De ene heeft eigen bronnen - grondwater dat weinig behandeling vergt om er drinkwater van te maken - terwijl andere watermaatschappijen drinkwater uit oppervlaktewater moeten maken. Dat laatste vergt een intensieve behandeling.’

Elk van de watermaatschappijen schat de kosten voor de productie en levering van drinkwater en het verbruik daarvan door de klanten in. Die kosten voor een bepaald jaar worden verdeeld over het verwachte verbruik, wat een kostendekkend tarief oplevert.

Nu zijn de kosten en het verbruik niet elk jaar hetzelfde. Om te grote schommelingen van het tarief te vermijden, moeten de watermaatschappijen een tariefpad over een periode van zes jaar uitwerken. Momenteel ligt dat tariefpad vast voor de periode 2017-2022. De tarieven worden jaarlijks geïndexeerd op basis van de indexen van november. ‘Van 2017 naar 2018 is er alleen een indexering doorgevoerd en zijn er geen verdere prijsstijgingen’, zegt Katrien Smet.

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content