Netto Het antwoord op al uw geldvragen

De noodzaak aan bescherming van uw spaargeld

De regering-Di Rupo wil het Belgische spaargeld 100 procent garanderen. Waarom is die bescherming van het spaargeld belangrijk? De achterliggende redenen voor de depositogarantie maken veel duidelijk.
©Shutterstock

Of we nu boodschappen doen, naar de bioscoop gaan of een museum bezoeken, betalen doen we met geldbiljetten of met onze bankkaart. Dat lijkt vandaag een evidentie, maar honderden jaren geleden was het dat allerminst. Toen werden in ruil voor de gekochte goederen andere tastbare goederen geleverd die even waardevol waren. Het kon gaan om tarwe of dieren, maar ook om goud of zilver.

Pas in 1661 werd het eerste bankbiljet in Europa ingevoerd door Johan Palmstruch, een Zweedse bankier van Nederlandse afkomst. Het biljet moest de toen meest courante munteenheid in Zweden vervangen, een 10-daalder-plaat van 60 bij 30 centimeter die meer dan 20 kilogram woog. Palmstruch stelde voor de daalders in de kluis van zijn bank te bewaren en de eigenaars in ruil een papieren ontvangstbewijs te geven, dat vrij inwisselbaar was.

De volgende drie eeuwen zouden geldbiljetten wijdverspreid raken, al bleef er aan het drukken van geld een belangrijke beperking hangen. Het papieren geld moest gedekt zijn door goud. In de praktijk betekende dit dat tegenover elk nieuw bankbiljet een proportioneel goudklompje stond.

In 1971 schafte toenmalig Amerikaans president Richard Nixon die zogenaamde gouden standaard af. Vanaf dat moment hoefden er tegenover papieren geldbiljetten geen fysieke activa meer te staan. Een direct gevolg was dat de waarde van een biljet sindsdien volledig wordt gedragen door vertrouwen. Het geld dat door banken wordt gecreëerd en uitgeleend, wordt gedragen door de belofte om het terug te betalen en het vertrouwen dat dit effectief zal gebeuren. Om die reden spreken we ook van ‘fiat’-geld, waarbij ‘fiat’ synoniem is aan ‘vertrouwen’. Dat vertrouwen betekent niet dat er nu naar hartenlust geldbiljetten kunnen worden gedrukt. Integendeel, om het vertrouwen te handhaven is het cruciaal dat over die geldhoeveelheid wordt gewaakt.

Een belangrijk risico bij een te snel groeiende geldhoeveelheid is immers dat het geld zijn waarde verliest. Hoe meer geld in omloop, hoe minder het waard is. Die geldontwaarding of inflatie zorgt ervoor dat u met hetzelfde bankbiljet almaar minder kunt kopen. Onder geldhoeveelheid wordt trouwens veel meer verstaan dan geldbiljetten alleen: ook het ‘digitaal’ geld dat op rekeningen staat, wordt tot de geldhoeveelheid gerekend. Net zoals geld in geldmarktfondsen, kortlopende deposito’s (termijnrekeningen, kasbons...) of kortlopend schuldpapier.

De controle op die geldhoeveelheid gebeurt door de centrale bank. Alle landen met een eigen munt of muntunie beschikken over een dergelijke bank. In de VS is dat de Federal Reserve. In ons land was dat tot 1999 de Nationale Bank van België (NBB), maar sinds de creatie van de euro in 1999 is dat de Europese Centrale Bank (ECB).

Het belangrijkste instrument voor centrale banken om de geldhoeveelheid onder controle te houden is het rentetarief dat ze maandelijks bepalen. Tegen dat tarief kunnen commerciële banken bij die centrale bank ontlenen en daardoor is het ook richtinggevend voor de rentetarieven die commerciële banken aan particulieren of bedrijven aanrekenen.

Tovertruc

Dat laatste is belangrijk, want het zijn effectief de commerciële banken die geld creëren door leningen te verschaffen aan particulieren en bedrijven. Hoe lager de centrale bank dus het rentetarief zet, hoe goedkoper ze het krediet maakt, en dus hoe meer er bij banken geleend wordt. Anders gezegd: hoe lager de rente, hoe meer geld er wordt gecreëerd.

Ook de geldmultiplicator speelt een rol in de geldcreatie. Stel dat u 1.000 euro op een spaarboekje plaatst bij een bank, dan zal de bank een deel daarvan (bijvoorbeeld 100 euro) verplicht opzijzetten als reserve. De overige 900 euro gebruikt de bankier om kredieten te verschaffen. Die 900 euro wordt gebruikt voor consumptie en investeringen, en komt op een andere bankrekening terecht. De bank zal van die 900 euro opnieuw 10 procent als reserve aanhouden, maar de overige 810 euro kan ze opnieuw uitlenen. Die tovertruc gaat maar voort en betekent dat uw 1.000 euro die u op een spaarboekje bij een bank aanhoudt, uiteindelijk kan resulteren in een veelvoud van dat bedrag dat over verschillende banken en bij verschillende personen verspreid zit.

Die geldmultiplicator vereist veel vertrouwen van de spaarders. Zij moeten er op elk moment op vertrouwen dat ze hun geld kunnen opvragen en dat hun spaargeld hun eigendom is. Als het vertrouwen in die bank een deuk krijgt, vormt dat een bedreiging voor het hele banksysteem. Want als alle spaarders van één bank tegelijk hun centen opvragen, staat niet alleen die bank zelf voor voldongen feiten, ook alle andere banken dreigen meegesleurd te worden. Een ‘bank run’ is dan ook een nachtmerrie voor elke bank. De financiële crisis van 2008 heeft dat goed geïllustreerd.

Forse klappen

Omdat dat cruciale vertrouwen in het banksysteem in 2008 forse klappen kreeg, besliste Europa om de depositogarantie in alle landen uit te breiden. Die garantie houdt in dat alle deposito’s bij een bank - de gezamenlijke tegoeden op een zichtrekening, spaarboekje, termijnrekening en kasbons op naam - gegarandeerd worden door de overheid voor 100.000 euro per persoon en per bank. Stel dat een bank niet in staat is uw spaargeld terug te geven, dan stelt de overheid zich garant voor 100.000 euro. De depositogarantie is dus in de eerste plaats bedoeld om het vertrouwen in het banksysteem ook in crisistijden staande te houden.

Een belangrijke vraag die heel wat spaarders bezighoudt, is echter wat die depositogarantie waard is. Kunnen de in geldnood verkerende overheden wel optreden als een grote bank failliet gaat? In België beschikte het Bijzonder Beschermingsfonds, dat gebruikt moet worden voor bankreddingen, in 2013 over een bedrag van 2,1 miljard euro. In vergelijking met de bijna 250 miljard euro die eind 2013 alleen al op spaarboekjes vertoeft, is dat bedrag verre van toereikend om bijvoorbeeld een grootbank te redden.

Toch bestaan er alternatieven. Zo kan de overheid waarborgen uitschrijven, of beslissen om de bank te nationaliseren, zoals het geval was met Dexia.

Intussen maakt Europa volop werk van een mechanisme voor het ontmantelen van probleembanken en wil het ook een door de sector gespekt resolutie- of bankenfonds. Daarmee wil Europa voorkomen dat de factuur van een bankencrisis nog langer bij de belastingbetaler terechtkomt. Dat plan wil de Belgische regering nu versneld doorduwen, maar de kans dat het er snel komt is verre van zeker.

Voor spaarders betekent het voorlopig verder dat spaargeld veilig is bij de bank als aan één belangrijke voorwaarde is voldaan: beperk uw spaartegoeden op een zichtrekening, spaarboekje, termijnrekening en kasbon tot 100.000 euro per bank en per persoon.

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud