Moeilijker om familiebedrijf gratis over generaties heen te schenken

©shutterstock

U wilt uw familiebedrijf in eerste instantie schenken aan uw kinderen? En mocht hun iets overkomen, dan moet het naar uw kleinkinderen? U hebt niet langer de zekerheid dat die laatste overdracht ontsnapt aan schenkbelasting. Dat blijkt uit een nieuwe omzendbrief.

Al sinds 2012 kunnen ondernemers hun familiebedrijf wegschenken zonder dat schenkbelasting betaald moet worden. De bedoeling is ondernemers ertoe aan te zetten al tijdens hun leven na te nadenken over hun opvolging. Overlijdt de ondernemer toch vooraleer hij schonk, dan geldt voor familiebedrijven een verlaagd tarief van erfbelasting: de partner, de (klein)kinderen en (groot)ouders betalen 3 procent erfbelasting, andere erfgenamen 7 procent.

Aan de Vlaamse gunstregeling zijn strikte voorwaarden gekoppeld. In een nieuwe omzendbrief - gepubliceerd op 31 december - interpreteert Vlaams minister van Financiën Annemie Turtelboom die voorwaarden. Dat past in de bevoegdheidsoverdracht: sinds begin vorig jaar int niet langer de federale overheid, maar wel de Vlaamse Belastingdienst de schenk- en erfbelasting.

Ommezwaai

'De algemene voorwaarden voor het kosteloos schenken van een familiebedrijf blijven dezelfde', zegt Petra Gabriël, advocate bij Ducartis. 'Maar er komt wel een ommezwaai voor wie zijn familiale onderneming of vennootschap over de generaties heen wil schenken. De schenker heeft niet langer de zekerheid dat er nooit schenkbelasting betaald zal moeten worden.' De nieuwe regeling geldt sinds 10 januari 2016. Voor aktes verleden voor die datum blijf het oude standpunt gelden.

Waarover gaat het? Een veelgebruikte techniek is de restschenking, in het vakjargon de fideï-commis de residuo. In de schenkingsakte bepaalt de ondernemer niet alleen aan wie het familiebedrijf in eerste instantie wordt geschonken, maar hij wijst ook een tweede begunstigde aan. Bij het overlijden van de eerste begunstigde krijgt de tweede wat nog overblijft van het familiebedrijf geschonken.

Onder de oude regeling volstond het dat de voorwaarden voor het nulprocenttarief voldaan waren op het moment van de schenkingsakte. Zowel de eerste schenking als de restschenking na overlijden van de eerste begiftigde kon tegen het tarief van 0 procent, ongeacht wanneer de tweede schenking zou plaatsvinden. 'Maar volgens het nieuwe standpunt wordt dat anders. Om de vrijstelling te kunnen genieten moeten de voorwaarden ook op het moment van de restschenking - dus bij overlijden van de eerste begiftigde - vervuld zijn. Zo niet worden de gewone tarieven van de schenkbelasting toegepast', zegt Gabriël. Het tarief van de schenkbelasting is dan 3 procent voor schenkingen aan (klein)kinderen en tussen partners of 7 procent voor alle anderen.

Een voorbeeld. Een arts schenkt de aandelen van zijn doktersvennootschap. In de schenkingsakte wijst hij zijn kinderen aan als eerste begiftigden, met als clausule dat als zij er niet meer zijn hun eigen kinderen - dus de kleinkinderen van de arts - de tweede begiftigden zijn. Een van de voorwaarden voor het gunsttarief is dat de vennootschap een reële activiteit uitoefent en dat er ook nog drie jaar na de schenking een activiteit behouden blijft. Onder de oude regeling was er geen probleem als de arts tien jaar na de schenking met pensioen gaat en als vervolgens vijf jaar later een van zijn kinderen overlijdt. Voor de restschenking gold toen een tarief van 0 procent, omdat het 15 jaar geleden een actieve familiale vennootschap betrof en omdat de arts meer dan drie jaar na de schenking actief gebleven is.

In de nieuwe regeling is op het ogenblik van de vervulling van de opschortende voorwaarde (het overlijden van een van de kinderen) geen sprake meer van een actieve familiale vennootschap, want de arts is al vijf jaar gepensioneerd. Dat heeft tot gevolg dat de gewone tarieven van schenkbelasting toegepast worden op het tweede luik van de schenking.

WELKE ANDERE WIJZIGINGEN BRENGT DE OMZENDBRIEF?

De nieuwe omzendbrief brengt nog andere verduidelijkingen en standpunten. De belangrijkste vijf op een rij.

1. Persoonlijke exploitatie

Voor de gunstregeling moet de familiale onderneming een nijverheids-, handels-, ambachts- of landbouwactiviteit of een vrij beroep uitoefenen. 'In de omzendbrief wordt extra benadrukt dat de schenker/erflater zelf of zijn partner actief moet zijn. Daarbij wordt expliciet vermeld dat 'partner' niet beperkt blijft tot de klassieke echtgenoot of samenwonende partner, het kunnen ook inwonende kinderen, broers of zussen zijn', zegt Petra Gabriël, advocate bij Ducartis. De activiteit hoeft geen hoofdberoep te zijn, maar kan ook in bijberoep. Zelfs als men gepensioneerd is.

2. Continuïteit van de exploitatie

De concrete invulling van het begrip exploitatie van een familiale onderneming kon in de praktijk problemen opleveren. Een schenker is niet verplicht om alles in één keer weg te schenken. Maar er kan te veel worden weggeschonken (bijvoorbeeld een volledig cliënteel of machinepark), waardoor er geen echte exploitatie meer is. 'De omzendbrief biedt een oplossing: de geschonken activa mogen worden gehuurd voor de continuïteit van de exploitatie', zegt Gabriël.

3. Niet voor woningen en appartementen

Als een familiale onderneming wordt geschonken, dan valt vastgoed bestemd voor bewoning niet onder de vrijstelling. 'In het verlengde daarvan zegt de omzendbrief dat bouwgrond niet in aanmerking komt voor de gunstregeling, ook niet als de grond voor landbouwdoeleinden wordt gebruikt door een landbouwbedrijf', zegt Gabriël.

4. Geen vastgoedactiviteiten

Specifiek voor familiale vennootschappen neemt de omzendbrief tweemaal expliciet een streng standpunt in voor vastgoedactiviteiten. 'Het loutere beheer van vastgoed volstaat niet om aan de activiteitsvoorwaarde te voldoen', zegt Gabriël. 'Daarnaast kan private of handelshuur niet gebruikt worden om de reële economische activiteit aan te tonen. Huur wordt alleen aanvaard als het gaat om bedrijfsgebouwen die verhuurd worden aan een of meer actieve dochtervennootschappen.'

5. Jaarrekeningen

Vlaanderen stelt zich dan weer soepeler op voor de jaarrekeningen die gebruikt mogen worden om de reële economische activiteit aan te tonen. Zolang bijvoorbeeld de jaarrekening van 2015 nog niet is gepubliceerd, moeten in principe de jaarrekening 2012, 2013 en 2014 gebruikt worden. Maar in bepaalde omstandigheden kan toch naar de laatste niet-gepubliceerde jaarrekening worden gekeken. Als bijvoorbeeld alleen in 2012 de toets niet wordt doorstaan en in 2015 wel, dan mag de jaarrekening 2015 toch worden gebruikt om de gunstregeling te krijgen.

Advertentie
Advertentie

Tijd Connect