netto

Hoe drastisch zal uw pensioen veranderen?

De geleidelijke afbouw van de zogenaamde gelijkgestelde periodes deed tot nog toe het meeste stof opwaaien. Gelijkgestelde periodes zijn dagen waarop iemand niet werkt, maar die voor de pensioenberekening toch als gewerkte periodes beschouwd worden. De discussie gaat vooral over de gelijkstelling van werkloosheid. ©David Rozing/HH

De regering-Michel wil het pensioensysteem grondig verbouwen. De doemberichten dat uw pensioenbedrag zal dalen, volgen elkaar in sneltempo op. Een overzicht van wat u als werknemer te wachten staat.

Decennialang werden we gebombardeerd met waarschuwingen dat de pensioenen onbetaalbaar zouden worden als er niet ingegrepen werd. Waarna er vervolgens… niets gebeurde. Voormalig minister van Pensioenen Vincent Van Quickenborne (Open VLD) was bij de start van de regering-Di Rupo eind 2011 de eerste die de koe bij de hoorns vatte en de leeftijd voor het vervroegd pensioen met twee jaar optrok. De overheidsbonden reageerden furieus: er volgde een staking, maar de maatregelen werden toch van kracht.

De huidige regering-Michel ging verder op die ingeslagen weg. En schakelde nog enkele versnellingen hoger. Het startschot gaf ze door - tot verrassing van iedereen - de wettelijke pensioenleeftijd op te trekken van 65 tot 67 jaar. Daarmee wilde de regeringsploeg een duidelijk signaal geven dat het haar menens is met de hervorming van het pensioensysteem.

De centrale idee achter alle maatregelen: werken moet meer lonen dan niet werken voor het latere pensioen. Een principe waarachter de meesten zich wel kunnen scharen. Maar naarmate dat principe in concrete maatregelen vertaald wordt, brokkelt het maatschappelijk draagvlak af. Want dan blijkt dat de ingrepen voor velen inderdaad een achteruitgang betekenen. Het huidige systeem bevat immers zo veel uitzonderingen dat niet werken vandaag vaak niet of nauwelijks een negatieve impact heeft op het latere pensioenbedrag.

Pensioengids

Alle pensioenmaatregelen van de regering-Michel

Wat verandert er nu echt voor uw pensioen?

De Pensioengids is op 30 september verschenen. Bent u abonnee van De Tijd? Klik hier om de gids (PDF versie) te lezen.

Het politieke gehakketak over de vraag of in het Zomerakkoord nu wel of niet werd beslist dat een 50-plusser die werkloos wordt een lager pensioen zal krijgen, is daarvan een voorbeeld. De ophef wijst dan ook op veel meer dan een ‘los eindje’ van het Zomerakkoord. ‘De hervormingsmoeheid is toegeslagen bij de bevolking, die om de oren wordt geslagen met doemberichten. En daardoor ook bij de politici’, verwoordt een insider het. Nochtans zijn de ingrepen die tot nog toe zijn uitgewerkt, klein bier in vergelijking met wat nog moet komen. Het vernieuwen van de fundamenten ligt nog maar op de tekentafel.

Naast het basisprincipe ‘pensioen naar werken’ voor het wettelijk pensioen hanteert de regering-Michel een tweede basisprincipe: een meer geharmoniseerde pensioenberekening voor de drie statuten. Niet dat het onderscheid tussen werknemers, zelfstandigen en ambtenaren helemaal zal vervagen in de eerste pensioenpijler. Maar in de pensioenberekening zal voor de drie statuten wél vaker dezelfde logica worden gevolgd.

Omdat de betaalbaarheid van de eerste pijler onder druk staat, zet de regering in op ‘het veralgemenen’ van de tweede pensioenpijler. Ze breidt de mogelijkheden om een aanvullend pensioen op te bouwen uit voor werknemers en zelfstandigen en voert de mogelijkheid in voor niet-vastbenoemde ambtenaren. Want, zo wond minister van Pensioenen Daniel Bacquelaine (MR) er vorig jaar al geen doekjes om: voor toekomstige gepensioneerden zal, ondanks alle hervormingen, het wettelijk pensioen alleen niet volstaan voor een financieel onbezorgde oude dag. ‘Om een volwaardig pensioen te hebben, zal iedereen een aanvullend pensioen die naam waardig moeten kunnen opbouwen.’

Voor toekomstige gepensioneerden zal, ondanks alle hervormingen, het wettelijk pensioen alleen niet volstaan voor een financieel onbezorgde oude dag.
Daniel Bacquelaine
Minister van Pensioenen (MR)

Wat verandert er voor werknemers?

Uw wettelijk pensioen

→ De wettelijke pensioenleeftijd gaat in 2025 naar 66 en in 2030 naar 67 jaar. Dat staat vast. Tenzij de volgende regering die beslissing zou terugdraaien.

→ Wat ook vaststaat, is dat de leeftijd en loopbaanvoorwaarden voor vervroegd pensioen nog tot en met 2019 stelselmatig strenger worden.

→ Goed nieuws wel voor wie in het stelsel zit van ‘werkloosheid met bedrijfstoeslag’ (SWT), het vroegere brugpensioen. Het idee circuleert om deze oudere werklozen vanaf 2019 weer toe te laten hun pensioen vervroegd op te nemen als ze aan de voorwaarden voldoen. Nu is dat niet mogelijk.

→ Omdat de sociale partners er niet in slaagden een akkoord te bereiken over de zware beroepen, is de minister aan zet om dat cruciale maar zeer gevoelige dossier te deblokkeren. In ruil voor het verhogen van de pensioenleeftijd beloofden de meerderheidspartijen een lijst met zware beroepen vast te leggen. Mensen met zo’n beroep kunnen ofwel vroeger stoppen met werken, ofwel een hoger pensioen krijgen als ze doorwerken tot aan de wettelijke pensioenleeftijd.

→ De meest fundamentele ingreep moet echter nog uit de startblokken komen. Vandaag wordt voor elk jaar dat u hebt gewerkt in de privésector een pensioendeel berekend dat afhangt van het jaarloon dat u in dat jaar kreeg. Aan het eind van uw loopbaan worden die pensioendelen samengeteld. Het resultaat van die optelsom is gelijk aan het jaarlijkse brutopensioen.

Nadat de minister hun een oriëntatienota bezorgde, bespreken de sociale partners momenteel het pensioen met punten. Dat systeem wil de regering vanaf 2025 invoeren ter vervanging van de huidige berekeningswijze van het wettelijk pensioen.

→ In het Zomerakkoord heeft de regering afgesproken vanaf 2019 het deeltijds pensioen in te voeren.

→ Omdat een volledige loopbaan 45 jaren telt, worden vandaag maximaal 45 gewerkte kalenderjaren mee in rekening gebracht. Wie 42 jaar aan de slag was, heeft een loopbaanbreuk van 42/45ste. Maar wie meer dan 45 jaar heeft gepresteerd, kan die extra jaren niet in rekening brengen. De loopbaan wordt afgetopt op 45 jaar en de ‘beste’ jaren tellen mee. Dat zijn de jaren waarin de werknemer het hoogste pensioendeel heeft opgebouwd.

Het parlement bespreekt op dit ogenblik de afschaffing van die zogenaamde ‘eenheid van loopbaan’ voor pensioenen die ingaan vanaf 2019. In de toekomst zal langer werken dus wel degelijk extra pensioenrechten opleveren. Wie na een loopbaan van 45 jaar werkloos wordt, al dan niet met bedrijfstoeslag, zal voor die werkloze jaren echter geen pensioenrechten meer opbouwen.

→ Het loon dat per gewerkt jaar in rekening wordt gebracht, wordt afgetopt op 54.648,70 euro. Wie meer verdient, haalt uit dat extra inkomen geen bijkomende pensioenrechten. ‘Dat plafond wordt na 2017 met 1,7 procent opgetrokken’, duidt Pieter Stallaert van de Federale Pensioendienst. Grosso modo één op de vijf werknemers zit boven dat plafond. Hetzelfde geldt voor wie weinig verdient. Het minimumrecht dat gebruikt wordt om het pensioenbedrag te berekenen, wordt volgend jaar eveneens met 1,7 procent opgetrokken.

→ De geleidelijke afbouw van de zogenaamde gelijkgestelde periodes deed tot nog toe het meeste stof opwaaien. Gelijkgestelde periodes zijn dagen waarop iemand niet werkt, maar die voor de pensioenberekening toch als gewerkte periodes beschouwd worden. Het intussen volledig afgeschafte ‘niet-gemotiveerd tijdskrediet’ (een periode niet werken om, bijvoorbeeld, een wereldreis te maken) telt bijvoorbeeld al sinds 2015 niet meer mee voor de pensioenopbouw.

De minister verzekerde al herhaaldelijk dat aan de gelijkschakeling van ziekte, zwangerschap en invaliditeit niet geraakt zal worden. Maar voor de overige niet-actieve periodes wordt wel de vraag gesteld wat er nog precies zal meetellen en of dat dan even voordelig moet gebeuren als bij effectief gewerkte periodes.

De discussie gaat dus vooral over de gelijkstelling van werkloosheid. Eigenlijk volgt de regering-Michel daarmee het voorbeeld van de regering-Di Rupo. Die beperkte al in 2012 de pensioenrechten van een werkloze in ‘de derde periode’ - dat is na maximaal 48 maanden werkloosheid - door ze te berekenen op basis van een minimumjaarrecht van 23.500 euro in plaats van op het werkelijk verdiende loon.

De huidige regering gaat nog verder en beperkt ook de gelijkschakeling voor werkloosheid van de ‘tweede periode’. Iedereen die meer dan 23.841,73 euro per jaar verdient, ofwel 1.987 euro bruto per maand, zal een lager pensioen krijgen als hij langer dan een jaar werkloos is voor zijn 50ste. Die teller van een jaar werkloosheid loopt gedurende de hele loopbaan. Hij wordt alleen op nul gezet als u opnieuw aan de slag gaat en binnen 18 maanden minstens 12 maanden voltijds werkt of binnen 33 maanden minstens 24 maanden halftijds aan de slag bent.

Uw aanvullend pensioen

Als uw werkgever dat aanbiedt, kunt u vandaag al een aanvullend pensioen opbouwen. Als individuele werknemer hebt u echter niets in de pap te brokken over de vraag of u een aanvullend pensioen kan opbouwen bij uw werkgever en hoeveel daarin gespaard wordt. U hangt daarvoor volledig af van wat uw werkgever beslist.

→ Dat zal veranderen vanaf 2018, aldus het kabinet-Bacquelaine. De idee is dat werknemers zelf aan hun werkgever kunnen vragen een deel van hun loon af te houden en te storten in een aanvullend pensioen. De concrete modaliteiten worden op dit ogenblik nog uitgewerkt. Vertrekpunt zou zijn dat de fiscale voordelen van die stortingen dezelfde zijn als die van de werknemersbijdragen voor het bestaande aanvullend pensioen van de tweede pijler.

Uw pensioensparen

Iedereen kan zelf kiezen of hij of zij aan pensioensparen doet. Werknemers, zelfstandigen of ambtenaren doen het immers met hun eigen (spaar)centen.

→ Wel wordt het fiscaal kader uitgebreid. Op dit ogenblik kunt u jaarlijks maximaal 930 euro storten. Dat levert een fiscaal voordeel op van 30 procent of 282 euro.

Vanaf volgend jaar krijgt u de keuze. Ofwel opteert u voor de huidige 940 euro tegen 30 procent fiscaal procent voordeel. Ofwel stort u 1.200 euro, maar dan kunt u slechts 25 procent van die premie fiscaal inbrengen. Dat komt neer op een belastingvoordeel van 300 euro. Om 18 euro meer fiscaal voordeel te genieten, moet u dus 260 euro extra sparen.

Hoe het fiscaal voordeel berekend zal worden als u meer dan 940 maar minder dan 1.200 euro stort, is nog onduidelijk. Stel dat u 1.000 euro stort, hebt u dan een fiscaal voordeel van 25 procent op het integrale bedrag ofwel 250 euro? Of is het fiscale voordeel dan 30 procent tot 940 euro en 25 procent op de resterende 60 euro? In het eerste geval is uw fiscaal voordeel kleiner als u 1.000 euro stort dan wanneer u 940 euro stort.

Vergis u overigens niet. Met de derde pijler bouwt u geen vetpot op waarmee uw levensstandaard na uw pensionering gebeiteld zit. Wie vandaag 25 is en vanaf nu 40 jaar lang het maximale bedrag van 940 euro spaart tegen een jaarlijks gemiddeld rendement van 5 procent, bouwt bijna 120.000 euro kapitaal op. Uitgaande van een jaarlijkse inflatie van 2 procent is dat bedrag in termen van koopkracht van vandaag zowat 54.000 euro waard. Verwacht u nog 25 jaar te leven na uw pensionering en mag dat kapitaal ‘opgegeten’ zijn tegen dan, dan kunt u er maandelijks 230 euro extra inkomen uit puren. Zou u dat kapitaal graag nalaten aan bijvoorbeeld uw kinderen, dan valt het extra inkomen dat u eruit kunt puren terug tot 90 euro per maand.

Lees meer over de veranderingen voor zellfstandigen en ambtenaren in De Pensioengids van De Tijd.

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Partner content