Netto Het antwoord op al uw geldvragen

Nieuwe stortingen in groepsverzekering renderen amper

Ook volgend jaar moeten werkgevers op stortingen in een groepsverzekering de minimale rentevoet van 1,75 procent garanderen. Daarmee zien werknemers het rendement op bijdragen voor een aanvullend pensioen uitgehold worden.
©Filip Ysenbaert

Voor de vakbonden was het dinsdag verzamelen geblazen in Brussel om te betogen voor een leefbaar pensioen, een pensioen dat het mogelijk maakt om ‘na lang werken comfortabel verder te leven’. De vakbonden vrezen dat veel werknemers zullen moeten rondkomen met een karig pensioentje. Hoewel de inspanningen van de federale regering erop gericht zijn de wettelijke pensioenen voor een toenemend aantal senioren te waarborgen, is het duidelijk dat u zich over het pensioenbedrag niet veel illusies moet maken. Iedereen kan op de website mypension.be nagaan wat hij van die eerste pijler mag verwachten, althans als hij tot aan de wettelijke pensioenleeftijd blijft werken. Een blik op dat bedrag geeft weinig reden tot juichen.

Werkgever kijkt bang uit naar hoogte van rendement

Voor de werkgevers is het bang afwachten welk rendement de pensioeninstellingen zullen bieden op de kapitalen die ze hen toevertrouwen. Halen de verzekeraars en de pensioenfondsen geen rendement van 1,75 procent, dan moet de werkgever het verschil nog altijd bijpassen. ‘Het basisrendement dat de verzekeraars bieden, draait nu rond 0,75 procent. Dat kan aangevuld worden met een deelname in de winst. Naar eigen zeggen proberen de verzekeraars een totaalrendement te halen dat elk jaar zo goed mogelijk de rendementsverplcihting van de werkgever benadert.

In vergelijking met de groepsverzekeringen doen de pensioenfondsen het beter. Volgens berekeningen van de Belgische Vereniging van Pensioeninstellingen behaalden de pensioenfondsen sinds 1985 en tot juni 2017 een gemiddeld rendement van 4,72 procent. Dat is het reële rendement rekening houdende met de inflatie. Die hogere rendementen betekenen niet dat de werknemer meer krijgt. Alles blijft in de pensioenfondsen zitten om eventuele tegenslagen op te vangen.

Fondsen investeren de toevertrouwde spaarsommen voor een deel in risicovollere producten zoals aandelen. Maar dat mag geen reden zijn tot ongerustheid. Uit een Europese stresstest blijkt dat de Belgische pensioenfondsen goed standhouden onder uitdagende economische omstandigheden, zoals een daling van de aandelenkoersen.

Wie na zijn pensionering effectief comfortabel wil leven, is aangewezen op een aanvullend inkomen. Daarom zet de federale regering volop in op de aanvullende pensioenen. Die zijn al lang geen extraatje meer, maar pure noodzaak. Volgens de regering moet de tweede pijler worden veralgemeend, zodat zo veel mogelijk werknemers erop kunnen terugvallen. Daarnaast moet een deel van de marge voor eventuele loonsverhogingen voor de opbouw van een aanvullend pensioen worden gereserveerd.

Nu bouwen meer dan 3 miljoen Belgen een tweede pensioenpijler op, hetzij via een groepsverzekering, hetzij via een pensioenfonds. De verzekeraars beheren daartoe zo’n 60 miljard euro, de pensioenfondsen 30 miljard.

Helaas is de Belg ‘pensioenongeletterd’. Velen schijnen nauwelijks te beseffen dat de stortingen voor de tweede pijler op dit ogenblik niet renderen. Een gevaar waar de verzekeringsmakelaar Aon in een recente studie op wijst.

1. Waarom is het rendement dat de werkgever moet bieden zo laag?

Sinds begin 2016 moet de werkgever op de stortingen in een pensioenplan een rendement waarborgen van 1,75 procent. Dat geldt voor bedragen die vorig en dit jaar zijn gestort. En dat blijft ook zo voor de stortingen die volgend jaar gebeuren.

Welk rendement de werkgever precies moet waarborgen wordt sinds 2016 elk jaar opnieuw bekeken, een gevolg van het akkoord dat de sociale partners in oktober 2015 afsloten ‘om de toekomst van de aanvullende pensioenen veilig te stellen’.

Dat akkoord was nodig. Het rendement dat de werkgevers (nog steeds !) moeten bieden op premies die voor eind 2015 zijn gestort, is niet vol te houden voor toekomstige stortingen.

Op de werkgeversbijdragen die gestort zijn tot 31 december 2015 moet uw baas 3,25 procent waarborgen. Op uw eigen bijdragen moet de werkgever zelfs 3,75 procent garanderen.

Zulke rendementen kunnen de verzekeraars al jaren niet meer bieden. Ze zijn immers verplicht om de hen toevertrouwde kapitalen op een veilige manier te beleggen. Veilige beleggingen brengen al jaren amper iets op. Het basisrendement dat de verzekeraars nu bieden bedraagt volgens Baloise circa 0,75 procent, volgens Aon slechts 0,25 procent.

Als men de ondernemingen voort had verplicht om minstens 3,25 (of 3,75 ) procent te waarborgen, hadden ze de tekorten zelf moeten bijpassen wat hen op termijn met torenhoge uitgaven zou opzadelen. Werkgevers stonden daarom alsmaar minder te springen om voor hun personeel in een aanvullend pensioen te voorzien.

Dat is de reden waarom sindsdien elk jaar een nieuwe rentevoet wordt vastgelegd op basis van de Belgische tienjarige rente, met een minimum van 1,75 en een maximum van 3,75 procent.

2. Tot wanneer moet u de jaarlijks te bepalen rentevoet ondergaan?

Het antwoord op die vraag hangt samen met het gegeven of uw aanvullend pensioen wordt opgebouwd via een tak21-groepsverzekering of via een pensioenfonds.

• Bij tak21-groepsverzekeringen geldt de rentevoet tot op het ogenblik dat u het aanvullend pensioen opneemt, althans als die extra spaarpot wordt opgebouwd via een verzekering waarbij de werkgever elk jaar een bepaald bedrag voor de opbouw van dat aanvullend pensioen stort (vaste bijdrageplannen).

Veronderstel dat de werkgever volgend jaar, net zoals de voorgaande jaren, 2.500 euro in de groepsverzekering stort, dan moet uw werkgever op die 2.500 euro 1,75 procent garanderen tot wanneer u met pensioen gaat, nu in principe tot de leeftijd van 65 jaar. Tot dan moet de werkgever 1,75 procent op de in 2018 gestorte 2.500 euro waarborgen.

• Als uw aanvullend pensioen wordt opgebouwd via een pensioenfonds of via een tak23-groepsverzekering, geldt het rendement van 1,75 procent slechts tot op het ogenblik dat de rentevoet stijgt.

©Mediafin

3. Op welke bedragen moet uw baas dat rendement bieden?

Even cruciaal om het rendement te berekenen is de vraag op welke bedragen precies die rentevoeten moeten worden toegepast. Ook daar is het antwoord afhankelijk van de vraag of uw aanvullend pensioen wordt opgebouwd via een tak21-verzekering of via een pensioenfonds.

• Bij tak21-groepsverzekeringen geldt de minimale rentevoet op stortingen die dat jaar worden gedaan. Is de minimumrentevoet voor 2018 vastgesteld op 1,75 en stort uw baas volgend jaar 2.500 euro in een groepsverzekering, dan moet hij 1,75 procent op 2.500 euro garanderen.

‘De premies die u al gestort had op 31 december 2015 blijven renderen tegen 3,25 procent ( stortingen van de werkgever) en tegen 3,75 procent (op uw eigen bijdragen) tot op het ogenblik dat u met pensioen gaat’, zegt Pascal Deferm, teammanager groepsverzekeringen bij Baloise.

• Wordt uw aanvullend pensioen opgebouwd via een pensioenfonds of via een tak23-groepsverzekering, dan geldt de logica van een spaarboekje. Dan is het best mogelijk dat het rendement van 1,75 procent geldt op het volledige al gespaarde bedrag, ook op de premies die al voor 31 december 2015 waren gestort.

Als de rentevoeten opnieuw stijgen, dan geniet uw volledige spaarpot van dat hogere rendement.

4. Wat zijn de gevolgen van de aanhoudend lage rentevoeten?

Als ondernemingen ook de volgende jaren niet meer waarborgen dan het wettelijk minimum van 1,75 procent, is de impact op uw eindkapitaal niet te onderschatten.

Om dat te illustreren lieten we een berekening maken, uitgaande van het pessimistische scenario dat werkgevers ook de volgende jaren slechts 1,75 procent moeten waarborgen (zie grafiek).

Wat als...

Wat als uw huidige pensioenplan loopt tot de leeftijd van 65 jaar, maar u, na 1 februari 2030, slechts op uw 67ste met pensioen kunt gaan? ‘Zolang u in dienst blijft bij uw werkgever, is hij verplicht de pensioentoezegging verder te laten lopen. Zelfs tot op het ogenblik dat u effectief met pensioen gaat, wat ook op de leeftijd van 70 kan zijn’, zegt Pascal Deferm, teamleider groepsverzekeringen bij Baloise.

Als u echter vóór de leeftijd van 65 jaar uit dienst treedt, bijvoorbeeld omdat u gewoon ophoudt te werken, dan hebt u het recht om de pensioentoezegging van uw werkgever te verlengen tot op het ogenblik dat u de wettelijke pensioenleeftijd bereikt. Noteer wel dat de werkgever dan slechts verplicht is een rendement op uw aanvullend pensioen te garanderen tot op het ogenblik dat u vertrekt en niet meer tot wanneer u het pensioen opneemt.

Scenario 1 is het resultaat als de werkgever tot de leeftijd van 67 jaar een rendement moet garanderen van 3,25 procent op zijn bijdragen en van 3,75 procent op uw eigen bijdragen. Dan heeft u aan het einde van de rit 226.341 euro.

Scenario 2 gaat uit van de hypothese dat de premies betaald tot eind 2015 verder 3,25 en 3,75 procent opbrengen, maar dat de jaarlijkse stortingen van 2.500 euro vanaf dan verder aangroeien tegen 1,75 procent tot aan de pensioenleeftijd van 67 jaar. Dat brengt een bedrag op van slechts 204.476 euro of een negatief verschil van 21.865 euro.

Om echter het reële rendement te berekenen moet u ook rekening houden met de inflatie. De gemiddelde inflatie in België bedraagt dit jaar 2,13 procent, een percentage dat hoger ligt dan het gewaarborgde rendement. Daarom alleen al wordt het rendement op stortingen in een pensioenplan uitgehold.

Daarenboven is de werkgever niet langer verplicht om 1,75 procent te waarborgen als u van werkgever zou veranderen. De werkgever moet die rentevoet maar waarborgen tot op het ogenblik dat u vertrekt. Vanaf dat moment valt de wettelijke rendementsgarantie die rust op de werkgever terug naar 0 procent. Bovendien zijn er op uw aanvullend pensioen ook nog belastingen verschuldigd.

5. Aan welk tarief wordt mijn aanvullend pensioen belast?

Hoewel de pensioenleeftijd geleidelijk wordt opgetrokken tot 67 jaar in 2030, morrelde de regering nog niet aan de tariefstructuur. Het uitgangspunt is dat u minder belastingen betaalt naarmate u langer wacht om het aanvullend pensioen op te nemen. En dat kan voor veel werknemers pas vanaf de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar. In dat geval ondergaat uw pensioenkapitaal drie afhoudingen:

1. Een ziekte- en invaliditeitsbijdrage van 3,55 procent op het totale brutokapitaal, ook op de winstdeelnemingen.

2. Een solidariteitsbijdrage van o tot 2 procent afhankelijk van de bijeen gespaarde som. Ook die bijdrage wordt in mindering gebracht van het totale brutokapitaal, ook op de winstdeelnemingen.

3. De bedrijfsvoorheffing of een voorschot op de inkomstenbelastingen. Dat percentage wordt toegepast op het pensioenkapitaal, na aftrek van de RIZIV- en de solidariteitsbijdrage.

Alleen al door de inflatie, gaat het rendement op de stortingen voor een aanvullend pensioen in rook op.

De bedrijfsvoorheffing wordt niet ingehouden op winstdeelnemingen.

Uw verzekeraar is verplicht om de bedrijfsvoorheffing bij de uitkering van het kapitaal af te houden. Bij de opname van uw pensioenkapitaal vanaf 65 jaar is het basistarief 10 procent (als u tot dan werkt), maar daar komen nog gemeentebelastingen bij zodat u mag rekenen op een afhouding van 10,09 procent.

Het enige lichtpuntje is dat u voor uw bijdragen in een pensioenplan een belastingvermindering geniet. Die bedraagt 30 procent van de door u gestorte premies.

6. Kan ik beslissen om niet meer mee te doen?

Neen. U zit als het ware gevangen vanaf het moment dat u tot het pensioenplan van uw werkgever bent toegetreden.

Lees verder

Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud