Netto Het antwoord op al uw geldvragen

Zo vermijdt u de hogere belasting op de liquidatiebonus

Vanaf 1 oktober 2014 wordt de roerende voorheffing op de zogenaamde liquidatiebonus opgetrokken van 10 tot25 procent. Althans, zo luidt het officieel. In werkelijkheid moeten ondernemers die de hogere belasting willen vermijden al veel eerder actie ondernemen.
©Pieter Van eenoge

Tot 2002 zat een ondernemer op rozen als hij zijn bedrijf verkocht en er na de betaling van alle schulden nog een positief saldo overbleef. Tot dan kon hij dat saldo of de liquidatiebonus onbelast aan zichzelf uitkeren. Restte er na de betaling van alle schuldeisers een positief saldo van 100.000 euro, dan kon de aandeelhouder van dat bedrijf, vaak de oprichter en de zaakvoerder, die 100.000 euro onbelast aan zichzelf uitkeren.

Maar daarin is verandering gekomen: sinds 2002 is op de zogenaamde liquidatiebonus een roerende voorheffing verschuldigd van 10 procent. En vanaf 1 oktober 2014 wordt dat zelfs 25 procent.

Voor flink wat ondernemers, managers en beoefenaars van een vrij beroep is dat een streep door de rekening. Veel zelfstandige ondernemers hebben immers een spaarpotje in hun vennootschap opgebouwd in de hoop dat ze dat potje, na de liquidatie van hun bedrijf, tegen een fiscaal gunstig tarief van 10 procent aan zichzelf konden uit-keren.

1 oktober 2014

Alle liquidatiebonussen die vanaf 1 oktober 2014 worden overgeboekt van de vennootschap aan de aandeelhouders zullen worden belast tegen 25 procent. Een liquidatiebonus veronderstelt uiteraard dat de vennootschap wordt geliquideerd. Officieel heet het dat de vennootschap moet worden ontbonden en in vereffening gesteld. Een vereffenaar moet de activa verkopen, met de opbrengst daarvan de schuldeisers betalen en wat rest, uitkeren aan de aandeelhouders.

Om te bepalen welk tarief (10 of 25 procent) verschuldigd is, is de datum van betaling aan de aandeelhouders cruciaal. Gebeurt de betaling vóór 1 oktober 2014, dan geldt nog het oude tarief van 10 procent. Gebeurt ze nadien, dan is er een belasting van 25 procent verschuldigd. De datum van betaling is het doorslaggevende criterium. Het is niet zo dat het bedrijf al op 1 oktober 2014 volledig moet zijn vereffend.

Strikte overgangsregeling

Om de pil wat te verzachten werkte de regering wel een overgangsregeling uit: aandeelhouders kunnen, ook bij uitkeringen na 1 oktober 2014, nog een lager tarief van 10 procent genieten als ze een aantal voorwaarden in acht nemen. Maar die zijn zo strikt dat veel vennootschappen uit de boot vallen en geen gebruik kunnen maken van die overgangsregeling.

Hoe ziet die overgangsregeling eruit? Wie wat ouder is en toch nog actief wil blijven als ondernemer, is niet verplicht om zijn vennootschap voor 1 oktober 2014 te ontbinden en te vereffenen om het lagere tarief van 10 procent te genieten. Die ondernemer kan zijn vennootschap behouden en het lagere tarief van 10 procent blijven genieten op voorwaarde dat hij een deel van het belaste resultaat van zijn vennootschap omzet in kapitaal.

Voorbeeld

Jan heeft een vennootschap die 2012 afsloot met een belaste winst van 100.000 euro. Jan kan beslissen om dat bedrag niet te innen en in de vennootschap te laten. Als de vennootschap van Jan op die 100.000 euro winst nu meteen 10 procent belasting betaalt, kan de vennootschap het saldo nadien zonder enige belasting uitkeren aan Jan bij een liquidatie of kapitaalvermindering. In plaats van de winst nu uit te keren, blijft ze in de vennootschap om het kapitaal te versterken. Er wordt dus een kapitaalverhoging doorgevoerd die onvermijdelijk via een notaris moet gebeuren. Concreet zal de vennootschap dan een kapitaalverhoging doorvoeren van (100.000 euro - 10% roerende voorheffing = 10.000 euro of) 90.000 euro.

Maar dan komt het: de wetgever bouwde zoveel voorwaarden in dat het opletten geblazen is als u van de overgangsregeling nog gebruik wilt maken.

1. De reservesmoeten al op 31 maart 2013 zijn goedgekeurd

• De omzetting van belaste winsten of beschikbare reserves in kapitaal mag alleen gebeuren met reserves die op uiterlijk 31 maart 2013 zijn goedgekeurd door de algemene vergadering van de vennootschap. Door die beperking zal het overgrote deel van de vennootschappen waarvan het boekjaar samenvalt met het kalenderjaar de belaste winsten over 2012 niet langer kunnen incorporeren in het kapitaal, en alleen die winsten en reserves die bestonden op 31 december 2011.

• Bovendien moeten de aandeelhouders ook tijdig stappen ondernemen om de kapitaalverhoging voor een notaris te formaliseren. De opname in het kapitaal moet immers gebeuren tijdens het laatste belastbare tijdperk dat afsluit vóór 1 oktober 2014. Concreet: als het boekjaar samenvalt met een kalenderjaar moet de kapitaalverhoging uiterlijk op 31 december 2013 gebeuren. Ondernemers mogen dus niet wachten tot begin of midden 2014. Want dan is het te laat. In die zin is de datum van 1 oktober 2014 misleidend.

2. De winsten of reserves moeten nog minstens 4 of 8 jaar in de vennootschap blijven

Aandeelhouders die overwegen om de belaste winsten of reserves in het kapitaal van de vennootschap te incorporeren en die niet te incasseren, moeten voldoende zeker zijn dat ze dat geld ook lang genoeg kunnen missen. Kmo’s moeten het geïncorporeerd kapitaal minimaal 4 jaar in de vennootschap houden. Grote ondernemingen (alle bedrijven met minstens 100 werknemers), zelfs dubbel zo lang: 8 jaar.

‘Bovendien is een inbreng in het kapitaal niet zo onschuldig als het lijkt’, zegt advocaat Stefaan Deckmyn van Loyens & Loeff. ‘De 90.000 euro die een ondernemer nu in zijn vennootschap laat, kan door de inflatie over vijf jaar minder waard zijn. Nu kan hij wellicht meer met die 90.000 euro kopen dan in 2019 of 2020.’

3. Er mag niet worden geraakt aan de dividendpolitiek

Ten slotte mogen de vennootschappen hun dividendpolitiek ook niet veranderen in het jaar waarin het kapitaal wordt geïncorporeerd. In het jaar waarin de kapitaalverhoging wordt doorgevoerd, moet de dividendpolitiek in lijn zijn met die van de vijf voorgaande jaren. Stel dat de vennootschap de aandeelhouders de jongste vijf jaar gemiddeld 10 procent van de winst heeft uitgekeerd, dan moet ze dat ook dit jaar doen.

De regering vreest blijkbaar dat heel wat ondernemers zichzelf dit jaar geen dividend zullen uitkeren en dat geld langer in de vennootschap zullen laten in ruil voor een belasting van ‘slechts’ 10 procent. Wie dus van de overgangsregeling gebruik wil maken, moet er niet alleen snel bij zijn. Hij of zij zal ook goed moeten overwegen of hij het kapitaal dat hij in de vennootschap laat wel voor minstens vijf jaar kan missen.

Bovendien is het maar de vraag of de huidige regeling zal standhouden: niemand kan garanderen dat de budgettaire situatie in ons land tegen 2019 geen nieuwe besparingsmaatregelen zal vereisen. Het risico bestaat dat de huidige regeling tegen dan weer wordt aangepast en dat de dividenduitkeringen, zelfs als u nu aan alle voorwaarden voldoet om het tarief van 10 procent te genieten, toch weer worden belast.

Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud