netto

Hoe wordt mijn aanvullend pensioen belast?

©ANP

Nogal wat werknemers kunnen het aanvullend pensioen of de tweede pijler opnemen voor de leeftijd van 65 jaar. Fiscaal is dat soms wel een afknapper. Hoe jonger u namelijk bent wanneer u de pensioenspaarpot opneemt die u hebt opgebouwd bij uw werkgever, hoe zwaarder u wordt belast.

De manier waarop het aanvullend pensioen wordt belast, zou een eenvoudig verhaal moeten zijn. Sinds 2016 is het immers niet langer mogelijk om het aanvullend pensioen op te vragen vóór u uw wettelijk pensioen opneemt. De wettelijke pensioenleeftijd wordt vanaf februari 2025 opgetrokken naar 66 jaar, maar ligt nu nog op 65 jaar.

Bij de uitkering van het aanvullend pensioen op 65 jaar wordt die spaarpot belast tegen een voordelig belastingtarief van 10 procent, op voorwaarde dat u de drie jaren die de wettelijke pensioenleeftijd voorafgaan effectief een professionele activiteit hebt uitgeoefend.

Het voordelige tarief van 10 procent is dan van toepassing op het overgrote deel van uw aanvullend pensioen, namelijk op het deel dat met werkgeversbijdragen is opgebouwd én op het deel waarvoor u zelf sinds 1 januari 1993 hebt gespaard door afhoudingen op uw loon. Op het deel dat u voor 1 januari 1993 spaarde, betaalt u 16,5 procent.

Daarmee is de kous af, althans in theorie. In werkelijkheid ziet het plaatje er toch iets ingewikkelder uit.

1. Wat als ik met vervroegd pensioen ga?

Het is vandaag nog altijd mogelijk om met vervroegd pensioen te gaan. In 2018 kan het vanaf de leeftijd van 63 jaar op voorwaarde dat u er een loopbaan van 41 jaar op hebt zitten. Werknemers met een lange loopbaan kunnen zelfs met vervroegd pensioen vanaf 60 jaar en als ze 43 jaar op de teller hebben staan. Idem voor wie dit jaar 61 wordt en 42 jaar heeft gewerkt.

Gaat u met vervroegd pensioen, dan moet u het aanvullend pensioen opnemen. U hebt geen andere keuze. U kunt het bedrag niet bij de werkgever laten staan in de hoop dat het nog extra opbrengt.

Als u met vervroegd pensioen gaat en als het kapitaal van een groepsverzekering of pensioenspaarfonds wordt uitgekeerd voor uw 65ste, betaalt u daarop 16,5 procent belastingen. Bovendien bent u gemeentebelastingen verschuldigd, waardoor het totale belastingtarief op gemiddeld 16,6 procent komt. Op het deel van de pensioenspaarpot dat gefinancierd werd met uw eigen bijdragen, betaalt u dezelfde tarieven als wanneer u zou werken tot 65 jaar.

2. Wat als ik een ‘oudere’ werknemer ben?

Behalve werknemers die met vervroegd pensioen kunnen, zijn er nog personen die het aanvullend pensioen voor de leeftijd van 65 jaar kunnen opvragen. De sociale partners dokterden immers overgangsmaatregelen uit voor ‘oudere’ werknemers, onder meer personeelsleden die op 31 december 2016 al 58 jaar of ouder waren (zie tabel).

Deze werknemers waren misschien al van plan om het aanvullend pensioen voor hun pensionering op te nemen en mochten er ook altijd op vertrouwen dat dit mogelijk zou zijn. Ook voor hen blijft het mogelijk om de aanvullende spaarpot op te nemen vóór de wettelijke pensioenleeftijd van 65. Fiscaal wordt die mogelijkheid - het is geen verplichting – wel zwaarder afgestraft dan voor de werknemers die met vervroegd pensioen gaan.

Wie op 31 december 2016 al 58 was en het aanvullend pensioen opneemt op zijn 60ste, betaalt dan het hoogste tarief van 20 procent (inclusief gemeentebelastingen komt dat neer op gemiddeld 20,19 procent). Wacht diezelfde persoon tot de leeftijd van 61, dan wordt het aanvullend pensioenkapitaal belast tegen 18 procent. Vanaf de leeftijd van 62 jaar gelden dezelfde tarieven als voor iemand die vervroegd met pensioen gaat: 16,5 procent.

WERKNEMERS DIE HET AANVULLEND PENSIOEN ALSNOG KUNNEN OPVRAGEN VOOR DE LEEFTIJD VAN 65 JAAR OMDAT ZE OP 31 DECEMBER 2016 AL EEN BEPAALDE LEEFTIJD HADDEN

 

Leeftijd op 31 december 2016     Leeftijd vervroegde opname

58 of ouder                                                         60

57                                                                          61

56                                                                          62

55                                                                          63

Bron: Claeys & Engels

 

 

3. Wat als ik in het stelsel van ‘werkloosheid met bedrijfstoeslag’ zit, het vroegere brugpensioen?

Eenzelfde redenering geldt voor werknemers die in het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag (SWT, het vroegere brugpensioen) zitten. SWT’ers kunnen in principe pas op hun 65ste met pensioen, maar ook zij kunnen een beroep doen op de hierboven vermelde overgangsmaatregelen. De keerzijde van de medaille is alweer dat het kapitaal uit de groepsverzekering of het pensioenfonds zwaarder wordt belast.

Voor de SWT’ers rees nog een bijkomend probleem: als ze namelijk wachten tot hun 65ste om het kapitaal van een groepsverzekering op te nemen, zullen ze niet kunnen bewijzen dat ze de drie voorgaande jaren ‘effectief actief’ zijn geweest. Dat is nochtans een voorwaarde om het voordelige tarief van 10 procent te genieten.

Daarom besloot de fiscus om de periode in SWT gelijk te stellen met een ‘effectief actieve periode’, ‘voor zover de SWT’er aangepast beschikbaar blijft volgens de werkloosheidsreglementering’.

Dat uitgangspunt leidde tot veel praktische vragen. Daarom maakt de fiscus nu een onderscheid tussen bestaande en nieuwe werklozen in SWT.

• De werklozen die sinds 1 januari 2015 in SWT zijn, zijn in principe verplicht om zich ‘aangepast beschikbaar te houden voor de arbeidsmarkt’ tot de maand waarin zij de pensioenleeftijd bereiken. Zij kunnen nog altijd het tarief van 10 procent genieten als ze het pensioenkapitaal op 65 jaar opnemen. Als ze echter een vrijstelling van aangepaste beschikbaarheid hebben aangevraagd en die ook hebben gekregen, worden ze niet langer beschouwd als ‘effectief actief’. In dat geval kunnen ze het voordeeltarief van 10 procent niet genieten.

• De bestaande werklozen in SWT op 31 december 2014 zijn sowieso niet verplicht om zich beschikbaar te houden voor de arbeidsmarkt. Zij zijn niet effectief actief en kunnen dus niet het tarief van 10 procent genieten.

Welk tarief is dan wel verschuldigd? ‘Als deze SWT’ers het aanvullend pensioen opnemen bij hun pensionering, zal het deel dat is opgebouwd met werkgeversbijdragen belastbaar zijn tegen een aanslagvoet van 16,5 procent’, aldus Francis Adyns, de woordvoerder van de Federale Overheidsdienst Financiën. ‘Als zij het aanvullend pensioen opnemen op hun 60ste en níét bij hun pensionering, zal het deel dat bestaat uit bijdragen van de werkgever belast worden tegen 20 procent, op hun 61ste tegen 18 procent en vanaf hun 62ste tegen 16,5 procent.’ (alle tarieven zonder gemeentebelastingen)

BELASTINGEN OP UW PENSIOENKAPITAAL

De staat roomt taksen af van uw opgebouwde pensioenkapitaal. Concreet zijn er drie afhoudingen:

· RIZIV-afhouding van 3,55 procent van het kapitaal.

· Solidariteitsbijdrage. Die bedraagt, afhankelijk van het gespaarde kapitaal, tussen 0 en 2 procent.

· Bedrijfsvoorheffing. Dat is een voorschot op de inkomstenbelastingen die u verschuldigd bent. De verzekeraar is verplicht om de bedrijfsvoorheffing bij de uitkering van het kapitaal af te houden. U bent echter wel nog de aanvullende gemeentetaks verschuldigd, zodat de werkelijke tarieven ietwat hoger liggen.

 

 

HOEVEEL BEDRIJFSVOORHEFFING GAAT ER VAN MIJN PENSIOENKAPITAAL?

                             Niet-wettelijk gepensioneerd            (Vervroegd) met pensioen

60 jaar                                  20,19 procent                              16,66 procent

61 jaar                                  18,17 procent                              16,66 procent

62 tot 64 jaar                        16,66 procent                               16,66 procent

65 jaar                                  10,09 procent*                             10,09 procent*

(tarief inclusief gemeentebelastingen)

*Indien effectief actief tot de wettelijke pensioenleeftijd, anders 16,66 procent.

Opgelet: voor het gedeelte van het pensioenkapitaal dat is opgebouwd met uw persoonlijke bijdragen geldt het volgende tarief:

· Een bedrijfsvoorheffing van 16,66 procent op het kapitaal dat door persoonlijke bijdragen werd gespaard voor 1 januari 1993.

· Een bedrijfsvoorheffing van 10,09 procent op het kapitaal dat door persoonlijke stortingen werd gespaard na 1 januari 1993.

 

 

Wat als ik het aanvullend pensioen laat uitkeren in de vorm van een rente?

Het aanvullend pensioen laten uitkeren in de vorm van een rente valt meestal niet in de smaak. Als u kort na uw pensionering overlijdt, dreigen uw erfgenamen immers met lege handen achter te blijven. Ook fiscaal is de uitkering van een rente niet interessant.

In dat geval zijn er twee mogelijkheden:

· Als het pensioenplan voorziet in de uitkering van een rente in plaats van een kapitaal, wordt het uitgekeerde bedrag belast volgens de progressieve belastingvoet van de personenbelasting. Als u al een hoog wettelijk pensioen geniet, kan het belastingtarief hoog oplopen, zeker als u ook nog andere inkomsten - zoals huurgelden - zou innen.

· Zelfs als u het pensioenkapitaal in één keer opneemt, kunt u er nadien soms nog voor kiezen om het kapitaal - volledig of gedeeltelijk - om te zetten in een maandelijkse rente. In dat geval moet u elk jaar 3 procent van het netto afgestane kapitaal aangeven in uw belastingaangifte als roerende inkomsten. De rente wordt dan belast tegen 30 procent, nog te verhogen met gemeentebelastingen.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect