Mannen blijven in mama's nest, vrouwen vangen oma op

Meer dan een kwart van de 25- tot 29-jarigen woont nog bij zijn ouders. In de helft van de eenoudergezinnen zijn de inwonende kinderen volwassen. Het aantal bejaarden dat bij hun kinderen woont, neemt procentueel af. Toch ging het in 2015 nog om 135.000 65-plussers.

In 484.000 huishoudens in Vlaanderen wonen ouders samen met minstens één kind van 18 jaar of ouder, dat is 18 procent van de Vlaamse huishoudens waar kinderen nog thuis wonen of ouders bij hun kinderen zijn ingetrokken. Trekken we de grens op 25 jaar, dan gaat het om 210.000 gezinnen. Dat blijkt uit een analyse van het Rijksregister die onderzoekster Edith Lodewijckx van de Studiedienst van de Vlaamse Regering maakte.

Er zijn meer 'nestklevers' van 18 tot 24 jaar dan 20 jaar geleden. In 1995 woonden 397.000 jongvolwassenen van die leeftijd nog bij hun ouders in, in 2015 waren dat er 422.000. De groep nestklevers van 25 tot 29 jaar werd licht kleiner - 27 procent heeft op die leeftijd het ouderlijke huis nog niet verlaten. In Limburg, Vlaams-Brabant en de Kempen blijven duidelijk meer 25+'ers hangen dan in Oost- en West-Vlaanderen.

Wellicht is het wat overschat: soms woont zoon of dochter in de praktijk elders, maar blijft de domicilie tot nader order bij de ouders, waar men geregeld een weekend 'logeert'. De oudere twintigers die nog in Hotel Mama wonen, zijn veel vaker jonge mannen dan vrouwen (64.000 tegenover 38.000). Of anders bekeken: van de 25- tot 29-jarige mannen woont nog 34 procent thuis, versus 21 procent van de vrouwen van die leeftijd. Bij dertigplussers (30-59 jaar) is het nog uitgesprokener: 78.000 mannen wonen bij hun ouders, tegen 37.000 vrouwen. In totaal woont 4 procent van de dertigplussers bij de ouders.

Ook wonen veel meer jongvolwassenen bij alleenstaande moeders dan bij vaders, en ze blijven nog langer hangen. In bijna de helft (49%) van de eenoudergezinnen leeft een alleenstaande ouder samen met uitsluitend kinderen van 18 jaar en ouder. Van de 164.000 volwassenen die bij een alleenstaande ouder wonen, leven er 130.000 bij hun moeder (76.000 zonen en 54.000 dochters).

Je oudere ouders laten inwonen is veel minder courant. Lodewijckx telde 29.000 ouders die inwonen bij hun kinderen (zoon of dochter is de referentiepersoon in het huishouden). In zes op de tien gevallen wonen ze bij hun dochter.

Veelal is het of-of: er zijn nog (volwassen) kinderen in huis, of de ouders wonen in bij hun kinderen. In 34.000 huishoudens leven echter drie generaties onder één dak, bijvoorbeeld een dochter die met haar kind(eren) bij haar ouders woont.

De cijfers staan in het boek 'Zoals het klokje thuis tikt', dat vrijdag op een studiedag van het Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen wordt voorgesteld. Lodewijckx merkt op dat een deel van de samenwonende ouders en kinderen onzichtbaar blijft in het Rijksregister: zij die - bijvoorbeeld in een kangoeroewoning met twee voordeuren - aparte adressen hebben.

De auteurs van het boek vinden dat het beleid te veel gericht is op klassieke gezinnen. Een van hun aanbevelingen is dat er meer aandacht moet komen voor andere vormen van samenwonen. Familiaal samenwonen kan aansluiten bij het ernaar streven dat ouderen langer in een thuissituatie blijven, maar het wordt ontmoedigd. (Lokale) regels van ruimtelijke ordening laten bijvoorbeeld niet toe een woning op te splitsen. Of het inwonen bij een kind dat mantelzorg wil bieden, leidt tot verlies van zorg- en inkomensrechten. 'De sterke link tussen samenwonen en sociale rechten moet worden herzien', vinden de auteurs.

'Zoals het klokje thuis tikt', Dirk Luyten, Kathleen Emmery, Eline Mechels (red.), Kenniscentrum Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen, uitgeverij Garant.

www.hig.be/nl/studiedag-samenhuizen

Gesponsorde inhoud

Partner content