netto

In 10 vragen naar de ideale aandelenportefeuille

©Pieter Van Eenoge

Beleggen in aandelen is niet voor iedereen weggelegd. Wie de eerste stappen op de beurs wil zetten, houdt maar beter rekening met de volgende aandachtspunten.

1. Wat zijn aandelen?  

Laten we maar meteen beginnen met u een illusie armer te maken: er is geen gemakkelijke of risicoloze manier om rijk te worden op de beurs. Aandelen zijn, in tegenstelling tot obligaties, risicokapitaal. U krijgt geen jaarlijkse vaste vergoeding en op het eind van de rit bent u ook niet zeker uw geld terug te zien.

U krijgt wel een deeltje van een onderneming. En als die onderneming goed gerund wordt, zal dat deelbewijs een stevig rendement opleveren, in de vorm van een hogere beurskoers en/of stevige uitkeringen. Niemand heeft beleggen in aandelen beter omschreven dan Benjamin Graham, de peetvader van de aandelenanalyse. Graham schreef 65 jaar geleden in zijn ‘Intelligent Investor’: ‘Een aandeel kun je het best zien als mede-eigenaarschap in een specifieke onderneming. Wie winst hoopt te maken op zijn aan- en verkopen, beschouwt zijn belegging het best als een eigen onderneming die je op basis van gezonde managementprincipes moet runnen om kans van slagen te hebben.’ Een aandeel is dus een deeltje in de onderneming, hoe klein ook. Daarom is het nuttig bij alle cijfers waarmee een beursgenoteerd bedrijf u om de oren slaat, steeds ook de cijfers per aandeel in de gaten te houden. Dat maakt de miljardencijfers die een multinational rapporteert, in één trek veel ‘tastbaarder’.

Zo behaalde Belgacom over het boekjaar 2013 een nettowinst van 630 miljoen euro. Per aandeel is dat net geen 2 euro. Wie honderd stuks heeft, kan dus verwachten dat hij een kleine 200 euro ‘verdiend’ heeft op ‘zijn’ onderneming. Dat kan ofwel direct, via het dividend dat de onderneming naar de aandeelhouder laat vloeien, ofwel indirect, omdat het bedrijf een deel van de winst herinvesteert om de toekomstige winst en dus de uitkeringen veilig te stellen.

2. Welke soorten aandelen bestaan er?

In België zijn alle aandelen nu 'gedematerialiseerd'. Dat wil zeggen dat aandelen louter nog in elektronische vorm, via een effectenrekening bij een bank of beurshuis, gekocht of verkocht kunnen worden. Wie toch nog bij een oude groottante papieren effecten van pakweg PetroFina of de Generale Maatschappij zou aantreffen, maakt zich het best zo snel mogelijk kenbaar. In de loop van 2015 moeten de emittenten van die effecten ze verplicht verkopen. Wie na die verkoop met zijn effecten boven water komt, kan ze nog tot 2025 inwisselen bij de Deposito- of Consignatiekas. 

Hoe langer u wacht, hoe minder u voor de effecten zult krijgen. Vanaf 2016 geldt een boete van 10 procent. Elk jaar daarna wordt de boete met 10 procentpunt verhoogd. Let op: de meeste aandelen van beursgenoteerde bedrijven zijn nog altijd aan toonder. Dat wil zeggen: ze behoren toe aan wie de aandelen op de effectenrekening heeft staan en kunnen ook vlot ge- of verkocht worden.

Maar heel af en toe zijn aandelen op naam: wie aandelen koopt of verkoopt, moet zich dan eerst laten in- of uitschrijven op een aandelenregister. Een voorbeeld is Solvac, het familiale controle­vehikel boven de chemiegroep Solvay. Ook de energiereus GDF Suez biedt sinds kort de mogelijkheid aandelen op naam te laten zetten, met als bedoeling trouwe aandeelhouders die hun stukken minstens twee jaar bijhouden een extraatje te gunnen in de vorm van een hoger dividend.

Een speciale, maar voor de Brusselse beurs belangrijke soort aandelen zijn de ‘gereglementeerde vastgoedvennootschappen’ of GVV’s. Dat zijn beursgenoteerde vastgoedportefeuilles die onder bepaalde voorwaarden hun winst fiscaal voordelig kunnen uitkeren.

3. Hoe koop ik een aandeel en wat kost mij dat?

Aandelen kopen of verkopen doet u via een bank of beursmakelaar. Grootbanken rekenen doorgaans iets meer transactiekosten aan dan gespecialiseerde makelaars, en rekenen ook een jaarlijks of driemaandelijks bewaarloon aan. Daar staat echter vaak een ruimere dienstverlening tegenover, met uitgebreidere informatie als een bedrijf bijvoorbeeld een kapitaalverhoging doorvoert. Het is dus het best om als belegger eerst voor uzelf uit te maken welk type belegger u bent. Bent u een actieve ‘doe-het-zelver’, dan lijkt een broker meer aangewezen. Hebt u liever meer begeleiding voor uw eerste stappen op de beurs, dan kan een bank een betere optie zijn. Een order van 2.500 euro voor een aandeel op Euronext, dat behalve de Brusselse beurs ook nog de beurzen van Parijs, Amsterdam en Lissabon omvat, zal zelden meer dan 1 procent transactiekosten met zich meebrengen. Voor buitenlandse beurzen houdt u het best in het achterhoofd dat de kostprijs stijgt naarmate de bestemming van uw beursorder ‘exotischer’ is.

Geef bij een kooporder de maximumprijs door die u wenst te betalen, en bij een verkoop­order de minimumprijs die u wilt krijgen. Zo’n limietorders zijn zeker bij kleine, minder vlot verhandelbare aandelen een must. Informeer u bij een order voor een minder vlot verhandeld aandeel ook op voorhand bij uw bank of makelaar naar de kostprijs van ‘gesplitste’ orders. Soms gebeurt het immers dat zelfs een order voor een paar honderd stuks over een paar verschillende transacties moet worden gespreid. Als uw broker dan voor elk deelorder de volle pot aanrekent, kunnen de kosten snel oplopen.

4. Pikt de overheid een graantje mee?

Bij de aan- of verkoop van Belgische aandelen int de fiscus 0,27 procent beurstaks. Op een order van 2.500 euro is dat dus 6,75 euro. Belangrijker, zeker voor de langetermijnbelegger, is de roerende voorheffing. De fiscus roomt op dividenden van Belgische bedrijven 25 procent af. Merk op dat bij buitenlandse aandelen de fiscus twee keer langs de kassa passeert. Bij een Frans aandeel zoals Total of GDF Suez int eerst de Franse fiscus 30 procent roerende voorheffing, vervolgens roomt de Belgische fiscus nog eens 25 procent af van wat er ‘aan de grens’ overblijft.

Het gevolg is dat u van elke 100 euro dividenden die een Frans bedrijf bruto uitkeert, netto slechts 52,5 euro - iets meer dan de helft dus - overhoudt. U kunt de fiscale factuur iets milderen door toepassing van een dubbelbelastingverdrag te vragen, maar dat is een omslachtige procedure die voor kleine beleggers vaak meer kost dan ze oplevert. Tot nader order is er in België geen meerwaardebelasting. Als u een aandeel met winst verkoopt, betaalt u op de meerwaarde bovenop de gewone beurstaks geen belasting. Daar staat logischerwijs tegenover dat u verliezen op uw portefeuille niet in mindering kunt brengen. De invoering van een meerwaardebelasting staat in België wel geregeld ter discussie, naar aanleiding van het debat over de vermogens(winst)belasting.

5. Wat zijn mijn rechten als aandeelhouder?

Een goede belegger is in de eerste plaats een goed geïnformeerde belegger. Uw belangrijkste recht als aandeelhouder is bijgevolg het recht om geïnformeerd te worden. Bedrijven zijn wettelijk verplicht minstens twee keer per jaar, via een (half)jaarverslag informatie te geven over de gang van zaken. Sinds kort zijn beursgenoteerde bedrijven niet langer verplicht kwartaalupdates te verschaffen.

Dat is niet noodzakelijk een slechte zaak: het is twijfelachtig of beleggers beter geïnformeerd zijn door ze driemaandelijks met cijfers te bombarderen. Veel belangrijker is het basisprincipe dat de Belgische financiële waakhond FSMA hanteert: bedrijven moeten alle koersgevoelige informatie meteen aan alle aandeelhouders meedelen.

6. Hoeveel rendeert een aandeel?

Laten we een grote misvatting uit de wereld helpen: het is niet omdat aandelen niet in koers stijgen, dat ze niets opbrengen. Het klopt dat de Bel20, de korf van 20 grootste aandelen op de Brusselse beurs, al 16 jaar per saldo nergens heen gaat (zie grafiek hiernaast). De beursgraadmeter stak in maart 1998 voor het eerst de neus boven 3.000 punten en cirkelt eind 2014 na een parcours met indrukwekkende pieken en dalen nog altijd rond dat koerspeil. Maar een slimme belegger belegt niet lukraak op ‘de beurs’, maar ‘in aandelen’. De kleine belegger die pakweg in 2002 in volle beurscrisis in - toen nog grotendeels vergeten - bedrijven als CFE of Lotus Bakeries belegde, verdiende te midden van een vlakke beurs zijn inleg minstens tien keer terug. En zelfs zonder koerswinst kunnen aandelen stevig renderen. Tenminste voor beleggers die zich niet blindstaren op koerswinst, maar bedrijven uitzoeken met een gezonde balans en een stevige cashflow. Al te vaak vergeten beleggers immers dat niet de koerswinst, maar wel het jaarlijks dividend de hoeksteen vormt van de beursreturn (zie grafiek).

Een studie van de London Business School nam de wereldwijde beursreturns sinds 1900 onder de loep. Conclusie? Van het gemiddelde rendement van 5 procent nam het dividend liefst 90 procent voor zijn rekening. En terwijl de Bel20-koersindex zoals gezegd al 16 jaar in brede cirkels rond 3.000 punten draait, noteert de Bel20-returnindex inclusief nettodividenden dicht tegen een recordpeil.

7. Hoe waardeer ik een aandeel?

Eerst het slechte nieuws: een belegger die van zijn ‘onderneming’ een succes wil maken, moet altijd zijn rekenmachine bij hebben. Er is niet één zaligmakend cijfer. Maar grosso modo kun je stellen dat je met vier kerncijfers al een eind ver springt: groepswinst, nettokasstroom, eigen vermogen en schuldgraad.

Eerst de groepswinst: dat is het onderste lijntje van de resultatenrekening, de oplijsting van hoe het bedrijf over het (half)jaar presteerde. Veel beleggers en analisten focussen tegenwoordig op de ebitda: dat is de winst vóór rentelasten (i), belastingen (t), afschrijvingen (d) en afboekingen (a). Ebitda kan - beperkt - nuttig zijn als rendabiliteitsgraadmeter, maar focus er ook niet te veel op. Ebitda is zoals de student die zijn ouders probeert wijs te maken dat hij, even abstractie gemaakt van de ‘onvoldoendes’ voor Frans, aardrijkskunde, wiskunde en fysica, best wel een degelijk rapport heeft.

Nuttiger is de nettokasstroom. Dat is de nettowinst plus de voornaamste boekhoudkundige ‘non-cash’-kosten, afschrijvingen en afboekingen. De nettokasstroom vormt zo een belangrijke graadmeter van de cash­generatie binnen een onderneming. Een bedrijf dat - hopelijk slim - investeert, kan door de hoge afschrijvingslast enkele jaren lang een lage nettowinst rapporteren, maar tegelijk de toekomst verzekeren. Een voorbeeld is Ter Beke: de versevoedingsgroep rapporteerde over het boekjaar 2013 een nettowinst van 3,58 euro per aandeel, maar de nettokasstroom kwam uit op 14 euro per aandeel.

Wie winst hoopt te maken met aandelen, beschouwt zijn belegging het best als een eigen onderneming die je op basis van gezonde managementprincipes moet runnen.
Benjamin Graham
peetvader van de aandelenanalyse

Naast de resultatenrekening is het ook belangrijk de balans van een onderneming in de gaten te houden. En dan vooral het eigen vermogen. Dat eigen vermogen is het ‘collectieve spaarpotje’ van de onderneming, wat er over de jaren heen via het startkapitaal en ingehouden winsten opgebouwd is. Voor u een aandeel koopt, berekent u het best altijd het eigen vermogen per aandeel. De natte droom van elke aandelenbelegger sinds Benjamin Graham is op een bedrijf stoten dat onterecht onder zijn boekwaarde noteert. Dat is minder makkelijk dan het lijkt, aangezien sommige bedrijven door een triest ‘trackrecord’ van vernietiging van aandeelhouderswaarde terecht onder hun boekwaarde noteren. Omgekeerd is een aandeel dat ver boven zijn boekwaarde noteert een bedrijf dat ofwel door de markt terecht een groot groeipotentieel wordt toegedicht, ofwel betaalt u simpelweg te veel geld om tot een clubje potverteerders toe te treden. Ook hier: de succesvolle belegger is de belegger die zelf - rekenmachine in de aanslag - aan het werk gaat.

Houd ten slotte ook de schuldgraad in de gaten. Dat is de verhouding van de nettoschulden - de schulden minus de cash - tegenover het eigen vermogen. Een goed gerund bedrijf financiert zich met een mix van eigen vermogen en schulden, maar laat zeker de schulden niet te ver oplopen.

8. Wat kan de koers van een aandeel beïnvloeden?

Het frustrerend eenvoudige antwoord is: alles. Uiteraard is een sterk management dat erin slaagt rendabele marktniches aan te boren de basis van alles. Maar zelfs het beste management kan soms serieuze macro-economische tegenvallers of politieke risico’s te verwerken krijgen. Denk in positieve zin aan de recent fors goedkopere olie én euro als meevaller voor de meeste Europese indus­triële bedrijven, of in negatieve zin de roebelcrisis voor bedrijven die de jongste jaren sterk op Rusland als groeimarkt ingezet hebben. Maar dé belangrijkste koersbepalende factor is... kuddegeest.

Soms kopen beleggers niet omdat ze zelf overtuigd zijn, maar gewoon omdat anderen kopen. Daar is de ‘greater fool’ een mooi voorbeeld van. Soms kopen beleggers een aandeel tegen een zotte prijs, gewoon omdat ze er - vaak correct - van uitgaan dat er even later nog een ‘grotere gek’ zal langskomen die een nóg zottere prijs zal betalen. Benjamin Graham gaf de kuddegeest de naam ‘Mister Market’. Mr. Market zal zelden of nooit een aandeel correct waarderen. De ene keer is hij manisch en zal hij aandelen belachelijk duur waarderen, de andere keer is hij depressief en zal hij aandelen belachelijk goedkoop waarderen.

9. Wanneer koop of verkoop ik een aandeel?

Het lijkt zo eenvoudig: u koopt een aandeel als het goedkoop noteert en verkoopt als het duur noteert. En nochtans, dat principe in de praktijk toepassen is een van de moeilijkste zaken die er zijn. We hebben al gezien dat een aandeel - afhankelijk van de waarderingsmaatstaf - tegelijk goedkoop én duur kan zijn. Maar bovendien zijn de grootste koopopportuniteiten alleen achteraf gezien evident. Wie écht goedkoop in aandelen wil stappen, moet vaak kopen als iedereen verkoopt. En dat zijn vaak crisismomenten, zoals begin 2003 en begin 2009. Wie toen instapte, deed op lange termijn een gouden zaak, maar keek op korte termijn vaak tegen een frustrerend groot verlies aan.

Hou in het achterhoofd dat aandelen ‘snobgoederen’ zijn: de meeste beleggers kopen aandelen naarmate ze duurder en populairder worden. Wie succesvol wil beleggen, moet bereid zijn tegen de stroom in te roeien en negatieve krantenkoppen te trotseren. Dat is lang niet eenvoudig.

10. Voor wie zijn aandelen geschikt?

Het lijkt verleidelijk te stellen dat aandelen in deze tijden waar niet alleen het spaarboekje maar ook de meeste obligaties zo goed als ‘nulrentend’ geworden zijn, een must zijn. Het klopt dat aandelen potentieel een stevig rendement kunnen opleveren, maar dat is alleen voor wie zijn huiswerk doet en vooral financieel én psychologisch bestand is tegen een beursavontuur. Finan­cieel: u belegt het best alleen met geld dat u in de eerstkomende jaren niet nodig hebt.

Alleen wie financieel tegen een stootje kan en niet bang is tegen de stroom in te roeien, kan zijn portefeuille een stevige boost geven.

Want u mag nog zo overtuigd zijn dat uw ‘onderneming’ op termijn een mooi rendement zal opleveren, het kan vaak jaren duren eer de manisch-depressieve Mr. Market u effectief gelijk geeft. Bovendien moet u ook psychologisch tegen een duwtje kunnen: wie geen abstractie kan maken van de grote ups en downs die eigen zijn aan de beurs, begint er beter niet aan. Wie echter finan­cieel tegen een stootje kan en niet bang is tegen de stroom in te roeien, kan zijn portefeuille een stevige boost geven.

Meer over Belgische aandelen zaterdag in de Aandelengids bij De Tijd

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect