Netto Het antwoord op al uw geldvragen
Advertentie
Advertentie

Aandachtspunten voor uw volgende belastingaangifte

Nooit eerder was het invullen van een belastingaangifte zo ingewikkeld. Dat is een gevolg van de zesde staatshervorming en de overheveling van bevoegdheden van de federale overheid naar het Vlaams en Waals Gewest en naar Brussel. Vooral aan de woonfiscaliteit verandert heel wat. Welke codes op de belastingbrief mogen niet aan uw aandacht ontsnappen?
©Pieter Van Eenoge

De belastingaangifte anno 2015 gaat van 19 naar 21 bladzijden. Er verdwijnen codes, maar er komen er nog meer nieuwe bij waardoor het belastingformulier netto met 43 codes aandikt, goed voor in het totaal 772 codes. Dat becijferde Jef Wellens, belastingconsulent bij Wolters Kluwer nadat de federale overheidsdienst Financiën eerder deze week het nieuwe belastingformulier op zijn website had gepubliceerd. Nooit eerder was het invullen van de belastingbrief zo complex. Een onvermijdelijk gevolg van de zesde staatshervorming, waardoor de gewesten meer bevoegdheden krijgen en in één adem ook meer zeggenschap over de belastingen die we betalen.

Volgens Wellens zal de foutenmarge ongetwijfeld toenemen. Maar hij noemt het nieuwe belastingformulier de beste van alle slechte oplossingen. ‘Een goede uitweg bestaat er doodeenvoudig niet’, aldus Wellens. Ook Bart Lombaerts, specialist personenbelasting bij de dienstverlener PwC, vindt dat de nieuwe belastingbrief ondanks alles logisch in elkaar steekt.

Toch zijn er enkele belangrijke veranderingen waar u zeker rekening mee moet houden.

VAK IX

Het gros van de 43 nieuwe codes zit in vak IX, waar u de uitgaven voor woonkredieten moet vermelden. Dat vak is van het grootste belang voor alle belastingplichtigen die een of meerdere hypothecaire leningen hebben lopen. Een juiste opgave van de afgeloste kapitalen en intresten kan u een belangrijke korting op uw belastingfactuur opleveren. Bovendien moet u die codes zelf invullen, ook als u uw aangifte elektronisch doet. De belastingadministratie doet dat niet vooraf.

Vak IX telt in plaats van één bladzijde voortaan 2,5 bladzijden met een uitgebreide rubriek B voor uitgaven die betrekking hebben op uw ‘eigen woning’ en een rubriek C voor uitgaven die geen betrekking hebben op uw ’eigen woning’.

Met die rubrieken B en C is het al opletten geblazen. De woordkeuze is wat misleidend. De ‘eigen woning’ is de woning waarvan u eigenaar bent én waarin u ook zelf woont. Voor de ‘eigen woning’ zijn de gewesten bevoegd. Welk gewest bevoegd is, wordt bepaald door de plaats waar u op 1 januari 2015 bent gedomicilieerd. Is dat in het Vlaams Gewest, dan valt u voor alle uitgaven gedaan voor uw eigen woning onder de Vlaamse belastingregels.

Een ‘niet-eigen woning’ is een woning waarvan u wel degelijk eigenaar bent, maar die u niet zelf betrekt, zoals een tweede verblijf aan de kust of een appartement dat u verhuurt. Voor die niet-eigen woningen blijft de federale overheid de belastingregels bepalen.

  • Niet zomaar kopiëren

Eerst het geruststellende nieuws: het invullen van het belastingformulier blijft relatief eenvoudig voor al wie maar één woning bezit en daar vorig jaar ook in bleef wonen. ‘Die woningeigenaars moeten er alleen op letten dat ze de vorige belastingaangifte niet zomaar kopiëren en voor het opgeven van hun hypothecaire aflossingen niet exact dezelfde vakjes vervolledigen als vorig jaar’, zegt Philip Maertens, specialist personenbelasting bij PwC. In strijd met sommige berichten, moet u in dit geval ook niet meer vakjes aankruisen dan vorig jaar en al zeker geen 35.

‘Als u een lening afsloot na 1 januari 2005 en nog kan rekenen op het voordeel van de woonbonus, dan moet u in de eerstvolgende aangifte de code 3370-25 (onder rubriek B) invullen, en niet langer code 1370-85 zoals vorig jaar. Die laatste code staat nu onder rubriek C en moet alleen worden ingevuld als u nog de woonbonus vraagt voor een woning waarin u ondertussen niet langer woont.’

Dat aandachtspunt geldt ook voor wie één woning bezit, er woont en vorig jaar aflossingen deed voor een hypothecaire lening die al voor 1 januari 2005 was afgesloten. Ook hij moet erover waken dat hij die aflossingen vermeldt onder de rubriek B en niet onder rubriek C.

Eigenaars van verschillende (met een lening gefinancierde) woningen moeten voortaan, behalve rubriek B voor de woonst die ze zelf betrekken, ook rubriek C invullen. Dat geldt bijvoorbeeld als u in 2006 een lening afsloot voor de aankoop van een woning die u nog steeds betrekt en in 2009 een bijkomend krediet aanging voor de aankoop van een appartement aan zee. Voor de eigen woning kunt u dan rekenen op de gewestelijke woonbonus en moet u de codes onder rubriek B invullen. Voor het appartement aan zee moet u dan de codes 1146 voor de intresten en 1358 voor de kapitaalaflossingen vervolledigen onder rubriek C. Dat zijn uitgaven die in aanmerking komen voor de federale intrestaftrek en vermindering voor het langetermijnsparen.

Ook die klus is nog relatief eenvoudig te klaren.

©Pieter Van Eenoge

  • Rekenwerk

Maar er zijn situaties die rekenwerk of verder nazicht vergen. Dat geldt onder meer als u vorig jaar bent verhuisd.

Hypothese 1: Misschien kocht u enkele jaren geleden een bescheiden startersflatje en verhuisde u in 2014 naar een nieuwbouwwoning die u samen met uw partner aankocht. U besloot de flat niet te verkopen, maar te verhuren.

In dat geval krijgt uw flat, oorspronkelijk uw eigen woning, in de loop van het jaar een ander fiscaal kleedje. Na de verhuizing naar uw nieuwbouwvilla wordt uw flat de ‘niet-eigen’ woning waarop de federale belastingregels van toepassing zijn en niet langer de gewestelijke.

U moet dan zelf uitzoeken welke betalingen van uw rekeningen gingen vóór de verhuizing en welke daarna. Als u die flat betrok tot 15 juli 2014, dan is dat appartement ‘eigen’ tot aan de verhuizing. ‘U moet dan bekijken welke aflossingen u hebt gedaan tot op die dag’, zegt Lombaerts. Vanaf het moment waarop u uw intrek neemt in de nieuwbouwwoning zal de villa uw ‘eigen’ woning zijn.’ U zult dus een opsplitsing moeten maken voor de uitgaven voor de flat vanaf 1 januari tot 15 juli ( voor rubriek B - eigen woning) en de uitgaven voor diezelfde flat vanaf 15 juli tot het einde van het jaar ( voor rubriek C - niet eigen woning).

Stel dat u in 2014 elke maand 900 euro aan kapitaal en intresten voor uw appartement afbetaalde, en u die aflossingen telkens deed op de eerste van de maand. Dan betaalde u voor 15 juli (zeven maanden x 900) 6.300 euro en na 15 juli 4.500 euro. U kunt deze bedragen niet helemaal inbrengen. U moet ze beperken tot het wettelijk geplafonneerd maximum. Omdat u over twee woningen beschikt, is dat maximum (het bedrag te vermelden in rubriek B en C samen) 2.280 euro. Het bedrag te vermelden in rubriek B krijgt steeds voorrang. Dit betekent dat u, in dit voorbeeld, alleen 2.280 euro kan opnemen in rubriek B en niets in rubriek C. Als u minder dan 2.280 euro zou hebben betaald tot 15 juli, bijvoorbeeld slechts 1.280 euro, dan neemt u 1.280 euro op in rubriek B en mag u de resterende bedragen opnemen in rubriek C, met een maximum van 1.000 euro.

Hypothese 2: U bent sinds 2006 eigenaar van een woning waarvoor u een lening hebt lopen. In maart 2014 vindt u uw droomhuis en koopt u deze nieuwe woning. U gaat daarvoor ook een nieuwe lening aan. Uw vorige woning wordt verkocht in mei en op dat moment neemt u ook uw intrek in uw nieuwe woning.

Lombaerts: ‘De eerste lening geeft u aan in rubriek B tot op het moment van uw verhuizing. Tot dan betreft het een lening voor uw eigen woning. Na uw verhuizing doet u geen aflossingen meer voor die eerste lening, omdat ze wordt terugbetaald. Als u op dat ogenblik al uw maximumbedrag aan aflossingen bereikt (2.280 euro + 760 tijdens de eerste tien jaar of 3.040 euro) geeft u 3.040 euro in onder rubriek B.

Vanaf mei wordt uw nieuwe woning uw enige en eigen woning. U mag de aflossingen die u voor de nieuwe woning betaalt, ook in aanmerking nemen voor de gewestelijke woonbonus. Als u nog niet het maximum hebt bereikt met uw eerste lening, kan u rubriek B aanvullen met de aflossingen voor de tweede lening, tot aan het maximum van 3.040 euro.

De tweede lening geeft van maart tot mei recht op een federale vermindering voor het langetermijnsparen en de gewone intrestaftrek (rubriek C). Immers, voor deze periode was u al eigenaar van de woning zonder erin te wonen. U kunt niet van de federale woonbonus genieten voor deze lening omdat ze is afgesloten na 1 januari 2014. Maar de intresten betaald gedurende de maanden maart, april en mei kunnen uw belastbaar onroerende inkomen verminderen. U moet immers uw KI van deze woning aangeven voor de periode van maart tot mei. De kapitaalaflossingen die in aanmerking komen voor het langetermijnsparen kunt u opnemen als u niet reeds het maximum hebt bereikt. Dat maximum is 2.280 euro verminderd met de aflossingen die u invult in rubriek B.

Wie in 2014 is verhuisd naar een andere eigendom, heeft dus wel wat rekenwerk voor de boeg. Zoals Wellens opmerkt, komt u er niet meer met één enkel jaarbedrag aan intresten en kapitaalaflossingen op de fiscale attesten zoals de banken die tot nu opstellen. De financiële instellingen zullen u die opsplitsing ook niet spontaan bezorgen, maar ze zullen u wel vooruithelpen als u daarom vraagt.

Weet u niet meer precies wat u voor welke woning hebt betaald, dan kunt u zich behelpen met de aflossingstabellen die elke kredietnemer krijgt bij het aangaan van een hypothecaire lening. Die tabellen bevatten het detail van het kapitaal en de intresten die u elke maand van uw lening afbetaalt. Wie die aflossingstabellen niet meer heeft, kan ze op eenvoudig verzoek bij zijn bank opvragen.

  • Verhuren of gebruiken voor beroepsdoeleinden

Het is voorts opletten geblazen als u een deel van uw woning in de loop van vorig jaar bent gaan verhuren. Misschien bent u vorig jaar zelfstandige geworden en verhuurt u 20 procent van uw woning aan uw vennootschap. ‘Het deel van de eigen woning dat u gebruikt voor beroepsdoeleinden zal dan onder de federale bevoegdheid vallen en in aanmerking komen voor federale fiscale voordelen. In dat geval zal voor één en dezelfde woning zowel de federale als een gewestelijke overheid bevoegd zijn en moet de belastingplichtige een opsplitsing over vak B en C maken’, illustreert Maertens. ‘Het deel van de woning dat u gebruikt met uw gezin, in dit voorbeeld 80 procent, komt in aanmerking voor de gewestelijke fiscale voordelen. De overige 20 procent voor de federale.’

Vak III

Een andere verandering zult u al aantreffen bij het begin van de belastingaangifte in vak III over de inkomsten van onroerende goederen. Daar zult u het kadastraal inkomen (KI) van de eigen woning niet meer terugvinden. Sommigen moeten het KI voortaan opgeven in vak IX (onder rubriek B punt 3). De opgave van dat KI is alleen nog relevant voor wie voor 1 januari 2005 een hypothecaire lening afsloot. Het KI is immers niet meer nodig voor de berekening van de belasting voor al wie nadien een woningkrediet afsloot en kan rekenen op de woonbonus.

Omgekeerd moet wie vergoedingen ontvangt voor het ter beschikking stellen van een stuk grond of een gevel voor gsm-masten of antennes die vergoedingen voortaan opgeven in vak III, en niet meer in vak XVI onder ‘diverse inkomsten’. Die wijziging is niet zo onschuldig. ‘Die vergoedingen zijn voortaan onderworpen aan het progressieve tarief in de personenbelasting en zullen dus in het algemeen zwaarder worden getaxeerd dan de 25 procent voor diverse inkomsten’, waarschuwt Wellens.

VAK X

Een ander aandachtspunt is vak X bij de uitgaven die recht geven op belastingverminderingen. Als u in 2014 uitgaven deed voor dakisolatie, zult u niet meer zoals voordien alleen het factuurbedrag moeten vermelden, maar moet u zelf al het bedrag van de belastingvermindering berekenen. Voor dakisolatie genieten de belastingplichtigen een belastingvermindering van 30 procent van het factuurbedrag, met een maximale belastingvermindering van 3.040 euro.

VAK XI

Tot slot is er nog een toemaatje voor de Vlamingen die vorig jaar een win-winlening hebben toegestaan. Zij krijgen een nieuw vak, vak XI, waar ze moeten opgeven welk bedrag ze hebben uitgeleend om een kmo financieel te ruggensteunen. Wie als kennis, vriend of familielid een win-winlening toekent aan een bedrijf krijgt daarvoor een belastingkorting van 2,5 procent op het openstaande kapitaal. Het gaat om achtergestelde leningen tot maximaal 200.000 euro die acht jaar moeten lopen.

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud