Netto Het antwoord op al uw geldvragen

Hoe de nieuwe vennootschapswet uw bedrijf raakt

Al aan nieuw briefpapier voor uw bvba gedacht? Vanaf 1 januari 2020 is uw vennootschap niet langer een bvba maar een bv. De juiste vennootschapsvorm vermelden is maar een van de ‘dwingende bepalingen’ uit de nieuwe vennootschapswet die automatisch gelden voor uw bedrijf.
©Filip Ysenbaert

Op 1 mei van dit jaar werd de nieuwe vennootschapswetgeving van kracht. Vennootschappen die na die datum zijn opgericht, vielen meteen onder de nieuwe wet. Voor vennootschappen, verenigingen en stichtingen die van voor 1 mei 2019 bestaan, treedt het nieuwe Wetboek Vennootschappen en Verenigingen (WVV) op 1 januari 2020 in werking.

Het WVV heeft stevig gewied in het aantal vennootschapsvormen en heeft er vier overgehouden: de besloten vennootschap (bv), de coöperatieve vennootschap (cv), de naamloze vennootschap (nv) en de maatschap, met de vereniging onder firma (vof) en de commanditaire vennootschap (CommV) als twee varianten. De hr-dienstverlener Acerta stelt vast dat liefst 80 procent van de ondernemingen de huidige vennootschapsvorm ziet verdwijnen.

‘Dat het er zoveel zijn, komt door de bvba,’ zegt Nathalie de Groot, juridisch adviseur van Acerta. ‘Dat is de populairste vennootschapsvorm in België. Dat die door de bv wordt vervangen, impliceert dus voor veel ondernemingen een aanpassing.’

80%
ondernemingen
Liefst 80 procent van de ondernemingen zien hun huidige vennootschapsvorm verdwijnen in januari.

Het is niet omdat de wet begin volgend jaar ook op uw onderneming van toepassing is - en dat bijvoorbeeld uw bvba een bv wordt- dat u meteen de administratieve molen moet laten draaien. U kunt gerust nog even verder met de oude statuten van uw vennootschap, want die moeten pas tegen 1 januari 2024 helemaal afgestemd zijn op de nieuwe wetgeving.

‘We stellen vast dat een klein aantal bvba’s nu al de statuten heeft gewijzigd om in regel te zijn met het WVV,’ zegt de Groot. ‘Maar het merendeel lijkt toch te wachten om kosten te besparen. Met elke statutenwijziging gaan griffie- en notariskosten gepaard.’

Let wel: als u tussen 2020 en 2024 om eender welke reden een statutenwijziging doorvoert (bijvoorbeeld vanwege de aantreding van een nieuwe bestuurder of de verhuizing van de maatschappelijke zetel), bent u verplicht alle andere bepalingen van uw statuten te laten aanpassen aan de nieuwe regels uit het WVV.

Wat op 1 januari 2020 sowieso op u afkomt, zijn de zogenaamde dwingende bepalingen van het WVV. Van die bepalingen kunt u in de statuten niet afwijken. Naar een exhaustieve lijst ervan hoeft u niet te zoeken, want die bestaat niet. Noch in het WVV, noch in de wet tot invoering van het WVV is een duidelijke opsomming van de dwingende bepalingen te vinden.

Dat hoeft geen groot probleem te zijn. De meeste bepalingen in het WVV zijn ‘defaultregels’. Die worden alleen van kracht als erover niets anders in de statuten staat. Het zijn dus regels waar u in de statuten van mag afwijken. In de wet komt dan ook vaak de zinsnede ‘tenzij de statuten anders bepalen’ voor.

De bepalingen waar u voor uw vennootschap niet omheen kunt en die per 1 januari dwingend van toepassing zijn, gaan gepaard met de vermelding ‘niettegenstaande andersluidende statutaire bepalingen’. We halen er voor u zeven dwingende bepalingen uit die met ingang van het nieuwe jaar een belangrijke impact op uw vennootschap hebben.

1. Vermeld de juiste benaming van uw vennootschap

De nieuwe benamingen van de vennootschapsvormen en hun afkortingen gelden vanaf begin 2020. De term bvba zal tot het verleden behoren, omdat die vennootschapsvorm automatisch in een bv verandert. Voor die aanpassing is nog niet meteen een statutenwijziging nodig. Maar u past het best de naam aan op alle documenten die van de vennootschap uitgaan.

‘Strikt genomen is het het beste om overal al de naamsverandering aan te brengen, zowel op facturen als op bedrijfswagens,’ zegt de Groot. ‘Maar als dat niet onmiddellijk gebeurt, staan daar geen boetes op. Het is in ieder geval het beste om er rekening mee te houden bij de volgende bestelling van briefpapier.’

2. Uw bv verliest zijn kapitaal

Onder de nieuwe wetgeving is voor de oprichting van een bv geen maatschappelijk kapitaal meer nodig, zoals wel het geval was voor de bvba. De oprichter moet wel zeker zijn dat er een ‘toereikend aanvangsvermogen’ is. Dat kan zowel in de vorm van kapitaal en leningen als via een inbreng in natura en van knowhow.

Voor de bestaande bv’s en cv’s heeft dat als gevolg dat het kapitaal en de wettelijke reserve worden omgezet in een statutair onbeschikbare eigen vermogensrekening. Voortaan zal geen sprake meer zijn van een kapitaalvermindering maar van een uitkering van eigen vermogen aan de aandeelhouders. Voor zo’n uitkering moet een statutenwijziging gebeuren.

Dat een bv zonder maatschappelijk kapitaal wordt opgericht, betekent niet dat u financieel uw zaken niet op een rijtje moet hebben. Bij de oprichting moet er een goed uitgewerkt financieel plan liggen volgens een vast format. Het plan moet tegemoetkomen aan enkele door de wet vastgestelde criteria.

In lijn met de huidige regeling moeten ondernemers een schatting van de inkomsten en de uitgaven van hun bedrijf maken voor een periode van minstens twee jaar na de oprichting. Bovendien moet een plan op tafel liggen dat duidelijk maakt hoe de schulden de eerste twee jaar betaald worden. Het belang van het financieel plan wordt door de nieuwe wetgeving nog aangescherpt.

3. Hou rekening met de nieuwe vereisten bij een dividenduitkering

Het zal ook niet langer zomaar mogelijk zijn via dividenduitkeringen geld uit de vennootschap te halen. Een dividend kan alleen als de solvabiliteit én de liquiditeitspositie van de onderneming dat toelaten. Dat betekent dat u alleen een dividend kunt uitkeren als het nettoactief (de activa min de schulden) niet negatief wordt (of dreigt te worden) én als de vennootschap alle opeisbare schulden van de komende twaalf maanden kan betalen.

Onder de oude wetgeving was het dus een stuk eenvoudiger om een dividend uit te keren. Toen moest u alleen garanderen dat het nettoactief niet onder het maatschappelijk kapitaal zakte.

De nieuwe vereiste van een liquiditeitstest kan tot moeilijke evenwichtsoefeningen leiden. De bv mag pas middelen uitkeren nadat ‘het bestuursorgaan heeft vastgesteld dat de vennootschap, volgens de redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen, na de uitkering in staat blijft haar schulden te voldoen naarmate die opeisbaar worden over een periode van ten minste twaalf maanden vanaf de datum van de uitkering’. Het bestuursorgaan draagt een grote verantwoordelijkheid bij de liquiditeitstest. Dat moet op basis van de cashflow, toekomstige investeringen en verwachtingen concluderen of het verantwoord is uitkeringen te doen.

4. Bestuurdersaansprakelijkheid wordt begrensd

De nieuwe vennootschapswet begrenst de aansprakelijkheid van bestuurders. Het bedrag waarvoor ze aansprakelijk kunnen worden gesteld, is afhankelijk van de grootte van de onderneming. De grensbedragen liggen tussen 125.000 en 12 miljoen euro. Voordien was de bestuurder onbeperkt aansprakelijk met zijn persoonlijk vermogen.

De begrenzing is er wel alleen voor een ‘toevallige lichte fout’. Voor herhaaldelijke lichte fouten en grove fouten is er geen begrenzing. Hetzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van bedrieglijk opzet of van onbetaalde sociale bijdragen, btw en bedrijfsvoorheffing.

5. Bestuurders en directie mogen geen arbeidsovereenkomst meer hebben

Voor bestuurders was het vaak aantrekkelijker om hun mandaat als werknemer van hun vennootschap uit te oefenen. Dat bood hen een betere bescherming op sociaalrechtelijk vlak.

Het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen stipuleert dat bestuurders en leden van de directie- en toezichtsraad in een bv, cv of nv hun functie nog alleen met een zelfstandigenstatuut mogen uitoefenen.

Voor een bestuurder in een nv bestaat die mogelijkheid sowieso niet, maar de rechtspraak en rechtsleer hadden er in bepaalde gevallen geen moeite mee dat zaakvoerders van een bvba als werknemer tewerkgesteld werden.

6. Wees op uw hoede bij een belangenconflict

Bij een belangenconflict mocht u onder de oude vennootschapswetgeving deelnemen aan de beraadslaging en de stemming. Zo’n conflict ontstaat als een beslissing moet worden genomen waarbij zowel u privé als uw bvba een belang heeft. Denk aan een leningscontract of een huurcontract met uw bvba.

‘Als de dwingende bepalingen van het WVV op 1 januari 2020 van kracht worden, zult u bij een belangenconflict niet meer aan de beraadslaging en de stemming kunnen deelnemen,’ zegt Philippe Mulliez van het advocatenkantoor Eubelius. ‘Als alle bestuurders bij het conflict betrokken zijn, moet de beslissing worden voorgelegd aan de algemene vergadering. Als u de enige aandeelhouder bent, kunt u zelf de beslissing nemen. Die aangescherpte regels gelden niet alleen voor de nv en de bv, maar ook voor de cv, de vzw en de stichting.’

7. Pas de samenstelling van de raad van bestuur indien nodig aan

Vanaf 1 januari 2020 kunt u in de raad niet langer zetelen als fysieke persoon en daarnaast als de vaste vertegenwoordiger van een vennootschap die ook bestuurder zou zijn. ‘Die oplossing die je vaak in kleinere ondernemingen zag, is niet langer mogelijk. De vraag is wat de gevolgen zullen zijn,’ zegt Mulliez. ‘Wat gebeurt bijvoorbeeld als de samenstelling van de raad van bestuur verkeerd is, als die beslist een onroerend goed te kopen? Is die beslissing dan niet geldig?’

Heel wat vennootschappen zullen de samenstelling van hun raad van bestuur moeten aanpassen. Bovendien bent u vanaf 1 januari ook verplicht een vaste vertegenwoordiger aan te duiden als een vennootschap het dagelijks bestuur waarneemt. Voorheen was dat niet het geval.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud